Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:1655
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
6,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1655 text/xml public 2026-03-13T14:07:09 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-04 C/02/428132 / FA RK 24-5025 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1655 text/html public 2026-03-12T10:39:21 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1655 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-02-2026 / C/02/428132 / FA RK 24-5025 beschikking over erkenning, gezag en omgang RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/428132 / FA RK 24-5025 datum uitspraak: 4 februari 2026 beschikking over erkenning, gezag en omgang in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. M. Janse in Halsteren, gemeente Bergen op Zoom en [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal. Als belanghebbende in deze zaak ten aanzien van de afstammingsverzoeken wordt aangemerkt: - de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2019 te [geboorteplaats 1] , vertegenwoordigd door mr. D. Marcus in haar hoedanigheid van bijzondere curator; Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt ten aanzien van de verzoeken met uitzondering van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning: - [de juridische vader] , de juridische vader van [minderjarige] , wonende te [woonplaats] . 1. Het verdere procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - de beschikking van deze rechtbank van 22 april 2025 en alle daarin vermelde stukken; - de op 8 september 2025 ontvangen rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad); - de brief van mr. Marcus van 1 oktober 2025; - de brief van mr. Albicher van 6 oktober 2025; - de brief van mr. Janse van 7 oktober 2025; - de brief van mr. Janse van 30 december 2025. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 15 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat en de juridische vader. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en de bijzondere curator. 2 De nadere beoordeling 2.1. Bij voormelde beschikking zijn de hierna in 2.2. vermelde verzoeken aangehouden in afwachting van de rapportage van de Raad. 2.2. Aan de rechtbank liggen nog de volgende verzoeken voor: Verzoek van de man I. de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen; II. te bevelen dat de aantekening betreffende het ouderlijk gezag van de juridische vader wordt doorgehaald; III. te bepalen dat de man, samen met de vrouw, mede wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ; IV. een (definitieve) zorg- en contactregeling/omgangsregeling vast te stellen inhoudende dat [minderjarige] de ene week bij de man verblijft en de andere week bij de vrouw, alsook dat [minderjarige] gedurende de helft van alle (school)vakanties en (nationale) feestdagen bij de man verblijft. Verzoek van de bijzondere curator De bijzondere curator verzoekt namens [minderjarige] de erkenning door de juridische vader te vernietigen. Verzoek van de vrouw De vrouw verzoekt als zelfstandig verzoek bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het recht op omgang aan de man te ontzeggen, althans te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende een dagdeel per week, telkens van 13.15 uur tot 17.15 uur als regeling die subsidiair het meest passend zou zijn, althans meer subsidiair een beslissing die de rechtbank juist acht. De feiten 2.3. Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast: - De vrouw is op 28 juli 2019 te [geboorteplaats 1] bevallen van [minderjarige] . - Op 5 juli 2019 heeft de juridische vader de ongeboren vrucht waarvan de vrouw zwanger was erkend. - Op de geboorteakte van [minderjarige] staat de juridische vader als vader genoemd. - Op 13 augustus 2019 heeft de griffier van deze rechtbank op verzoek van de vrouw en de juridische vader aantekening gemaakt in het gezagsregister van gezamenlijk gezag. - De man is de biologische vader van [minderjarige] . - De man, de vrouw, [minderjarige] en de juridische vader hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij hebben tevens allen hun gewone verblijfplaats in Nederland. 2.4. In het kader van een voorlopige voorzieningen (artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv.) heeft de rechtbank bij beschikking van 10 januari 2025 bepaald dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende een dagdeel per week, telkens van 13.00 uur tot 17.00 uur. De rapportage van de Raad 2.5. Uit de rapportage van de Raad blijkt, kort samengevat, dat de Raad het belangrijk vindt dat [minderjarige] een duidelijk en eerlijk beeld krijgt hoe haar leven tot nu toe is verlopen. Een belangrijk onderdeel hiervan is dat [minderjarige] concreet geïnformeerd wordt over haar afstamming. Het lukt de vrouw, de man en de juridische vader niet in gezamenlijkheid hier een uitleg over te geven. De Raad adviseert een hulpverlener – een neutrale derde – deze rol op zich te nemen, een en ander in afstemming en samenwerking met alle betrokkenen. Er dient een eenduidig verhaal te ontstaan dat gedragen wordt door alle betrokkenen. De hulpverlening kan een rol hebben ten aanzien van een constructieve communicatie alsook ten aanzien van psycho-educatie over [minderjarige] en haar belevingswereld. 