Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:1681
Civiel recht
Rekestprocedure
3,875 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1681 text/xml public 2026-03-13T14:24:36 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-05 C/02/387281 / FA RK 21-3149 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1681 text/html public 2026-03-12T14:11:55 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1681 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-02-2026 / C/02/387281 / FA RK 21-3149 Afwijzen verzoek tot gezamenlijk gezag. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/387281 / FA RK 21-3149 datum uitspraak: 5 februari 2026 nadere beschikking (over gezag) in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. P.B.J. Dekker, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna: [minderjarige] . Als informant wordt aangemerkt: STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), locatie Tilburg. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. In het dossier zitten de volgende stukken: de beschikking van deze rechtbank van 4 september 2025 en de daarin vermelde stukken; de brief van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 november 2025. 1.2. Het verzoek is mondeling behandeld op 22 januari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man met zijn advocaat en de advocaat van de vrouw. Ook waren twee vertegenwoordigers aanwezig namens de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad. 1.3. De vrouw is, zonder voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen. De advocaat van de vrouw heeft medegedeeld dat de vrouw met [minderjarige] naar de Spoedeisende Hulp moest gaan en niet naar de rechtbank zal komen. De vrouw vindt het belangrijk dat mondelinge behandeling desondanks doorgaat. 1.4. Het door de man in deze zaak ingediende verzoek hangt nauw samen met het door de GI ingediende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in de zaak met kenmerk C/02/441734 / JE RK 25-1990 en het door de GI ingediende verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling in de zaak met kenmerk C/02/443921 / JE RK 26-55. Gelet op de nauwe samenhang zijn deze verzoeken op de zitting gelijktijdig mondeling behandeld. Op de verzoeken van de GI wordt bij afzonderlijke beschikkingen beslist. 2 De feiten 2.1. Uit de beschikking van 18 oktober 2021 in deze zaak blijkt dat tussen partijen onder meer het navolgende vaststaat: de man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad; uit deze relatie is [minderjarige] geboren; partijen hebben voorafgaand aan de geboorte van [minderjarige] de relatie beëindigd; de vrouw is belast met het gezag over [minderjarige] . 2.2. Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling staat verder het navolgende vast: [minderjarige] verblijft bij de vrouw; de man heeft [minderjarige] op 2 februari 2022 erkend; de rechtbank heeft hem daartoe vervangende toestemming verleend bij beschikking van 18 oktober 2021. 2.3. Bij beschikking van 4 september 2025 heeft de rechtbank beslist dat het verzoek van de man ten aanzien van de omgang wordt afgewezen. De rechtbank heeft in deze beschikking ook vermeld dat in het belang van [minderjarige] de regie over de invulling van de omgangsregeling wordt gegeven aan de GI, zoals op 4 september 2025 is beslist in de zaak met kenmerk C/02/434238 / JE RK 25-680. 2.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] bij beschikking van 26 juni 2024 onder toezicht van de GI gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna meerdere keren verlengd. Bij beschikking van 15 december 2025 is deze maatregel verlengd voor de periode van 26 december 2025 tot 26 februari 2026. De behandeling van het resterende gedeelte van het verzoek van vier maanden is aangehouden tot de zitting van 22 januari 2026. 3 Het resterende verzoek 3.1. Aan de orde is nog het verzoek van de man dat hij en de vrouw gezamenlijk zullen worden belast met het gezag over [minderjarige] . 