Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:1723
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
10,111 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1723 text/xml public 2026-03-19T11:35:57 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-10 C/02/432712 / JERK 24-418 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1723 text/html public 2026-03-18T14:47:21 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1723 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-02-2026 / C/02/432712 / JERK 24-418 Verlenging ondertoezichtstelling 1 jaar - verlenging machtiging tot uithuisplaatsing 9 maanden met toetsmoment - in afwachting van resultaten van hulpverlening en perspectiefonderzoek. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummers: C/02/432712 / JE RK 25-418 (resterende verzoek) C/02/444497 JE RK 26-167 (verlengingsverzoek [minderjarige 1] ) C/02/444500 JE RK 26-169 (verleningsverzoek [minderjarige 2] ) Datum uitspraak: 10 februari 2026 (nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaken van WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), over de minderjarigen [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] . De kinderrechter merkt in deze zaken als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. P.B.J. Dekker te Tilburg, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Möller te Tilburg Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren. 1 Het (verdere) verloop van de procedure(s) C/02/432712 / JE RK 25-418 (resterende verzoek) 1.1. Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken: de in deze zaak gegeven beschikking van 26 augustus 2025 en alle daarin genoemde stukken; de e-mailberichten van de Raad van 5 december 2025 en 9 januari 2026; het bericht met bijlagen van de GI van 12 januari 2026; het bericht van de GI van 19 januari 2026, inhoudende het verzoek om de zitting te verplaatsen; het raadsrapport van 22 januari 2026, ingekomen bij de griffie op 23 januari 2026; de brief van mr. Möller van 21 januari 2026, ingekomen bij de griffie op 27 januari 2026; de brief van mr. Dekker met bijlagen van 29 januari 2026, ingekomen bij de griffie op 30 januari 2026. C/02/444497 JE RK 26-167 (verlengingsverzoek [minderjarige 1] ) 1.1.1. Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken: - het verzoekschrift met bijlagen van 22 januari 2026, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum. C/02/444500 JE RK 26-169 (verleningsverzoek [minderjarige 2] ) 1.1.2. Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken: - het verzoekschrift met bijlagen van 23 januari 2026, ingekomen bij de griffie op 28 januari 2026. 1.2. De kinderrechter heeft de zaken (verder) behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 4 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Dekker; - de vader, bijgestaan door mr. I.A.C. Cools als waarnemend advocaat voor mr. Möller; - twee vertegenwoordigers namens de GI; - een medewerkster namens de Raad. 1.3. Gelet op de nauwe samenhang van alle zaken, zijn deze tijdens de zitting gelijktijdig behandeld. In alle zaken wordt bij deze beschikking beslist. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . 2.2. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn onder toezicht gesteld van de GI. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn ook uit huis geplaatst. 2.3. Laatstelijk, bij de gegeven beschikking van 26 augustus 2025 (in de zaak met kenmerk C/02/432712 / JE RK 25-418) heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengd van 7 september 2025 tot 7 maart 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 7 september 2025 tot 7 maart 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden in afwachting van schriftelijk verslag van de GI en advies van de Raad. 2.4. Op grond van voormelde machtigingen verblijft [minderjarige 2] bij [accommodatie] in [plaats] en verblijft [minderjarige 1] in een pleeggezin. 3 Het verslag van de GI, het advies van de Raad en de reacties van de ouders 3.1. De kinderrechter hecht er waarde aan om, gelet op de omvang daarvan, in deze beschikking uitvoerig in te gaan op de in de zaak met kenmerk C/02/432712 / JE RK 25-418 ingediende stukken. 3.2. De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verslag van de GI van 23 januari 2026 . De GI concludeert, samengevat, als volgt. 3.2.1. Door ziekte van de jeugdbeschermer van [minderjarige 2] heeft het afnemen van perspectiefonderzoek bij De GezinsManager (hierna: DGM) langer op zich laten wachten. DGM is niet in contact kunnen komen met de moeder, waardoor haar intake niet tot stand kwam. Op 6 januari 2026 heeft alsnog een gesprek met moeder plaatsgevonden. De vader heeft goed meegewerkt. DGM geeft aan dat om een goed perspectiefonderzoek uit te kunnen voeren voor beide jongens, bij beide ouders, het nodig is dat gaandeweg het traject de omgang uitgebreid kan gaan worden op doordeweekse dagen, tijdens kantooruren. 