2.6. De Raad adviseert verder de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader te vernietigen. De vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] door de man, de biologische vader, kan dan worden toegewezen. De feitelijke situatie dient in overeenstemming te worden gebracht met de juridische situatie. De Raad benadrukt daarbij dat de heer [de juridische vader] een plek heeft in het leven van [minderjarige] . Hij speelt in haar leven een belangrijke rol. De Raad schat verder in dat bij erkenning van [minderjarige] door haar biologische vader dat de vrouw niet dusdanig uit balans zal raken dat zij de zorg voor [minderjarige] in mindere mate kan dragen. 2.7. Indien de vernietiging van de erkenning wordt toegewezen, wordt dat geacht nimmer gevolg te hebben gehad. De aantekening in het gezagsregister van de heer [de juridische vader] , de juridische ouder, dient dan ook te vervallen. Dit betekent dat de vrouw vanaf dat moment van rechtswege eenhoofdig gezag heeft. De man, de biologische ouder, heeft een verzoek tot gezamenlijk gezag ingediend. In het belang van [minderjarige] adviseert de Raad om het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag af te wijzen. De vrouw en de man kennen namelijk een turbulent verleden met elkaar en er heerst een spanningsvolle dynamiek tussen beiden, waarin wantrouwen op de voorgrond staat. Het belang van [minderjarige] wordt ondergesneeuwd door een gebrek aan onderlinge afstemming en samenwerking. Een constructieve samenwerking tussen de vrouw en de man ten aanzien van het uitvoeren van het gezamenlijk gezag behoort niet tot de mogelijkheden. De Raad heeft er ook onvoldoende vertrouwen in dat dit binnen een aanvaardbare termijn zal veranderen. De Raad acht het risico te groot dat [minderjarige] klem en verloren raakt tussen de man en de vrouw. De Raad kan zich voorstellen dat de vrouw wel degelijk uit balans kan raken wanneer zij op actieve wijze met de man dient samen te werken en voorziet zelfs problemen in het regelen van zaken die belangrijk zijn voor [minderjarige] . Te meer gelet op de persoonlijke problematiek van de vrouw, waarin zij in hoge mate gevoelig is voor stressfactoren en angsten. De Raad benadrukt met klem dat zij van mening is dat het helpend is voor de vrouw, de man en de juridische ouder wanneer (in beginsel) ten aanzien van de oudercommunicatie hier hulpverlening bij betrokken zal raken. De man staat hiervoor open, de vrouw en de juridische vader echter niet. De Raad acht het echter in het belang van [minderjarige] dat de verantwoordelijke volwassenen om haar heen beter leren samenwerken en communiceren in het belang van [minderjarige] .
Volledig
Een vorm van professionele hulp is daarbij nodig. 2.8. Voorts adviseert de Raad om de geldende voorlopige omgangsregeling te wijzigen naar een voorlopige regeling waarbij [minderjarige] eens per twee weken op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang heeft met de man. Er zijn tijdens het omgangsmoment geen feitelijke, objectief vast te stellen, contra-indicaties naar voren gekomen ten aanzien van een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man. De omgangsregeling acht de Raad in het belang van [minderjarige] omdat [minderjarige] zelf aangegeven heeft de voorkeur te hebben om op zondagen omgang te hebben in plaats van op vrijdagen. De man is hiermee akkoord. De vrouw en de juridische vader vinden deze regeling niet passend, omdat zij vinden dat er rust moet zijn voor [minderjarige] op zondag. De Raad hoopt echter dat [minderjarige] meer rust zal ervaren wanneer de regeling wordt aangepast van een wekelijkse naar een tweewekelijkse regeling. [minderjarige] laat spanning zien voor en na de omgangsmomenten. Iets wat voorstelbaar is, gezien het vermoeden dat [minderjarige] reeds last heeft van loyaliteitsproblemen. Hierover dient nog meer duidelijkheid te komen. Er zal een hulpverleningstraject voor [minderjarige] van start gaan ( [hulpverlening] ), gericht op kinderen die opgroeien met veel spanning en stress, met als doel om het risico op psychische problemen bij deze kinderen te verkleinen. Deze hulp gaat naar verwachting een beter beeld schetsen van [minderjarige] en haar belevingswereld. De Raad vindt het mede daarom belangrijk dat de definitieve omgangsregeling wordt aangehouden voor de duur van zes maanden zodat er over meerdere zaken meer duidelijkheid komt en dan kan ook meegenomen worden hoe [minderjarige] reageert op de geadviseerde omgangsregeling. De Raad vindt het passend dat de vrouw en de man na een periode van zes maanden via hun advocaat aan de rechtbank (en aan de Raad) hun standpunt indienen ten aanzien van de definitieve omgangsregeling. Reacties op het raadsrapport 2.9. De bijzondere curator heeft, kort samengevat, aangegeven dat zij de conclusies uit het raadsrapport onderschrijft. 