Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:1745
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
6,102 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1745 text/xml public 2026-03-19T14:39:56 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-10 C/02/439459 FA RK 25-4521 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1745 text/html public 2026-03-19T14:39:34 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1745 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-02-2026 / C/02/439459 FA RK 25-4521 Echtscheiding. Overeenstemming over hoofdverblijf en zorgregeling. Ontbreken gezagsverhouding tussen de man en één van de kinderen vanwege andere (juridische) vader. Rechtbank stelt kinderalimentatie vast. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/439459 FA RK 25-4521 10 februari 2026 beschikking over echtscheiding en nevenvoorzieningen in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats] , gemeente Halderberge, hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. R.E. Teusink, en [de man] , wonende te [plaats] , gemeente Halderberge, hierna te noemen de man, advocaat mr. P. Kowalczyk. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 28 augustus 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen (producties 1 tot en met 6); - het op 18 september 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - de op 17 november 2025 door mr. Kowalczyk ingediende financiële stukken; - het op 1 december 205 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek; - het op 10 december 2025 ingekomen F9-formulier van mr. Kowalczyk met daarbij inkomensgegevens; - de brief van mr. Teusink van 11 december 2025 met bijlagen (producties 7 tot en met 12), waaronder een gewijzigd verzoek wat betreft de kinderalimentatie; - het op 11 december 2025 ingekomen F9-formulier van mr. Kowalczyk behorend bij de eerder ingediende financiële stukken; - de op 2 januari 2026 door mr. Kowalczyk ingediende aanslagen inkomstenbelasting van de jaren 2021, 2022 en 2023; - de brief van 5 januari 2026 van mr. Kowalczyk met daarbij producties 1 tot en met 4. 1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 13 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, ieder vergezeld door een tolk en bijgestaan door hun advocaat. 1.3. Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek . Van die gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt. Tijdens de zitting van 19 januari 2026 heeft de rechter de inhoud van die gesprekken met toestemming van de minderjarigen aan partijen teruggekoppeld. Zij hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - zij zijn op [datum] 2015 in de [gemeente] , Polen, met elkaar gehuwd; - uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag 1] 2015 (hierna: [minderjarige 1] ); - zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan; - partijen en [minderjarige 1] hebben de Poolse nationaliteit; - hun huwelijk is duurzaam ontwricht. 2.2. Tijdens het huwelijk behoorde tot het gezin van partijen ook het nu nog minderjarige kind: [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag 2] 2014 (hierna: [minderjarige 2] ). [minderjarige 2] is uit de vrouw geboren en heeft de Poolse nationaliteit. De man is niet de biologische vader van [minderjarige 2] . De vrouw ontvangt van de in Polen verblijvende vader van [minderjarige 2] een kinderalimentatie van 434,39 PLN. 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt nu, samengevat: - echtscheiding; - bepaling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar; - vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) op de door haar voorgestane wijze; - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] van € 444,= per maand en per 1 januari 2026 van € 464,42 per maand; - bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen. 3.2. De man verzoekt, samengevat, vaststelling van een zorgregeling op de door hem voorgestane wijze. 4 De beoordeling Echtscheiding Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1. De Nederlandse rechter is bevoegd om het verzoek tot echtscheiding te beoordelen, omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Dit volgt uit artikel 3 aanhef en onder a en onder i) Brussel II-ter . 4.2. Op grond van artikel 10:56 lid 1 BW wordt in beginsel Nederlands recht toegepast op het verzoek tot echtscheiding. Dit is volgens het tweede lid van dat artikel slechts anders als partijen een gezamenlijke buitenlandse nationaliteit hebben en een rechtskeuze wordt gemaakt voor het recht van de vreemde staat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben. De rechtbank stelt vast dat partijen niet een dergelijke rechtskeuze hebben gemaakt, zodat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding. Erkenning huwelijk 4.3. In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk van partijen in het buitenland is voltrokken, dient de rechtbank ambtshalve de vraag te beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 BW erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang, omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden. 4.4. Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste lid BW). Het vierde lid van artikel 10:31 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. 4.5. De vrouw heeft bij haar verzoek een kopie van een Poolse huwelijksakte overgelegd. Daaruit blijkt dat partijen op [datum] 2015 te [gemeente] , Polen, met elkaar zijn gehuwd. Gelet daarop wordt op grond van het vierde lid van voornoemd artikel vermoed dat het huwelijk tussen partijen rechtsgeldig is voltrokken. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het huwelijk van partijen niet voor erkenning vatbaar is, zoals bedoeld in artikel 10:32 BW, is niet gebleken. Omdat het huwelijk aldus in Nederland wordt erkend, kan de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding. Ontbreken ouderschapsplan 4.6. Op grond van artikel 815 lid 2 Rv moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. In dit ouderschapsplan staan afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. Als het ouderschapsplan ontbreekt heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden ingediend (lid 6). 4.7. De vrouw heeft niet een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan ingediend. De rechtbank zal daarom eerst moeten toetsen of zij de vrouw kan ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. De vrouw heeft tijdens de zitting toegelicht dat het hen niet is gelukt een ouderschapsplan op te stellen. De standpunten van partijen over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie liggen ver uiteen. Het is partijen niet gelukt om daarover met elkaar in gesprek te gaan. Tijdens de zitting hebben partijen zich wel bereid getoond alsnog afspraken met elkaar te maken. Ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling is dat ook gelukt. Die afspraken zal de rechtbank op verzoek van partijen opnemen in deze beschikking. Over de kinderalimentatie blijven partijen verdeeld, zodat de rechtbank daarover een beslissing zal nemen.