3.2.2. De pleegouders van [minderjarige 1] geven aan dat het goed met hem gaat, maar hij nog steeds geen vrienden wil maken op school vanuit hechtingsproblematiek. [minderjarige 1] vraagt om duidelijkheid over zijn toekomst. De pleegouders gaan in maart 2026 verhuizen. Dat hebben zij uitgesteld vanwege het perspectief van [minderjarige 1] , maar nu dat onduidelijk blijft willen zij hun eigen leven ook laten doorlopen. [minderjarige 1] blijft welkom, ondanks dat zij een crisispleeggezin zijn. 3.2.3. [minderjarige 2] verbleef sinds januari 2025 op de STEK-groep van [accommodatie] , nadat eerdere plaatsingen zijn afgebroken. STEK meldt dat [minderjarige 2] escalerend gedrag toont bij verplichtingen (douchen, tandenpoetsen) en ook zijn er dreigingen, manipulatief gedrag en isolement zichtbaar. Er zijn verschillende incidenten op de groep en op school: [minderjarige 2] sluit zich op met twee keukenmesjes en dreigt te steken. Een schorsing volgt. School meldt dat [minderjarige 2] onhandelbaar is in een groepssetting en er geen ambulante onderwijsondersteuning mogelijk is. [minderjarige 2] wordt fysiek naar begeleiding, gooit met speelgoed en bedreigt met een mes, waarbij een begeleider gewond raakt en naar de eerste hulp moet. Sinds januari 2025 is er sprake van toenemende gedragsproblematiek bij [minderjarige 2] . Incidenten escaleren van grensoverschrijdend gedrag naar fysieke agressie en serieuze veiligheidsincidenten. [minderjarige 2] is geplaatst op een crisisgroep en zijn onderwijs is gestaakt. Er is dringend nood aan een perspectiefbepaling, intensieve behandeling en multidisciplinaire regie. 3.2.4. De ouders blijken beperkt leerbaar en de tips die [hulpverlening 1] geeft, worden niet voldoende geïntegreerd. Als ouders zich niet lerend opstellen en hun opvoedkundige vaardigheden niet versterken, betekent dit voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dat zij onvoldoende worden gestimuleerd in hun ontwikkeling en zich niet veilig kunnen hechten. De persoonlijke ondersteuning die beide ouders ontvangen van [hulpverlening 1] is gestopt per 1 januari 2026. [hulpverlening 2] neemt deze taak nu over. 3.3. De kinderrechter heeft vervolgens kennisgenomen van het raadsrapport van 22 januari 2026 , waarin de Raad, samengevat, als volgt adviseert. 3.3.1.
Volledig
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben niet altijd kunnen rekenen op basale zorg, opvoeding, stabiliteit en veiligheid in de opvoedingssituatie bij hun ouders. Zo hebben zij te maken gehad met verwaarlozende opvoedingsomstandigheden, heeft [minderjarige 2] te maken gehad met huiselijk geweld tussen ouders en heeft [minderjarige 1] mogelijk te maken gehad met geweld in de opvoeding vanuit moeder. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben meegemaakt / indirect meegekregen dat de moeder mannen bij haar thuis liet komen voor seksuele activiteiten. De Raad maakt zich zorgen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] seksuele activiteiten hebben gezien en mogelijk zelf hebben meegemaakt. 3.3.2. Er is geen veilige hechtingsrelatie ontstaan. De moeder is niet altijd voorspelbaar en emotioneel beschikbaar geweest door pedagogische onmacht en persoonlijke problematiek. Ook was de vader niet altijd beschikbaar in de opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , doordat hij niet betrokken was dan wel mocht zijn. De Raad maakt zich zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] . Zo zou nog steeds sprake zijn van een achterstand in de spraak-taal ontwikkeling en zou [minderjarige 1] nog niet zindelijk zijn. [minderjarige 1] verblijft in een pleeggezin, maar kan hier niet voor langere tijd blijven. De Raad maakt zich ook zorgen over de ontwikkeling (waaronder de seksuele) van [minderjarige 2] , vanwege de forse gedragsproblemen. Daarnaast is de samenwerking tussen de ouders en de GI een punt van zorg. 3.3.3. [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en de ouders hebben al lange tijd onduidelijkheid over de toekomst. Er zijn onderzoeken gedaan en diverse adviezen gegeven, maar er is nog steeds geen zekerheid over waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verder zullen opgroeien. Volgens de vader kunnen zij bij hem opgroeien, terwijl de moeder zegt dat dit bij haar kan. De Raad acht het van belang dat [minderjarige 1] zo snel mogelijk wordt overgeplaatst naar een pleeggezin met een opvoedsituatie die tegemoet komt aan zijn opvoedbehoeften en waar hij in ieder geval tot zijn achttiende kan blijven wonen. Voor [minderjarige 2] geldt dat hij eerst nog gebruik zal maken van specifieke begeleiding en behandeling vanuit de groep waar hij nu verblijft, waarna bekeken zal worden welke opvoedingssituatie het beste bij [minderjarige 2] past. Daarnaast is passende ondersteuning aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun ouders nodig voor het versterken van de ouder-kindrelatie, traumaverwerking voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en er moet aandacht worden geschonken aan de verbetering van de samenwerking tussen de ouders en de GI. 3.3.4. Kijkend naar de mogelijkheden van de vader concludeert de Raad dat, ondanks de positieve ontwikkelingen die de vader heeft laten zien, hij op dit moment de benodigde opvoedingsvaardigheden mist. Ook is de zorg van de Raad dat de vader overvraagd zal worden als de gehele opvoeding bij hem komt te liggen, met risico voor een nieuwe (vertrouwens)breuk tussen hem en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De Raad ziet zeker mogelijkheden voor de vader om een grote rol te spelen in het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , met overzichtelijke contactmomenten, waarbij hij leuke dingen met hen kan doen, maar waarbij geen groot beroep wordt gedaan op zijn opvoedingsvaardigheden en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kunnen terugvallen op een stabiele opvoedingssituatie elders. De moeder mist de benodigde opvoedvaardigheden en is onvoldoende stabiel in haar functioneren en wonen. 