Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-06
ECLI:NL:RBZWB:2026:1680
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,994 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1680 text/xml public 2026-03-19T12:16:57 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-06 C/02/422215 / FA RK 24-2161 en C/02/427503 / FA RK 24-4765 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1680 text/html public 2026-03-19T12:16:19 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1680 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-02-2026 / C/02/422215 / FA RK 24-2161 en C/02/427503 / FA RK 24-4765 Nadere bs echtscheiding. Na onderzoek Raad wijziging van gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag. Geen uitbreiding van contacten tussen man en minderjarigen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummers: C/02/422215 / FA RK 24-2161 en C/02/427503 / FA RK 24-4765 6 februari 2026 Nadere beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. S. Klootwijk, en [de man] , volgens de basisregistratie personen wonende te [woonplaats] , feitelijk verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [locatie] , hierna te noemen de man, advocaat mr. J.E. Kötter. 1. Het verdere procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - de beschikking van 19 maart 2025 en alle daarin vermelde stukken; - de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 27 augustus 2025, met als bijlage het rapport van 26 augustus 2025; - de brief van mr. Kötter van 12 september 2025; - het F9-formulier van mr. Klootwijk van 12 september 2025; - de brief van de griffier van 25 september 2025 aan beide advocaten; - de brief van mr. Kötter van 1 oktober 2025; - het F9-formulier van mr. Klootwijk van 3 oktober 2025. 1.2. In voormelde beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen gelast. Verder is bepaald dat de vrouw de man eenmaal in de twee weken informatie over de kinderen doet toekomen, waarbij een foto van de kinderen wordt toegevoegd. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen en het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud zijn afgewezen. Daarnaast is de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (hierna de Raad), verzocht om een onderzoek in te stellen en is de beslissing voor het overige aangehouden. 1.3. Nadat beide partijen (schriftelijk) een reactie hebben gegeven op het hiervoor genoemde rapport van de Raad, is een nadere mondelinge behandeling bepaald. Deze behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. 2 De verzoeken 2.1. De verzoeken van partijen zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.1. en 3.2. van de beschikking van 19 maart 2025. Van die verzoeken liggen nu nog de volgende verzoeken ter beoordeling voor. 2.2. Het verzoek van de vrouw tot, samengevat: - bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de minderjarigen toekomt; - bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar; - bepaling dat geen omgang plaatsvindt tussen de man en de minderjarigen binnen de PI. 2.3. Het verzoek van de man tot, samengevat: - bepaling dat hij, voor zover mogelijk is binnen de PI, één keer in de week omgang heeft met de minderjarigen. 3 De beoordeling 3.1. In de beschikking van 19 maart 2025 is de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter bewoording van de vraag of, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018, klem of verloren zullen raken tussen de ouders. 3.2. Op 26 augustus 2025 heeft de Raad een rapport uitgebracht. In dit rapport heeft de Raad, kort samengevat, geadviseerd dat het niet in het belang van de kinderen is om het gezamenlijk gezag in stand te laten. Dit omdat vader volgens de Raad sinds zijn veroordeling in 2018 nauwelijks structureel onderdeel is geweest van het gezin, waardoor hij weinig zicht heeft op de behoeftes van de kinderen. Ook is er, gelet op de gevangenisstraf en Tbs-behandeling van vader geen zicht op wanneer hij vrijkomt. Daarnaast wordt de uitoefening van het gezamenlijk gezag volgens de Raad bemoeilijkt omdat er al enige tijd geen constructieve communicatie is tussen beide ouders. Volgens de Raad is het de vraag in hoeverre vader, gelet op zijn ziektebeeld, in staat is om aan te sluiten bij wat de kinderen nodig hebben. Verder diskwalificeert vader volgens de Raad moeder in haar rol als moeder en in de opvoeding van de kinderen. Ook steunt vader moeder niet, beschuldigt hij moeder en geeft hij haar geen erkenning. 3.