Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:1734
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,139 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1734 text/xml public 2026-03-19T12:31:57 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-10 C/02/443425 / JE RK 25-2305 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1734 text/html public 2026-03-19T08:36:59 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1734 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-02-2026 / C/02/443425 / JE RK 25-2305 Verlenging maatregelen nu Raad GBM onderzoek is gestart en de kinderen nu nog niet naar huis kunnen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/443425 / JE RK 25-2305 Datum uitspraak: 10 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , [pleegouder 1] en [pleegouder 2] , hierna te noemen: de pleegouders, wonende in [woonplaats] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 december 2025; het e-mailbericht van de Raad van 9 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder; - een tweetal vertegenwoordigsters van de GI. 1.3. Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was de heer [persoon] , wijkverpleegkundige, ter ondersteuning van de moeder aanwezig. 1.4. De pleegouders zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. 1.5. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gebruik gemaakt van de uitnodiging van de kinderrechter voor een kindgesprek. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn met elkaar gehuwd en zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.2. Bij beschikking van 9 maart 2023 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 9 maart 2023 en tot 9 maart 2024. Ook is bij beschikking van 9 maart 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin verleend met ingang van 9 maart 2023 en tot 9 december 2023. 2.3. De maatregelen zijn daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 24 februari 2025 met ingang van 9 maart 2025 en tot 9 maart 2026. 2.4. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin, te weten bij opa en oma vaderszijde. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI stelt dat ondanks langdurige inzet van hulpverlening de zorgen in de thuissituatie bij de ouders blijven bestaan. Er is geen sprake van duurzame verbetering. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen inmiddels bijna drie jaar bij hun (pleeg)grootouders, waar zij stabiliteit, structuur en passende ondersteuning ervaren. De GI geeft aan dat de opvoedvisie heroverwogen is, maar dat de uitkomst, te weten dat de kinderen zullen gaan opgroeien bij hun (pleeg)grootouders, onveranderd blijft. Dat heeft mede te maken met aanhoudende zorgen over het middelengebruik van de moeder. Er is recent een melding bij Veilig Thuis gedaan waarin is aangegeven dat de moeder met een polsbandje loopt waarin drugs verstopt zit. Er zijn verschillende drugs- en alcoholtesten afgenomen bij de moeder. De MMB4 test geeft positief aan. Deze kan mogelijk beïnvloed worden door het medicatiegebruik van de moeder, maar dat kan niet uitgezocht worden, omdat de moeder niet onder behandeling staat. Daarnaast heeft [minderjarige 1] eind augustus 2025 een lege wijnfles gevonden, waarvan de ouders zeggen dat dit een oude fles is. Dat de opvoedvisie niet is gewijzigd heeft, heeft ook te maken met de omstandigheid dat het de ouders onvoldoende lukt om aan te sluiten bij wat de jongens nodig hebben van hun ouders. De ouders zitten veelal niet op één lijn qua opvoeding, waardoor de kinderen tijdens bezoeken regelmatig getuige zijn van meningsverschillen tussen de ouders. De opvoedvisie van de ouders ligt enorm uiteen. Ze hebben aangegeven om hulp te zoeken voor hun relatie/ gezamenlijke opvoedvisie. De GI heeft nog niet vernomen dat de ouders hiermee gestart zijn. De moeder wil de plaatsing van de kinderen bij opa en oma gaan accepteren, de vader kan de plaatsing voor nu accepteren maar hij gaat ervan uit dat de jongens terug thuis komen wonen. De vader geeft daarbij aan dat de moeder veranderd is, maar het ontbreekt de vader aan het nemen van zijn verantwoordelijkheid. De vader heeft een drukke baan en de zorg komt dan grotendeels bij de moeder te liggen, welke zorg de moeder niet aan kan. Door de verschillen van mening tussen de ouders blijft er sturing nodig vanuit de GI. Wanneer deze sturing wegvalt is het risico dat de ouders meer aan [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gaan trekken waardoor de jongens in hun ontwikkeling worden bedreigd. 4.2. De vader vindt de verlenging van de maatregelen niet nodig. 4.3. De moeder staat achter een verlenging van de maatregelen met één jaar. Zij hoopt dat het gedwongen kader daarna niet meer nodig is.. 4.4. De Raad heeft per e-mail geadviseerd de maatregelen te verlengen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek van de Raad naar de wenselijkheid en noodzakelijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.3. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.4.
Volledig
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Inhoudelijke beoordeling 5.5. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.6. De kinderrechter is van oordeel dat de minderjarigen nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog noodzakelijk is. De minderjarigen kunnen onder de huidige omstandigheden niet naar huis. De minderjarigen zijn eind 2022 bij de grootouders gaan wonen vanwege een onveilige thuissituatie. Het lukte de ouders niet om fysieke en emotionele veiligheid te bieden aan de minderjarigen. De moeder kampt met verslavingsproblematiek en de vader (h)erkende deze problematiek onvoldoende en was onvoldoende aanwezig om daarin te compenseren. De ouders zijn ook nu niet in staat de volledige opvoedtaken voor de minderjarigen op zich te nemen en hen de rust, structuur en begeleiding te bieden die zij nodig hebben. De moeder ziet dit ook in, zij het met (begrijpelijkerwijs) pijn in het hart, maar de vader vindt daarentegen dat de minderjarigen weer terug naar huis kunnen gaan, omdat het veel beter gaat met de moeder dan ten tijde van de uithuisplaatsing. Er zijn echter nog steeds zorgen over mogelijk middelengebruik bij de moeder, zoals genoemd door de GI. Gebleken is bovendien dat het de ouders niet lukt om een gezamenlijke opvoedvisie te hebben als de minderjarigen bij hen zijn en dat geeft een boel spanningen. Zo gaat de communicatie tussen de ouders op de zondag dat de kinderen bij de ouders zijn niet altijd even goed omdat zij vaak in aanwezigheid van de minderjarigen van mening verschillen over de opvoeding. De kinderen hebben daar last van. De ouders zijn gelukkig bereid om hier hulpverlening voor te aanvaarden. Deze hulpverlening heeft echter vanwege de verslavingsproblematiek aan de zijde van de moeder niet eerder kunnen opstarten. 5.7. Vast staat dat de ouders pas recent hulpverlening aanvaarden en dat het hen tot op heden nog niet is gelukt om het huis op orde te houden. De vader heeft ter zitting erkend dat de ouders daarin nog niet geslaagd zijn. De ouders erkennen verder dat de moeder soms hevig emotioneel is en regie en structuur nodig heeft, zeker als de minderjarigen aanwezig zijn. 5.8. De kinderrechter vindt het dan ook, naast het feit dat er een onderzoek van de Raad naar een gezagsbeëindigende maatregel loopt, geen goed idee om de kinderen nu naar huis te laten gaan. De kinderrechter vraagt van de GI wel aandacht voor de zorgen die er zijn over de draagkracht van de pleegmoeder. Ook heeft de GI aandacht voor de contacten tussen de ouders en de kinderen. De GI zal daarbij steeds moeten kijken welke contacten in het belang van de kinderen zijn, wat er bij hen past en daarin meebewegen. 5.9. De kinderrechter zal beide maatregelen verlengen voor de duur van een jaar. Uitvoerbaar bij voorraad 5.10. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 9 maart 2026 en tot 9 maart 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 9 maart 2026 en tot 9 maart 2027; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 26 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.