3.3.5. De Raad acht de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verstreken. Onduidelijkheid over de toekomst levert bij hen spanning op. Het is schadelijk voor de ontwikkeling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al langdurig in onzekerheid verkeren over het toekomstperspectief. Duidelijkheid is dan ook van belang om hen gebruik te kunnen laten maken van extra begeleiding en behandeling, onder andere om de ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden te verwerken of te kunnen plaatsen. Deze kan pas opgestart worden als er een zekere mate van stabiliteit en voorspelbaarheid is in de opvoedsituatie. 3.4. In reactie op het raadsrapport bericht de vader de kinderrechter, samengevat, als volgt. De vader wenst bijzonder graag een kans te krijgen om meer tijd door te brengen met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De conclusie van de Raad dat de vader over onvoldoende opvoedvaardigheden beschikt is onterecht. Dat de aanvaardbare termijn voor de kinderen is verstreken, heeft te maken met het gegeven dat de GI onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Er is inmiddels sprake van een zesde jeugdbeschermer en dat heeft invloed. 3.5. In reactie op het raadsrapport bericht de moeder de kinderrechter, samengevat, dat zij het niet eens is met het advies. De moeder heeft sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] het gevoel dat zij buiten spel wordt gezet. De moeder betwist en ontkent alle aantijgingen betreffende het sekswerk en drugsgebruik. Ook heeft zij nooit fysiek geweld gebruikt richting [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Het contact met de omgangsbegeleiding loopt goed, maar het vertrouwen in de GI is niet hersteld. Uitbereiding van de contacten met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] heeft niet plaatsgevonden. De moeder begrijpt het standpunt van de Raad ten aanzien van de aanvaardbare termijn, maar dit houdt verband met het gegeven dat de GI, ondanks meerdere opdrachten niet voortvarend heeft gehandeld en geen gehoor gaf aan de beschikkingen van de kinderrechter. De moeder is van mening dat zij wel beschikt over de nodige opvoedvaardigheden. Zij acht het van belang dat haar de kans wordt geboden om dit te laten zien. 4 De (resterende) verzoeken C/02/432712 / JE RK 25-418 (resterende verzoek) 4.1. Aan de orde is het resterende deel van het verzoek van de GI om - uitvoerbaar bij voorraad - de ondertoezichtstelling en de machtigingen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen tot 7 april 2026. C/02/444497 JE RK 26-167 (verlengingsverzoek [minderjarige 1] ) 4.2. De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. 4.3. Daarnaast verzoekt de GI, uitvoerbaar bij voorraad, om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar, naar de kinderrechter begrijpt: tot 7 april 2027. C/02/444500 JE RK 26-169 (verlengingsverzoek [minderjarige 2] ) 4.4. De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. 4.5. Daarnaast verzoekt de GI, uitvoerbaar bij voorraad, om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar, naar de kinderrechter begrijpt: tot 7 april 2027. 5 Het (nadere) standpunt van de GI 5.1. Ter onderbouwing van en in aanvulling op de overgelegde stukken wordt door de GI, samengevat, het volgende aangevoerd. Inmiddels is [minderjarige 2] geplaatst bij [accommodatie] te [plaats] . Daar wordt hem maatwerk geboden en lijkt het goed met hem te gaan. Hij krijgt dagbesteding en start vanuit daar, hopelijk binnen een jaar, met school. Ten aanzien van [minderjarige 1] geldt dat er nog geen zicht is op een ander pleeggezin. Zijn huidige niet perspectief biedende pleeggezin gaat in maart 2026 verhuizen. Niet bekend is of [minderjarige 1] mee kan verhuizen. 5.2. De GI kan zich vinden in de conclusies uit het raadsrapport. De GI wenst als nuance aan te brengen dat gezien wordt dat de ouders veel van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] houden. Daar is geen twijfel over. Ook wordt gezien dat de vader afspraken nakomt, zich bereid toont aan alle noodzakelijke hulpverlening mee te werken en continue in contact is. De relatie tussen de jeugdbeschermer en de vader is goed. Met de vader is besproken dat hij zal aansluiten bij de therapie die [minderjarige 2] bij [accommodatie] krijgt. Met de moeder komt de GI nauwelijks in contact.