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat het rapport van de Raad in zijn ogen zeer eenzijdig is, omdat alleen maar naar het verhaal van de vrouw is geluisterd. Volgens de man heeft de Raad niet geluisterd naar de mening van de kinderen en is ook geen rekening gehouden met de belangen van de kinderen. Ook is, aldus de man, niet geluisterd naar de positieve aspecten in de toelichting van zijn behandelaar. De kinderen praten graag met de man en zij hebben ook meerdere keren aangegeven dat zij de man willen zien. Verder is volgens de man inmiddels sprake van een hele andere situatie dan in mei 2025, toen de Raad in het kader van het opstellen van het rapport contact met hem had. Dit omdat de man door middel van therapie al enige tijd hard aan zichzelf werkt en hij bezig is om zichzelf te verbeteren. Anders dan door de Raad in het rapport is aangegeven, is de man inmiddels juist heel goed in staat om op zichzelf te reflecteren. Ook is voor de man niet duidelijk waarom de Raad aangeeft dat er geen mogelijkheden zijn voor contact tussen de beide ouders. De man is bereid om regelmatig contact te hebben met de vrouw, maar het is juist de vrouw die dit contact afhoudt. Verder betwist de man dat hij niet op de hoogte is van wat er in het leven van de kinderen speelt. Aan de hand van een voorbeeld heeft de man tijdens de zitting uitgelegd dat de kinderen juist veel vertrouwen in hem hebben. Ten slotte betwist de man dat hij de vrouw diskwalificeert. De man accepteert de rol van moeder en vindt juist dat zij het op een aantal onderdelen ook goed doet. De man werkt voorts mee aan alle noodzakelijke beslissingen ten behoeve van de kinderen. Het contactmoment met de kinderen moet volgens de man worden uitgebreid, in die zin dat de kinderen hem een keer in de week in de PI moeten kunnen komen bezoeken. 3.4. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de afgelopen 8 tot 9 jaar heel zwaar voor haar zijn geweest. Zo heeft de vrouw bijvoorbeeld, als gevolg van de detentie van de man, de hele periode rondom de zwangerschap en bevalling van [minderjarige 2] alleen door moeten maken. Verder vindt de vrouw het heel erg voor [minderjarige 1] dat zij door haar vader is misbruikt en dat zij dit haar hele leven met zich mee zal moeten dragen. De man heeft nooit aan de vrouw laten zien dat hij spijt heeft. Ook nadat de man in 2023 opnieuw thuis door de politie is opgepakt, zijn er vanuit de man nooit excuses gekomen en heeft hij ook nooit informatie met de vrouw gedeeld. De vrouw heeft, als gevolg van alles wat er in de afgelopen jaren is voorgevallen, geen vertrouwen meer in de man. Ook gelooft de vrouw niet dat de man beter kan worden. De vrouw vindt het heel belangrijk dat de kinderen contact hebben met hun vader. Volgens de vrouw verlopen de huidige telefonische contacten goed en kunnen deze contactmomenten worden voortgezet. De vrouw ziet geen ruimte voor uitbreiding van de huidige contactmomenten en ook kunnen deze contacten niet zonder begeleiding vanuit het CJG plaatsvinden. 3.5. De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de Raad uitvoerig onderzoek heeft gedaan.
Volledig
In het kader van dat onderzoek heeft de Raad een aantal zaken gewogen en dit heeft uiteindelijk geleid tot de conclusies zoals die in het rapport zijn opgenomen. De Raad ziet geen aanleiding om zich zorgen te maken over de opvoedsituatie bij moeder, omdat moeder zich positief opstelt en in staat is om alleen twee kinderen op te voeden. Gelet op de detentie en Tbs-behandeling van vader kunnen de kinderen in opvoedkundige zin de komende jaren niets van vader verwachten. De Raad vindt de huidige situatie zeer precair en er moet voor de kinderen goede hulpverlening ingezet gaan worden. Het hulpverleningstraject moet heel omzichtig aangepakt worden en er moet onderzocht worden of en op welke manier aan de kinderen mogelijk uitleg gegeven kan gaan worden over hun levensverhaal. De Raad heeft begrip voor de emotionele blokkades bij moeder om in dit geval met vader te gaan overleggen over bijvoorbeeld de hulpverlening voor [minderjarige 1] . Van moeder kan niet verwacht worden dat zij met vader gaat overleggen, omdat hij juist [minderjarige 1] heel erg heeft geschaad. Ten slotte maakt de Raad zich ernstig zorgen over het feit dat beide kinderen heel weinig vragen stellen over wat er precies is gebeurd. De Raad vindt het in het belang van de kinderen dat zij wekelijks begeleide, telefonische, contactmomenten met hun vader blijven houden. De Raad ziet echter geen aanleiding om deze contactmomenten anders vorm te geven of te intensiveren. 3.6. Met betrekking tot de stelling van de man, dat ter zake het raadsrapport sprake is van een eenzijdig verslag, wordt als volgt overwogen. In het rapport zijn uitgebreide verslagen opgenomen van de gesprekken die de raadsonderzoekers hebben gevoerd met de man, de vrouw en met beide kinderen. Ook blijkt dat de Raad het CJG, de basisschool De Griffioen en de behandelaar van vader als informanten bij het onderzoek heeft betrokken. De verslagen van alle gesprekken zijn door de Raad in het rapport opgenomen. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen – zoals de man stelt – dat de Raad bij het opstellen van het definitieve rapport meer rekening heeft gehouden met het standpunt van de vrouw dan met het standpunt van de man. