Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:1706
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,023 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1706 text/xml public 2026-03-24T09:06:36 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-17 BRE 24/4062 WIA Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1706 text/html public 2026-03-24T09:06:20 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1706 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-03-2026 / BRE 24/4062 WIA Weigering van een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeids-vermogen (WIA) RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats: Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/4062 WIA uitspraak van 17 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] B.V., te [plaats 2] , eiseres, gemachtigde: mr. drs. A. Jurg, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [belanghebbende] uit [plaats 1] (belanghebbende). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering om aan belanghebbende een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen. 1.1 Het UWV heeft met het besluit van 4 oktober 2023 (primair besluit) aan belanghebbende per 4 september 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend. Eiseres was de werkgever van belanghebbende en heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eiseres is van mening dat de beperkingen van belanghebbende duurzaam zijn en dat daarom een IVA-uitkering had moeten worden toegekend. 1.2. Met het bestreden besluit van 15 maart 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 1.3. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en [persoon] namens het UWV. Na de zitting heeft de rechtbank het UWV verzocht nadere medische informatie aan te leveren. Bij brief van 25 juni 2025 heeft het UWV die nadere medische informatie verstrekt. Gemachtigde van eiseres heeft hier bij brief van 18 september 2025 op gereageerd. De rechtbank heeft daarna met instemming van partijen het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. Belanghebbende is werkzaam geweest als medewerker kassa bij een [supermarkt] voor 24 uur per week. Voor dat werk is zij op 29 september 2021 uitgevallen vanwege een nasleep van een covid infectie. 2.1 Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat belanghebbende weliswaar volledig arbeidsongeschikt is, maar dat die arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is omdat verwacht mag worden dat in het eerste jaar verbetering van belanghebbende zal kunnen optreden. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. 3. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht geen duurzame beperkingen bij belanghebbende heeft aangenomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.1 De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Beroepsgronden 4. Het UWV en eiseres zijn het erover eens dat belanghebbende aan Long Covid leidt en dat dat leidt tot verminderde functionele mogelijkheden. Omdat er arbeidskundig onvoldoende voorbeelden van werk te vinden zijn die bij deze mogelijkheden passen, zijn ze het er ook over eens dat belanghebbende volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA. 4.1 Het UWV en eiseres verschillen van mening over de vraag of de vastgestelde beperkingen duurzaam zijn. Eiseres is van mening dat dit het geval is, terwijl het UWV van mening is dat verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten en dat de verwachting dat dit in het eerste jaar zal gebeuren, redelijk tot goed is. Die verwachting baseert het UWV op het standpunt dat met toepassing van de pacing-techniek kan worden voorkomen dat belanghebbende terugvalt in energieniveau. Er is nog niet gebleken dat de pacing-techniek bij belanghebbende is toegepast en door toepassing hiervan is het niet uitgesloten dat er een meer dan geringe kans is dat de belastbaarheid zal toenemen. 4.2 Eiseres voert aan dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat verwacht mag worden dat de belastbaarheid van belanghebbende zal verbeteren. Het UWV hanteert ten onrechte als criterium dat niet uitgesloten is dat er een meer dan geringe kans op herstel is. Ten tijde van de primaire beoordeling door het UWV waren er geen behandelmogelijkheden voor Long Covid bekend, zodat verbetering uitgesloten was. Voorts wijst eiseres er op dat als er al verbetering denkbaar was, er geen evidence-based behandeling van Long Covid is. Anders dan het UWV is eiseres van mening dat bij belanghebbende uitgebreid aandacht is geweest voor pacing en klachtencontigente benadering door zowel de fysiotherapeut, de ergotherapeut, POH-GGZ en de psycholoog. Die aandacht heeft onvoldoende resultaten opgeleverd. 4.3 In een reactie van het UWV van 21 maart 2025 geeft [verzekeringsarts b&b] aan dat de bedrijfsarts pacing voor belanghebbende heeft gehanteerd, maar dat niet is gebleken dat de ergotherapeut en de fysiotherapeut de pacingtechniek bij belanghebbende hebben toegepast. Als dat wel gebeurt, is meer dan geringe verbetering van de belastbaarheid te verwachten. 4.4 Eiseres heeft vervolgens met een rapportage van 9 april 2025 van [verzekeringsarts] het standpunt ingenomen dat de bedrijfsarts pacing heeft toegepast en dat gelet op de richtlijnen voor fysiotherapeuten en ergotherapeuten aangenomen moet worden dat ook zij pacing bij belanghebbende hebben toegepast. 4.5 Het UWV heeft gelet op dit standpunt van [verzekeringsarts] de fysiotherapeut om nadere informatie over de behandeling gevraagd. Uit die informatie blijkt wel dat de belasting van belanghebbende stapsgewijs is opgebouwd, maar het UWV stelt dat pacing meer is dan stapsgewijze opbouw. De techniek bestaat uit vijf stappen en er is niet gebleken dat die vijf stappen daadwerkelijk zijn toegepast. Daarbij is de fysiotherapie-behandeling gestopt voordat de behandeling volledig was afgerond. In de brief van 26 juni 2025 geeft het UWV aan dat er daarom geen aanleiding is om terug te komen op het standpunt. 4.6 In een reactie van 18 september 2025 geeft de verzekeringsarts van eiseres ten slotte aan dat uit de informatie van de fysiotherapeut blijkt dat hij weliswaar het woord pacing niet noemt, maar dat die techniek wel door hem wel is toegepast. Daarbij gaat de verzekeringsarts ervan uit dat de behandeling wel volledig is geweest omdat die behandeling ook kan eindigen als iemand voldoende in staat is om de geleerde vaardigheden zelf in stand te houden. De conclusie van deze verzekeringsarts is dan ook dat de fysiotherapeut in voldoende mate de pacingtechniek heeft toegepast. Het oordeel van de rechtbank 5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij belanghebbende nog verbetering mogelijk is en zo ja, op de vraag of de pacingtechniek in voldoende mate is toegepast. Bij die laatste vraag zijn eiseres en het UWV het er wel over eens dat de bedrijfsarts die techniek heeft toegepast om tot re-integratie van belanghebbende te komen, maar verschillen ze van mening over de vraag of de fysiotherapeut van belanghebbende die techniek (volledig) heeft toegepast. 5.1 Partijen beschrijven pacing als een behandeltechniek waarbij een patiënt gedoseerd steeds verder wordt belast en waarbij niet tijdgestuurd, maar klachtencontigent en onder begeleiding van een deskundige wordt gestuurd. Het gaat derhalve om doseren van de inspanningen aan de hand van door de patiënt aangegeven grenzen. Door die grenzen niet te overschrijden, wordt geleidelijk een steeds hogere belasting mogelijk. Eiseres en het UWV zijn van mening dat de bedrijfsarts, ook al voor het primaire besluit, deze techniek van doseren en begrenzen heeft toegepast, ook al wordt dat in de rapportage van de bedrijfsarts geen pacing genoemd.