Volledig
Dit is vanuit de moeder geen onwil, maar komt voort uit haar beperking. De GI kan de moeder hierin niets kwalijk nemen. De GI zal blijven proberen om de moeder betrokken te houden. Dat de moeder hierin een andere beleving heeft, kan haar ook niet worden verweten. 5.3. De GI onderschrijft de conclusie van de Raad dat het perspectief niet bij de ouders ligt. Dat er ten aanzien van de vader positieve ontwikkelingen gaande zijn, maakt dat niet anders. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kunnen niet langer in onduidelijkheid blijven over hun toekomst. Het is belangrijk dat de ouders nu gaan laten zien wat hun mogelijkheden zijn in het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Vanuit DGM kan worden onderzocht wat de draagkracht van de ouders is. Desgevraagd verklaart de GI dat er voor een traject bij [jeugdzorg] geen aanmelding is gedaan. Bekend is dat er sprake is van een lange wachtlijst. De GI handhaaft het verzoek om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsingen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen. [minderjarige 2] zal verder gaan met zijn behandeling bij [accommodatie] en voor [minderjarige 1] wordt gezocht naar een passend en perspectief biedend pleeggezin. Helaas, liggen de pleeggezinnen niet voor het oprapen. De GI kan niet voorspellen binnen welke termijn [minderjarige 1] elders kan worden geplaatst. 6 Het (nadere) standpunt van belanghebbenden en het advies van de Raad 6.1. Door en namens de vader is, samengevat, het volgende aangevoerd. 6.1.1. De vader verzet zich niet tegen het resterende deel van het verzoek in de zaak met kenmerk C/02/432712 / JE RK 25-418. 6.1.2. Ook is hij akkoord met de verzoeken ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstellingen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . 6.1.3. Wel verweert de vader zich tegen de verzoeken tot verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing. De vader verzoekt de kinderrechter om deze maatregelen te verlengen voor een beperkte duur en een toetsmoment in te lassen. De vader baseert dat verzoek op het perspectiefbesluit. Hij vindt het goed dat daar naar gekeken wordt, echter wel op een zorgvuldige manier en met actuele informatie. De vader ervaart het alsof de Raad niet meer heeft gedaan dan het verzamelen van (verouderde) stukken en de negatieve kanten daaruit belicht, waardoor hij in een kwaad daglicht komt te staan. 6.1.4. Hoewel de GI het op meerdere vlakken heeft laten afweten, heeft de vader zich steeds aan afspraken gehouden, is hij in contact gebleven en heeft hij uit eigen beweging hulp gezocht en hulpvragen geformuleerd. Tips en adviezen worden door de vader opgepakt, hetgeen de GI ter zitting beaamt. Ook is te lezen dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zich veilig voelen bij de vader en het contact tussen hen goed is. Er zijn dus wel degelijk positieve signalen. De vader werkt overal aan mee en wil laten zien wat hij kan. Daarom moet worden gewacht met het doorhakken van een knoop over het perspectief van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . DGM is nu bezig met een perspectiefonderzoek en wil in dat kader kijken naar de uitbereiding van de omgang. Waarom wordt dit niet afgewacht? 6.1.5. De vader wil aannemen dat de aanvaardbare termijn is verstreken, echter moet er ook rekening mee worden gehouden dat niet duidelijk is waar [minderjarige 1] wordt geplaatst en ook de plek van [minderjarige 2] is niet zeker. De vader vraagt zich sterk af waarom er dan nú een perspectiefbesluit moet worden genomen. Zorgvuldigheid moet hierin voorop staan en alle kansen moeten worden benut. 6.1.6. Voormelde is voor de vader reden om de kinderrechter te vragen om een toetsmoment, zodat onderzoek van DGM kan worden afgewacht en er meer duidelijkheid is over de plaatsing van [minderjarige 1] . Op dat moment is er een breder beeld beschikbaar en kan er een gewogen beslissing worden genomen. In de afgelopen jaren was de begeleiding vanuit de GI ondermaats en zijn dingen niet opgepakt. Dat er dan toch een knoop zou worden doorgehakt op basis van wat er nu aan informatie ligt, is voor de vader onacceptabel. Het nemen van een perspectiefbesluit dient dan ook te wachten. 