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien om de Raad te verzoeken een nader onderzoek te doen. Bij de beslissing hierna wordt uitgegaan van de stukken zoals die nu in het dossier aanwezig zijn. 3.7. In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) is opgenomen dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank bepaalt dan aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige kinderen toekomt. Op grond van artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. In dit laatste artikel is bepaald dat de rechter kan bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. 3.8. Door de man is aangevoerd dat het gezamenlijk gezag in stand kan blijven, omdat hij overal aan meewerkt. Om daadwerkelijk invulling te kunnen geven aan het ouderlijk gezag is naar het oordeel van de rechtbank meer nodig dan alleen medewerking verlenen. Noodzakelijk is dat een gezaghebbende ouder betrokken is in het leven van de kinderen, bekend is met de ontwikkeling van de kinderen en ook weet wat er in de kinderen omgaat en weet wat zich in het dagelijkse leven van de kinderen afspeelt. Deze situatie doet zich hier niet voor, omdat de man al ruim drie jaar niet fysiek betrokken is geweest in het leven van de kinderen. Ook in de jaren voorafgaand aan zijn detentie in 2024 is de man langere tijd niet in het gezin aanwezig geweest. Tijdens het wekelijkse, telefonische, contactmoment hoort de man weliswaar van de kinderen wat er op dat moment in hen omgaat, maar dit telefoongesprek met de kinderen is onvoldoende om volledig op de hoogte te kunnen zijn van alle ontwikkelingen van de kinderen. Daarvoor is nodig dat de man met de vrouw in gesprek gaat. Tussen de beide ouders vindt echter geen enkele communicatie plaats, omdat de onderlinge verstandhouding tussen hen ernstig is verstoord. De communicatie over, bijvoorbeeld, toestemming van de man voor een vakantie van de vrouw met de kinderen naar Turkije, verloopt via de advocaten van partijen. Gelet op de detentie van de man en zijn Tbs-behandeling is niet te verwachten dat de communicatie tussen partijen op korte termijn zal worden hersteld. In verband met het misbruik door de man van [minderjarige 1] en het misbruik door de man van een ander meisje dat toen de leeftijd had van [minderjarige 1] nu, kan van de vrouw - althans voor dit moment - ook niet worden verwacht dat zij op intensieve wijze met de man communiceert. Op het moment van deze beschikking is nog niet voorzienbaar op welke termijn de Tbs-behandeling van de man afgerond zal zijn. 3.9. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op het voorgaande, in het belang is van de minderjarigen om alleen de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag. Het verzoek van de vrouw, om te bepalen dat voortaan alleen aan haar het gezag over de minderjarigen toekomt, zal dan ook worden toegewezen. Gelet hierop behoeft het verzoek van de vrouw, om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen, geen beoordeling en dit verzoek zal worden afgewezen. 3.10. Vast staat dat de kinderen op het moment van de mondelinge behandeling een keer per week op donderdagmiddag telefonisch contact hebben met hun vader, onder begeleiding van een medewerker van het CJG. Op het moment van de mondelinge behandeling weten de kinderen, maar in ieder geval [minderjarige 2] , nog niet dat hun vader gedetineerd is. Ook weten de kinderen (nog) niet wat zich in het verleden in hun leven heeft afgespeeld. Vast staat dat [minderjarige 1] in het verleden door haar vader is misbruikt. Zoals door de Raad is aangegeven is daardoor een zeer precaire situatie ontstaan en is de inzet van gespecialiseerde hulpverlening noodzakelijk. Van belang is dat door middel van de inzet van deze hulpverlening onderzocht gaat worden of, en zo ja op welke wijze, beide kinderen geïnformeerd kunnen gaan worden over alles wat zich in hun leven heeft afgespeeld. De rechtbank volgt de Raad in het advies dat daarbij de belangen van de kinderen leidend moeten zijn. Hierbij past naar het oordeel van de rechtbank niet dat de kinderen een keer per week bij hun vader in de PI op bezoek gaan. Ook acht de rechtbank het op dit moment niet in het belang van de kinderen om de frequentie van de huidige contactmomenten uit te breiden. Het verzoek van de man moet dan ook worden afgewezen. 3.11. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat tussen partijen niet in geschil is dat de huidige contactmomenten tussen de man en de kinderen moeten worden voortgezet. Dit betekent dat er een keer per week op donderdagmiddag telefonisch contact tussen de man en de kinderen plaats zal vinden, onder begeleiding van een medewerker van het CJG. 4 De beslissing De rechtbank bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarigen: 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018, voortaan aan de vrouw alleen toekomt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, en, in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.