Volledig
Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij alsnog een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan overlegt. De rechtbank zal de vrouw daarom ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. Duurzame ontwrichting 4.8. De vrouw stelt dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht en zij verzoekt de echtscheiding uit te spreken. De man heeft de door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk niet weersproken. Omdat aan de wettelijke vereisten voor een verzoek tot echtscheiding is voldaan, zal de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitspreken. Hoofdverblijf en zorg- c.q. omgangsregeling Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.9. De gewone verblijfplaats van de kinderen is in Nederland, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op de verzoeken ten aanzien van het hoofdverblijf en de omgang- c.q. zorgregeling. De rechtbank zal daarbij Nederlands recht toepassen. 4.10. Uit artikel 827 lid 1 onder c Rv volgt dat de rechtbank als nevenvoorziening bij de echtscheiding voorzieningen kan treffen betreffende het gezag over, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over, de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van of de omgang met, de informatie en raadpleging over en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van de echtgenoten. Gezagsverhouding 4.11. Voor de beoordeling van de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling is van belang in welke juridische (gezags)verhouding partijen ten opzichte van de kinderen staan. 4.12. Uit artikel 16, eerste lid, van het HKBV 1996 volgt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Dat betekent dat de vraag wie op dit moment met het ouderlijk gezag over de kinderen is belast naar Nederlands recht moet worden beantwoord. 4.13. Artikel 16, derde lid, van het HKBV 1996 bepaalt dat de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat. 4.14. De rechtbank overweegt dat beide kinderen in Polen zijn geboren. Naar Pools recht berust het ouderlijk gezag vanaf het moment van de geboorte bij beide ouders, ongeacht of zij met elkaar zijn gehuwd en ongeacht of zij met elkaar samenwonen. De gezamenlijke gezagsuitoefening duurt voort tot de meerderjarigheid (Artikel 93 & 1 van de Poolse Familiewet). 4.15. [minderjarige 2] is geboren vóór het huwelijk van partijen. Op zijn geboorteakte staat een op dit moment nog altijd in Polen woonachtige man als vader vermeld. Uit het Poolse recht volgt dat van rechtswege een gezagsverhouding is ontstaan tussen [minderjarige 2] en zijn (juridisch) ouders, te weten de vrouw, uit wie [minderjarige 2] is geboren, en zijn in Polen woonachtige vader. Het latere huwelijk tussen de vrouw en de man heeft daarin geen verandering gebracht. 4.16. Op basis van het voorgaande en omdat niet is gebleken dat deze juridische situatie door een rechterlijke uitspraak of anderszins gewijzigd is, stelt de rechtbank vast dat de naar Pools recht ontstane gezagsverhouding tussen enerzijds [minderjarige 2] en anderzijds de vrouw en zijn in Polen woonachtige vader nog altijd bestaat. 4.17. Voor [minderjarige 1] , die tijdens het huwelijk van partijen is geboren, geldt dat de man op zijn geboorteakte als vader staat vermeld. Zoals hiervoor overwogen bepaalt artikel 16, derde lid, van het HKBV 1996 dat de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige 1] dat van rechtswege is ontstaan in Polen, nog steeds bestaat. 