6.1.7. Desgevraagd verklaart de vader dat [minderjarige 2] niet op zijn plek zit bij [accommodatie] . Sinds zijn uithuisplaatsing gaat het juist slechter met hem. [minderjarige 2] geeft aan naar huis te willen. Dit is volgens de vader ook mogelijk. Zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] kunnen bij hem komen wonen, al is daar wel hulpverlening voor nodig zoals PMT of EMDR. De vader is boos en gefrustreerd over de gang van zaken. Hij ervaart onrecht en ziet zichzelf niet als schuldige in de hele situatie. 6.2. Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende aangevoerd. 6.2.1. De moeder sluit zich aan bij hetgeen namens de vader naar voren is gebracht. Ook zij is akkoord met een toewijzing van het resterende deel van het verzoek in de zaak met kenmerk C/02/432712 / JE RK 25-418. Net als de vader verweert de moeder zich niet tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , maar heeft zij wel bewaar tegen de machtigingen tot uithuisplaatsing. De moeder vraagt om een toetsmoment te gelasten over vier maanden, omdat DGM al betrokken is en er nu verdere actie moet worden ondernomen. Als er eerder een zitting nodig is, omdat er voor [minderjarige 1] een pleeggezin is gevonden, kan dit altijd worden gerealiseerd. 6.2.2. Hoewel zij het standpunt van de Raad over de aanvaardbare termijn begrijpt, verzet de moeder zich tegen het perspectiefbesluit. De moeder heeft zelf tijdens een eerdere zitting al uitgesproken dat zij hiervoor vreest vanwege het tijdsverloop. Maar dit is volledig te wijten aan het handelen van de GI. 6.2.3. In de visie van de moeder loopt het contact met de GI niet goed. Zo worden de moeder en haar advocaat niet op de hoogte gehouden van de hulpverlening, zoals de aanmelding bij DGM, de therapie van [minderjarige 2] en het logeren van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vader. Dat er een nieuwe jeugdbeschermer is, was de advocaat tot op heden niet bekend. Dat het contact met de moeder niet goed is en zij niet betrokken wordt, leidt bij haar tot onduidelijkheid. Hierdoor verliest zij het overzicht. Dit verbetert de samenwerking met en het vertrouwen van de moeder niet. De moeder wil graag laten zien wat zij kan. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de moeder wel dingen kan, zij zich open stelt, zij aanspreekbaar is en wordt gezien dat zij haar emoties niet uit waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij zijn. Voor de moeder is het belangrijk dat de contacten met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] de komende periode worden uitgebreid. 6.2.4. Net als de vader acht de moeder het te vroeg om nu een perspectiefbesluit te nemen. Zij betrekt daarin dat voor [minderjarige 1] onduidelijk is waar hij wordt geplaatst en dat er over de plaatsing van [minderjarige 2] ook geen duidelijkheid is. De moeder wenst de resultaten van de in te zetten hulpverlening af te wachten voordat er een besluit wordt genomen over het perspectief. Hiervoor is langere observatie nodig, bijvoorbeeld met een gezinsopname. Dan wordt concreet wat er wel of niet lukt en dat leidt tot meer draagvlak voor een perspectiefbesluit. Nu is de informatie daarvoor onvoldoende concreet. 6.3. In aanvulling op het raadsrapport is door de Raad, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De Raad handhaaft het gegeven advies; [minderjarige 1] ondervindt echt problemen van het feit dat hij niet weer waar hij gaat opgroeien. Hij moet weten waar hij aan toe is en waar hij naartoe gaat. Dit moet zo snel mogelijk gebeuren. [minderjarige 2] wil graag weten of hij naar huis kan. Daarin zit voor hem de onduidelijkheid. Hij heeft nu bij [accommodatie] een goede start gemaakt. Kijkend naar de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ligt het perspectief niet meer bij de ouders, ondanks positieve ontwikkelingen bij de vader. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben een specifieke opvoeding nodig die de ouders pedagogisch gezien niet kunnen bieden.