4 De (nadere) standpunten 4.1. Door en namens de man is aangevoerd dat hij zijn verzoek tot verkrijging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] handhaaft. In het verleden heeft de Raad geadviseerd dat er eerst moest worden gewerkt aan het opbouwen van een omgangsregeling, voordat een beslissing kon worden genomen over het gezag. Uit de verslagen over de begeleide omgang blijkt dat de man een goede aansluiting heeft met [minderjarige] . Weliswaar heeft de man in het najaar van 2025 verzocht om de omgangsregeling op te schroeven omdat het erg langzaam gaat, maar hij heeft altijd de opbouw zoals die vanuit de hulpverlening wordt voorgesteld geaccepteerd. Er is nog steeds sprake van wantrouwen tussen partijen, maar daarvoor loopt het traject ‘Blijvend ouderschap’ bij [hulpverlening] . De risico’s die de GI ziet bij gezamenlijk gezag, ziet de man niet. Hij zou nooit iets tegenhouden waardoor [minderjarige] geen hulp kan krijgen en stemt altijd in met dat wat in het belang is van [minderjarige] . De man zou nooit iets doen waardoor [minderjarige] klem komt te zitten tussen zijn ouders. Bovendien staan omgang en gezag los van elkaar. Het is niet zo dat als er gezamenlijk gezag is, de man meer omgang kan opeisen, want daarvoor is het traject bij [hulpverlening] leidend. De man vindt het belangrijk om meer betrokken te zijn bij de gezagsbeslissingen over [minderjarige] en wil graag zijn rol als ouder kunnen pakken. 4.2. Namens de vrouw is aangevoerd dat het verzoek van de man tot verkrijging van het gezamenlijk gezag moet worden afgewezen. Er vindt bijna geen communicatie plaats tussen de man en de vrouw. Het traject ‘Blijvend ouderschap’ bij [hulpverlening] komt maar niet van de grond. Het laatste gesprek tussen partijen in dat kader vond plaats op 24 oktober 2025. De vrouw heeft er geen vertrouwen in dat de situatie zal verbeteren. De huidige begeleide omgang loopt al een jaar en kon in die periode met slechts 15 minuten worden uitgebreid. Doordat de man ervoor heeft gekozen om in het najaar van 2025 zes weken met vakantie te gaan, heeft de omgang stilgelegen. De omgang tussen [minderjarige] en de man verloopt daardoor nu moeizamer. Ook is het wantrouwen tussen partijen niet verbeterd, maar eerder slechter geworden. Er is door partijen geen enkele stap gezet waardoor de communicatie tussen hen als ouders is verbeterd. Op een gegeven moment is het klaar en moet er duidelijkheid komen. 4.3. De Raad adviseert tot afwijzing van het verzoek van de man om samen met de vrouw te worden belast met het gezag over [minderjarige] . Ondanks de inzet van hulpverlening door de GI, is het niet gelukt om een basis te vormen voor gezamenlijk gezag. Als ouders niet op één lijn staan, is het lastig om het benodigde vertrouwen in elkaar te hebben of te krijgen. Tussen de ouders bestaat geen basis om samen te kunnen beslissen. De Raad gelooft de man als hij zegt dat hij beslissingen over [minderjarige] niet zal dwarsbomen, maar samen beslissen is moeilijk als er geen samenwerking mogelijk is. De Raad ziet dit niet binnen afzienbare tijd veranderen, ook gelet op alle tijd die al verstreken is. 4.4. De GI acht het in de huidige levensfase en ontwikkelingsfase van [minderjarige] niet in zijn belang om het ouderlijke gezag ook aan de man toe te kennen. De GI is bezorgd dat [minderjarige] dan verder klem en verloren zal raken tussen zijn ouders. In het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] krijgen de ouders hulpverlening vanuit [hulpverlening] . [hulpverlening] begeleidt de contactmomenten tussen [minderjarige] en de man. Daarnaast loopt er bij [hulpverlening] een traject ‘Blijvend Ouderschap’. Om meerdere redenen hebben hierin weinig gesprekken plaatsgevonden. Tussen de man en de vrouw is nog steeds sprake van wederzijds wantrouwen en oud zeer.
Volledig
Beiden vinden het lastig om moeilijke zaken bespreekbaar te maken. De GI schat in dat als de ouders samen het gezag over [minderjarige] hebben, het hen niet zal lukken om samen invulling te geven aan het gezag en de zorgregeling. De man heeft namelijk een andere zienswijze over de opbouw van het contact met [minderjarige] . Er is tot nu toe weinig verandering geweest in de rol en de houding van de man. Dit maakt dat de ernstige twijfels van de GI over het toewijzen van het gezamenlijk gezag alleen maar verder zijn toegenomen. 5 Nadere beoordeling 5.1. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dit wetsartikel dat het verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.2. Uit de het dossier blijkt dat de man in juni 2021 onder meer een verzoek heeft ingediend om samen met de vrouw te worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Bij beschikking van 18 oktober 2021 hebben partijen van de rechtbank een verwijzing gekregen in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). In juni 2022 is het UHA-traject bij De Gezinsmanager gestart. Dit was gericht op ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding. Begin 2023 is het UHA-traject stopgezet bij gebrek aan draagvlak tussen partijen. In de eindrapportage UHA is te lezen dat beide ouders hun eigen perceptie hebben van de wijze waarop [minderjarige] moet worden opgevoed en dat dit bij ieder omgangsmoment leidde tot discussies en verwijten naar elkaar. [minderjarige] was daardoor regelmatig getuige van de onderlinge strijd