4.18. De conclusie luidt dat partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . Het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] berust daarentegen bij zijn (juridisch) ouders en dat zijn de vrouw en zijn in Polen woonachtige vader. Dat heeft gevolgen voor de verzoeken die voorliggen. De rechtbank licht dat hierna onder 4.20 toe. Overeenstemming 4.19. Zoals hiervoor onder 4.7 weergegeven, hebben partijen zich ter zitting bereid getoond om samen afspraken te maken. Na een onderbreking van de zitting voor overleg, hebben zij overeenstemming bereikt over de verzoeken die zien op de bepaling van het hoofdverblijf en de vastlegging van een zorgregeling. Partijen hebben de rechtbank verzocht die regeling in deze beschikking op te nemen. 4.20. Alvorens de door partijen gemaakte afspraken weer te geven, verduidelijkt de rechtbank, zoals ook ter zitting met partijen besproken, het volgende. De rechtbank heeft hiervoor onder 4.15 en 4.18 vastgesteld dat de vrouw en een in Polen woonachtige man de (juridisch) ouders zijn van [minderjarige 2] die gezamenlijk met het gezag over hem zijn belast. Dat betekent dat de rechtbank in deze echtscheidingsprocedure tussen de man en de vrouw op grond van artikel 827 lid 1 onder c Rv geen bevoegdheid heeft om een voorziening te treffen betreffende [minderjarige 2] . Ook artikel 827 lid 1 onder g Rv in verbinding met artikel 1:377a BW biedt geen basis voor het treffen van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 2] in deze procedure. De rechtbank legt uit waarom. 4.21. Op basis van artikel 1:377a BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Niet ter discussie staat dat de man in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [minderjarige 2] met wie hij meer dan tien jaar heeft samengewoond. De rechtbank merkt de in Polen woonachtige, gezaghebbende vader van [minderjarige 2] echter voorshands aan als belanghebbende bij een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen [minderjarige 2] en de man. De aard van een echtscheidingsprocedure brengt mee dat voor het betrekken van een belanghebbende in deze procedure geen ruimte bestaat. 4.22. De rechtbank zal partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoeken voor zover die betrekking hebben op het hoofdverblijf van en een zorgregeling (of omgangsregeling) voor [minderjarige 2] . 4.23. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, met instemming van partijen, volstaan met het vastleggen van de tussen hen gemaakte afspraken met betrekking tot [minderjarige 1] . Partijen hebben bevestigd dat zij zich jegens elkaar ertoe verbinden om de afspraken die gelden voor [minderjarige 1] ook te volgen voor [minderjarige 2] , met dien verstande dat [minderjarige 2] doorgaans minder tijd doorbrengt met de man en moeite heeft met overnachtingen bij hem. Voor [minderjarige 2] zullen partijen de afspraken daarom minder strikt handhaven. Tot zover zijn de gemaakte afspraken voor [minderjarige 2] tussen hen ook bindend maar lenen deze zich gelet op het voorgaande niet voor opname in het dictum. 4.24. Over het hoofdverblijf van en de zorgregeling voor [minderjarige 1] hebben partijen de volgende regeling getroffen: [minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw; op maandag, woensdag en vrijdag verblijft [minderjarige 1] van 17:00 uur tot 20:00 uur bij de man; om het weekend verblijft [minderjarige 1] van vrijdag 17:00 uur tot zondag 20:00 uur bij de man; op donderdag is de man om 17:00 uur aanwezig bij de zwemles van [minderjarige 1] ; de helft van de vakanties, door partijen in onderling overleg te verdelen, verblijft [minderjarige 1] bij de man. 4.25. Buiten de hiervoor weergegeven zorgregeling laten partijen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zoveel mogelijk vrij om tijd door te brengen met de man. Daarover vindt tussen ouders de noodzakelijke afstemming plaats. 4.26. Omdat de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat het belang van [minderjarige 1] zich verzet tegen de hiervoor weergegeven regeling, zal de rechtbank in overeenstemming met de afspraak van partijen beslissen.