Volledig
Gelet op de problematiek van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vragen zij om bovengemiddelde opvoedvaardigheden. In de praktijk zou dit betekenen dat de ouders overvraagd worden en dat brengt risico’s met zich mee. Wat de Raad betreft hoeft DGM geen onderzoek meer te doen naar het perspectief van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , maar dient gefocust te worden op wat er mogelijk is in het kader van de omgang. Bekeken moet worden in hoeverre de omgang kan worden uitgebreid en wat de ouders daarin in de toekomst nodig hebben. Wanneer er nu bijvoorbeeld ingezet wordt op [jeugdzorg] en dat lukt niet, dan leidt dat tot grote teleurstelling, terwijl [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nu duidelijkheid nodig hebben. Hun beider perspectief ligt niet meer bij de ouders. 7 De beoordeling Wat zegt de wet? 7.1. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 7.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; . de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 7.3. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 7.4. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Inhoudelijke beoordeling 7.5. De kinderrechter zal zich in deze beschikking eerst uitlaten over het resterende deel van het verzoek in de zaak met kenmerk C/02/432712 / JE RK 25-418, daarna volgt de beslissing over de verlengingsverzoeken in de zaken met kenmerk C/02/444497 JE RK 26-167 en C/02/444500 JE RK 26-169 en tot slot laat zij zich uit over het perspectiefbesluit, wat in alle zaken verweven zit. C/02/432712 / JE RK 25-418 (resterende verzoek) 7.6. Ten aanzien van het resterende verzoek kan de kinderrechter kort en duidelijk zijn: aan de wettelijke vereisten wordt voldaan. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] worden onverminderd in hun ontwikkeling bedreigd. Hun plaatsing, respectievelijk bij [accommodatie] en in het pleeggezin, moet worden gewaarborgd. 7.7. De kinderrechter heeft zich ervan vergewist dat de ouders zich niet tegen een toewijzing van het resterende deel van het verzoek verzetten. 7.8. Dit betekent dat de kinderrechter het resterende deel van het verzoek, uitvoerbaar bij voorraad, zal toewijzen en de maatregelen zal verlengen voor de resterende duur van een maand, zijnde met ingang van 7 maart 2026 tot 7 april 2026. C/02/444497 JE RK 26-167 (verlengingsverzoek [minderjarige 1] ) en C/02/444500 JE RK 26-169 (verlengingsverzoek [minderjarige 2] ) Verlenging ondertoezichtstelling 7.9. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter ziet en hoort dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. Zij hebben veel onrust, onveiligheid en instabiliteit meegemaakt in hun nog jonge leven. Bij beiden is sprake van hechtingsproblematiek en er zijn zorgen over hun ontwikkeling. Zo vertoont [minderjarige 2] fors probleemgedrag en zijn er zorgen over zijn seksuele ontwikkeling. [minderjarige 1] laat gedrag zien vanuit een verstoorde hechting en vanuit onduidelijkheid over zijn toekomst. 7.10. De bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen zijn niet behaald. Ondanks de ingezette hulpverlening, die lang op zich heeft laten wachten, hebben [minderjarige 2] en [minderjarige 1] geen stappen kunnen maken in hun ontwikkeling. De veiligheid, stabiliteit, basale zorg en emotionele steun hebben zij bij de ouders niet kunnen vinden, zo volgt uit verslaglegging van [hulpverlening 1] . Hoewel de vader hierin positieve stappen heeft laten zien, hij zich bereid toont om mee te werken aan alle benodigde hulpverlening en hij in samenwerking is met de GI is dit onvoldoende geweest om tot een positieve ontwikkeling te komen. Van de moeder is gebleken dat zij regelmatig onbereikbaar is en moeite heeft met de hulpverlening. De kinderrechter begrijpt dat dit niet voortkomt uit onwil, maar uit onmacht. Ook is het onderlinge vertrouwen tussen de ouders wisselend gebleken. 7.11. De betrokkenheid en strakke regievoering van de GI is nodig om de komende periode benodigde hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in te zetten, te continueren, te waarborgen, en hun ontwikkeling verder te monitoren. De kinderrechter doelt hier onder andere op de voortgang van de behandeling van [minderjarige 2] bij [accommodatie] en de hulpverlening vanuit DGM in het kader van het perspectiefonderzoek, inclusief uitbreiding van de omgangsregeling. Hierbij moeten de belangen en behoeften van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorop staan. 7.12. De kinderrechter heeft er geen vertrouwen in dat het de ouders lukt om hetgeen noodzakelijk wordt geacht samen te regelen. De situatie van de ouders en de problematiek van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is daarvoor te complex. 7.13. Dit betekent dat aan de wettelijke vereisten is voldaan en de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zal verlengen voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 7 april 2027. De kinderrechter acht deze periode, gelet op de complexe problematiek passend. De ouders verzetten zich hiertegen niet. Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing 7.14. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. 7.15. De vader heeft de afgelopen periode positieve stappen gezet in het kader van de omgang en staat open voor alle benodigde hulpverlening. De kindeigen problematiek van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] maakt echter dat zij behoefte hebben aan bovengemiddelde opvoedvaardigheden die de vader hen (op dit moment) niet kan bieden. Van de moeder is gebleken dat zij zich, ondanks dat zij erg haar best doet, al geruime tijd in een onstabiele situatie bevindt. Het is lastig om tot afspraken met de moeder te komen, het lukt de moeder niet altijd om afspraken na te komen en haar woning is al enige tijd niet geschikt om mensen te ontvangen. De kinderrechter concludeert dan ook dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet per direct kunnen worden teruggeplaatst bij (een van) de ouders. [minderjarige 2] wordt nu goed begeleid door [accommodatie] , waar de juiste kennis en kunde in huis is en waar hem structuur en rust wordt geboden. Vanuit die rust kan gekeken worden naar adequate behandeling voor [minderjarige 2] . Zijn plaatsing aldaar dient dan ook te worden gecontinueerd, zodat hij vanuit de rust, kaders en veiligheid die hem worden geboden kan toekomen aan noodzakelijke behandeling en daarmee aan zijn verdere ontwikkeling. Er kan nog niets worden gezegd over een eventuele vervolgplek. 7.16.