tussen zijn ouders bij de overdracht in het kader van de omgang, met een loyaliteitsconflict en verwarring bij [minderjarige] tot gevolg. De begeleiding van de omgang tussen [minderjarige] en de man is ná het traject bij De Gezinsmanager opgepakt door mevrouw [persoon] . Zij was daar ook bij betrokken vóór dit traject. Begin november 2023 is de omgang tussen [minderjarige] en man helemaal stopgezet naar aanleiding van een incident. Op 4 januari 2024 hebben partijen nog een afspraak gehad bij mevrouw [persoon] , maar dat gesprek is door de man voortijdig beëindigd. Daarmee is de ouderschapsbemiddeling vanuit mevrouw [persoon] geëindigd. Bij beschikking van 26 juni 2024 is [minderjarige] op verzoek van de Raad onder toezicht gesteld. De Raad signaleerde dat [minderjarige] steeds verder klem dreigde te raken tussen zijn ouders. De ondertoezichtstelling had onder meer tot doel dat er weer professioneel begeleide omgang kwam en dat de ouders zouden gaan werken aan het forse onderlinge wantrouwen en hun samenwerking als ouders. Voor gezamenlijk gezag zag de Raad op dat moment geen ruimte. In het kader van de ondertoezichtstelling heeft de [hulpverlening] ingezet om de omgang te begeleiden, waarbij het tempo van [minderjarige] leidend moest zijn. Ook is [hulpverlening] ingezet voor een hulpverleningstraject ‘Blijvend ouderschap’ voor de ouders. 5.3. Op basis van de stukken in het dossier en wat op de zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat de begeleide omgang door [hulpverlening] op dit moment loopt, maar dat het hulpverleningstraject ‘Blijvend ouderschap’ niet van de grond is gekomen. Er hebben in dit traject slechts enkele gesprekken plaatsgevonden, onder meer omdat de man afspraken heeft afgezegd. De GI signaleert dat tussen de man en de vrouw nog steeds sprake is van wederzijds wantrouwen en oud zeer en dat beide ouders het lastig vinden om moeilijke zaken bespreekbaar te maken. De GI schat in dat het de ouders niet zal lukken om samen invulling te geven aan het gezag. Ook de Raad ziet geen basis voor gezamenlijk gezag. De ouders staan niet op één lijn en hebben niet het benodigde vertrouwen in elkaar. De Raad ziet dit niet binnen afzienbare tijd veranderen, ook gelet op alle tijd die al verstreken is. Ondanks de inzet van hulpverlening door de GI, is het niet gelukt om een basis te vormen voor gezamenlijk gezag. 5.4. Gelet op de situatie zoals die wordt geschetst door de GI en de Raad, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man moet worden afgewezen. De rechtbank begrijpt dat de man als vader graag wil worden betrokken bij de beslissingen over [minderjarige] . Om samen het gezag te kunnen hebben, is het echter nodig dat de ouders samen beslissingen kunnen nemen over de verzorging en opvoeding van hun kind. Dat moet op een manier die hun kind niet belast en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In de afgelopen jaren is voor partijen zowel in het kader van het UHA-traject als in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] hulpverlening ingezet, onder meer om te werken aan het onderlinge vertrouwen en de communicatie die nodig is voor gezamenlijk gezag. Dit heeft echter niet geleid tot het benodigde resultaat. Partijen communiceren nauwelijks en het onderlinge wantrouwen is alleen maar groter geworden. Ondanks alle hulpverlening is er nog steeds geen sprake van de minimale basis die nodig is voor gezamenlijk ouderschap en het ziet er niet naar uit dat dit binnen korte tijd zal verbeteren. 5.5. De rechtbank acht een minimale vorm van communicatie en enig wederzijds vertrouwen tussen de ouders een vereiste om gezamenlijk het gezag te kunnen uitoefenen. Omdat deze minimale basis ontbreekt, zal de rechtbank het verzoek tot gezamenlijk gezag afwijzen op de grond dat dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.6. De rechtbank wil benadrukken dat deze beslissing niet af doet aan het recht van [minderjarige] en de man op omgang met elkaar. De rechtbank vertrouwt er op dat de vrouw het contact tussen de man en [minderjarige] niet zal frustreren en zal blijven meewerken aan de hulp die daarvoor nodig is. Ook wordt de vrouw door deze beslissing niet ontslagen van haar plicht om de man over belangrijke aangelegenheden rondom [minderjarige] , waaronder te nemen gezagsbeslissingen, te informeren en te raadplegen, zoals is geregeld in artikel 1:377b lid 1 BW. Proceskosten 5.7. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en het geschil gaat over hun kind. De rechtbank zal daarom bepalen dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. wijst het verzoek af; 6.2. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.