Volledig
Kinderalimentatie 4.27. De rechtbank is bevoegd te beslissen op het verzoek van de vrouw over de kinderalimentatie, omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] als onderhoudsgerechtigde in Nederland is. Op dat verzoek zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen. 4.28. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in het ‘Rapport Alimentatienormen 2026’ van de Expertgroep Alimentatie. Bij zowel de behoefte als de draagkracht zal de rechtbank, in navolging van partijen en bij gebrek aan in dat verband relevante gegevens, geen rekening houden met de onderhoudsplicht van de vrouw en zijn Poolse vader jegens [minderjarige 2] . Behoefte van [minderjarige 1] 4.29. Voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 1] is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat, met partijen, voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2024, zijnde het laatste volledige kalenderjaar waarin partijen hebben samengeleefd. 4.30. Tussen partijen staat vast dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw in 2024 € 2.380,= per maand bedroeg (op basis van een bruto jaarinkomen uit dienstbetrekking van € 32.289,=) en het NBI van de man € 3.370,= per maand (op basis van een bruto jaarinkomen uit winst uit onderneming van € 50.332,=). Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 5.750,= per maand. 4.31. Dit NBGI levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige 1] op van € 840,= per maand in 2024. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu (2026) € 936,= per maand. Verdeling van de kosten van de kinderen 4.32. Vervolgens dient beoordeeld te worden in welke verhouding de behoefte van [minderjarige 1] tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Rapport Alimentatienormen 2026, waarin is neergelegd dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het huidige NBI van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. 4.33. De rechtbank heeft voor zowel de man als de vrouw draagkrachtberekeningen gemaakt. Deze worden als bijlage toegevoegd en maken daarmee deel uit van deze beschikking. Draagkracht vrouw 4.34. Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. 4.35. De vrouw heeft volgens de salarisspecificaties over 2025 een inkomen van € 32.963,= bruto per jaar, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 5.690,= op jaarbasis. Daarbij is de rechtbank, in navolging van de afspraak tussen partijen, uitgegaan van het kindgebonden budget voor één kind. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.227,= per maand. 4.36. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 626,= per maand. Draagkracht man 4.37. Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. 4.38. De man werkt als zelfstandig ondernemer. De draagkracht van de man wordt gerelateerd aan de te verwachten beschikbare winst uit onderneming. De rechtbank zal uitgaan van de winst uit onderneming over 2025, zoals blijkt uit de in het geding gebrachte (concept) jaarrekening en prognose. De verwachte bruto winst uit onderneming bedraagt dan € 58.698,=. 4.39. De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek) en mkb-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 3.687,= per maand. 4.40. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 872,= per maand. Draagkrachtvergelijking 4.41. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 1.498,= per maand (€ 626 + € 872), zodat hun draagkracht de behoefte van [minderjarige 1] van in totaal € 936,= per maand overstijgt. 4.42. De verdeling van de kosten van [minderjarige 1] over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van [minderjarige 1] , oftewel: het aandeel van de vrouw bedraagt: € 626 / € 1.498 x € 936 = € 391,=; het aandeel van de man bedraagt: € 872 / € 1.498 x € 936 = € 545,=. Zorgkorting 4.43. De man is van mening dat hij aanspraak maakt op een zorgkorting van 35% op de door hem verschuldigde kinderbijdrage. De vrouw heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat bij de overeengekomen zorgregeling een zorgkorting van 25% passend is. 4.44. De rechtbank zal de zorgkorting op 25% bepalen. Weliswaar heeft de man op grond van de overeengekomen zorgregeling op de helft van de dagen de zorg voor de [minderjarige 1] , maar dat is op maandag, woensdag en om de week op vrijdag slechts van 17:00 uur tot 20:00 uur. Dat betekent dat hij op die dagen slechts beperkt kosten hoeft te maken, terwijl de vrouw op die dagen ook kosten voor [minderjarige 1] maakt. Een volledige zorgkorting van 35% is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet gerechtvaardigd. Uitgaande van een zorgkorting van 25%, wordt een bedrag van € 234,= (25% van € 936) afgetrokken van het eigen aandeel van de man. Dat betekent dat de kinderbijdrage van de man neerkomt op een bedrag van (€ 545 - € 234 =) € 311,=. Ingangsdatum 4.45. Partijen zijn het eens over de ingangsdatum, namelijk de datum van indiening van het verzoekschrift. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen. Conclusie 4.46. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met ingang van 28 augustus 2025 vaststellen op € 305,= per maand. Dat bedrag zal voor het eerst worden geïndexeerd per 1 januari 2027. Bevel verdeling 4.47. Tijdens de zitting heeft de vrouw haar verzoek tot bevel van de verdeling van de huwelijksgemeenschap ingetrokken. Dat verzoek kan daarom niet meer worden onderzocht en zal worden afgewezen. Proceskosten 4.48. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken met betrekking tot het bepalen van het hoofdverblijf en het vaststellen van een zorgregeling voor zover die verzoeken zien op de minderjarige [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag 2] 2014; 5.2. verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling tussen hem en voornoemde minderjarige [minderjarige 2] ; 5.3. bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag 1] 2015, zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw; 5.4.