Volledig
Hoewel de kinderrechter het zorgelijk acht dat er voor [minderjarige 1] geen duidelijkheid is over een vervolgplaatsing naar een ander pleeggezin en er überhaupt geen duidelijkheid is gegeven of [minderjarige 1] (al dan niet tijdelijk) kan meeverhuizen met zijn huidige pleeggezin, dient ook de plaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin te worden gewaarborgd waar hij kan profiteren van een pedagogisch verantwoord klimaat. De ouders zijn op dit moment niet in staat om [minderjarige 1] te bieden wat hij nu nodig heeft. [minderjarige 1] zoekt grenzen op en vertoont bij het ervaren van emoties zelfbepalend gedrag. De kindeigen problematiek van [minderjarige 1] vergt bovengemiddelde opvoedvaardigheden en de ouders kunnen daar niet aan voldoen. 7.17. Het voorgaande betekent dat aan de wettelijke criteria voor een machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter ziet wel aanleiding om het verzoek voor een beperkte duur toe te wijzen en een toetsmoment te gelasten. De kinderrechter volgt daarin hetgeen de advocaten van de ouders naar voren hebben gebracht. Onduidelijk is waar en wanneer [minderjarige 1] in een opvolgend pleeggezin wordt geplaatst, wat de resultaten zijn van het traject bij DGM en wat de resultaten zijn van de behandeling van [minderjarige 2] bij [accommodatie] . De kinderrechter wil hier zicht op houden. Duur van de machtiging en verdere voortgang 7.18. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , uitvoerbaar bij voorraad, verlengen voor de duur van negen maanden, zijnde met ingang van 7 april 2026 tot 7 januari 2027, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter acht een periode van negen maanden passend, om de hulpverlening de gelegenheid te gunnen om een zo optimaal en concreet mogelijk beeld over de (on)mogelijkheden van de ouders te geven en om een perspectiefbiedend pleeggezin voor [minderjarige 1] te vinden. Een verlenging van een periode van vier maanden, zoals namens de moeder is betoogd, acht de kinderrechter niet realistisch. Naar verwachting hebben hulpverlening en de GI langer de tijd nodig om tot resultaten te komen. 7.19. De kinderrechter verwacht uiterlijk op 5 november 2026 PRO FORMA van de advocaten van de ouders dat zij de kinderrechter informeren over hun verhinderdata voor de maand december 2026, zodat in die periode een zitting kan worden gepland om het resterende deel van het verzoek te bespreken. 7.20. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij haar uiterlijk twee weken vóór de nader te bepalen zitting in december 2026 schriftelijk, een en ander onder gelijktijdige verzending daarvan aan de advocaten van de ouders, onderbouwd met stukken informeert over: Hoe verloopt de ondertoezichtstelling? Welke hulpverlening is er sinds februari ingezet? Wat zijn de resultaten van het perspectiefonderzoek door DGM? Heeft er uitbereiding van de omgang plaatsgevonden? Zo ja, hoe gaat dat. Zo nee, waarom niet? 4. Wat zijn de resultaten van de hulpverlening voor [minderjarige 2] vanuit [accommodatie] ? 5. Wat is de huidige situatie van [minderjarige 1] ? Is hij in een perspectiefbiedend pleeggezin geplaatst of is hij meeverhuisd met zijn huidige pleeggezin? 6. Hoe verloopt de samenwerking tussen de GI en de ouders? 7. Zijn er andere belangrijke ontwikkelingen in deze zaak? 8. Wat is het standpunt van de GI over het resterende deel van de verzoeken? 7.21. De kinderrechter verwacht vervolgens van de advocaten van de ouders dat zij uiterlijk twee dagen vóór de te bepalen zitting in december 2026 schriftelijk reageren op de verslaglegging van de GI, zoals hiervoor in rechtsoverweging 7.20 is overwogen. 7.22. De kinderrechter zal zich inspannen om de zaak aan zich te houden. Ook zal de kinderrechter de Raad opnieuw oproepen om haar over het resterende deel van de verzoeken te adviseren. Perspectiefbesluit 7.23. Met de Raad en de GI maakt de kinderrechter zich grote zorgen over de onzekerheid die [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ervaren over hun toekomstperspectief. Met name [minderjarige 1] heeft veel last van het feit dat hij nog steeds niet weet waar hij zal mogen opgroeien. De Raad adviseert om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nu te laten weten dat hun toekomstperspectief niet meer bij (een van) de ouders ligt. Volgens de Raad zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gebaat bij deze ‘negatieve duidelijkheid’, namelijk: waar zullen zij niet opgroeien. 7.24. De kinderrechter maakt op dit moment een andere belangenafweging. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn in september 2023 met spoed uit huis geplaatst. Ze hebben toen te horen gekregen dat ze (tijdelijk) niet bij een van hun ouders konden wonen. Vervolgens hebben [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op verschillende plekken gewoond. Bij elke wisseling hebben ze te horen gekregen dat ze niet op de desbetreffende plek konden blijven. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben dus al bijna tweeëneenhalf jaar telkens de boodschap gekregen dat ze ergens niet konden wonen. [minderjarige 2] is recentelijk geplaatst op een behandelgroep van [accommodatie] , waar hij een goede start heeft gemaakt. Deze situatie is echter nog pril en of hij daadwerkelijk voor langere tijd op deze groep zal kunnen verblijven, is op dit moment nog onzeker. [minderjarige 1] woont al geruime tijd in een niet-perspectiefbiedend pleeggezin. Op dit moment is er nog geen zicht op een pleeggezin waar [minderjarige 1] wel langdurig kan verblijven. Wanneer het advies van de Raad gevolgd zou worden, dan zouden [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nu te horen krijgen dat ze niet meer terug zullen gaan naar (een van) de ouders. Dit zou wederom een boodschap zijn dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ergens niet mogen wonen terwijl ze geen duidelijkheid krijgen over waar ze dan wel mogen opgroeien. De kinderrechter vindt dat op dit moment niet in hun belang. 7.25. Daar komt bij dat de GI de komende tijd zal gaan inzetten op uitbreiding van de omgang. Dit zal hoe dan ook gebeuren: ofwel om te onderzoeken wat het maximaal haalbare is qua omgang (ingeval het perspectief op dit moment wordt bepaald als zijnde niet bij de ouders), ofwel om te onderzoeken hoe de interactie is tussen de jongens en de ouders (in het kader van het perspectieftraject bij DGM). De kinderrechter vraagt zich af wat het zal doen met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] als ze te horen krijgen dat ze niet meer terug gaan naar de ouders, terwijl de omgang wel wordt uitgebreid. Dit is naar het oordeel van de kinderrechter niet uit te leggen aan een kind en daarmee is het vaststellen van het perspectief op dit moment niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . 7.26. Tot slot heeft de kinderrechter gekeken naar het feit dat [minderjarige 2] op korte termijn zal starten met de 'Dit ben ik' module, waaraan ook de vader zal meewerken. Gelet op de nauwe band die [minderjarige 2] heeft met zijn vader, is dit erg belangrijk. Als het perspectief op dit moment wordt vastgesteld conform het advies van de Raad, dan zal dit begrijpelijkerwijs veel doen met de vader, waarbij er een reële kans bestaat dat hij als gevolg daarvan niet in staat zal zijn om met [minderjarige 2] de ‘Dit ben ik’ module te doorlopen. De kinderrechter vindt ook dit niet in het belang van [minderjarige 2] . 7.27. Dit alles maakt dat de kinderrechter de advocaten van de ouders volgt om nog geen beslissing te nemen over het perspectief van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Dit betekent dat het perspectiefonderzoek van DGM door moet gaan, inclusief de benodigde uitbreiding van de omgangsmomenten waarbij de behoeften en draagkracht van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] leidend moeten zijn. Ook moet de GI zich inspannen om een perspectiefbiedend pleeggezin voor [minderjarige 1] te vinden en moet de behandeling van [minderjarige 2] bij [accommodatie] doorlopen. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat er ten tijde van de volgende zitting voldoende stappen zijn gezet om te komen tot een zorgvuldig perspectiefbesluit en om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uiteindelijk de duidelijkheid te geven over waar zij verder mogen opgroeien. 7.28.