2.10. Namens de vrouw is op 6 oktober 2025 aan de rechtbank bericht dat zij akkoord is met het advies van de Raad voor wat betreft het vernietigen van de erkenning van de heer [de juridische vader] , de juridische vader, en het toewijzen van het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen [minderjarige] te erkennen. Ook voor wat betreft het advies van de Raad inzake het eenhoofdig gezag van de vrouw en de voorgestelde voorlopige omgangsregeling gaat de vrouw akkoord. Wat de vrouw betreft kunnen de adviezen van de Raad gevolgd worden en de zaak voor de duur van zes maanden aangehouden worden voor het vaststellen van een definitieve omgangsregeling. 2.11. Namens de man is op 7 oktober 2025 aan de rechtbank bericht dat hij geschrokken is van de standpunten die de vrouw en de juridische ouder hebben ingenomen bij de Raad. De man is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij een vaderrol kan vervullen voor haar. De man hecht er waarde aan te benoemen dat hij begrijpt dat de juridische ouder een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] speelt en hij vindt ook dat dit zo moet blijven. De man vindt wel belangrijk dat [minderjarige] eenduidige en duidelijke statusvoorlichting krijgt die recht doet aan de biologische situatie. De man is het verder eens met het advies van de Raad inzake de erkenning. Voor wat betreft de omgangsregeling geeft de Raad geen advies waar naartoe gewerkt zou moeten worden. Met het wijzigen van de vrijdag naar de zondag heeft de man geen problemen. Maar gelet op het raadsrapport komt het erop neer dat de man het gat kan vullen op de zondagen dat [minderjarige] geen programma heeft bij de vrouw en de juridische ouder. Dit miskent volgens de man volledig zijn positie in het leven van [minderjarige] . Tijdens de zitting van de voorlopige voorzieningen heeft de Raad aangegeven dat de man een hechtingsrelatie heeft met [minderjarige] . Om die hechtingsrelatie te kunnen onderhouden, verder te bestendigen en verder uit te bouwen is zelfs een regeling waarbij [minderjarige] de man maar eenmaal per week een middag ziet veel te weinig. De man is van mening dat een veel uitgebreidere omgangsregeling in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] geeft bij de man aan dat zij bij hem wil overnachten. Er ontbreekt ook ieder advies welke definitieve omgangsregeling in het belang van [minderjarige] zou zijn alsmede een verdeling van de vakanties en feestdagen. Er is hulpverlening nodig om met alle betrokkenen tot een werkbare omgangsregeling te komen. De man ziet niet in hoe dat moet lukken nu de vrouw en de juridische ouder niet mee willen werken hieraan. Voor wat betreft de omgangsregeling is de man het dan ook niet eens met het advies van de Raad. De man vindt het advies van de Raad om geen gezag aan hem toe te kennen ook kort door de bocht. De man begrijpt heel goed dat er een basis van overlegvoering dient te zijn, maar nu de vrouw dit niet wil ziet de man niet hoe hij dit zou moeten realiseren. De man zou dan sowieso geen gezag kunnen krijgen; hij is het hier niet mee eens. Dit punt alsmede de omgangsregeling zal in de procedure aangehouden moeten worden in afwachting van een hulpverleningstraject. Indien de vrouw blijft weigeren hieraan mee te werken kan de Raad een beschermingsonderzoek naar een ondertoezichtstelling doen. [minderjarige] heeft er namelijk recht op dat de belangrijke personen in haar leven leren om goed met elkaar te communiceren zodat zij zorgvrij verder kan opgroeien. De conclusies van de Raad komen erop neer dat de man geen tot maar een zeer beperkte rol in het leven van [minderjarige] in kan gaan nemen. 2.12. In zijn brief van 30 december 2025 heeft de man de rechtbank bericht dat er nu sprake is van gewijzigde omstandigheden en het nodig is dat de voorlopige omgangsregeling wordt gewijzigd. Sinds medio eind oktober 2025 heeft de man weer aanzienlijk meer contact met de vrouw en [minderjarige] . De vrouw heeft sinds begin december 2025 ook meerdere (lange) weekenden met [minderjarige] bij de man verbleven. [minderjarige] is er hierdoor sinds eind oktober 2025 aan gewend geraakt dat zij de man weer regelmatig ziet en ook bij hem (nachten achter elkaar) slaapt. De man ervaart ook dat het contact tussen hem en de vrouw aanzienlijk is verbeterd. De communicatie verloopt rustig, respectvol en zonder verwijten. Zij proberen elkaar daar waar mogelijk te ondersteunen in de opvoeding van [minderjarige] . Indien er geen einduitspraak zal worden afgegeven, verzoekt de man de voorlopige omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] te wijzigen en te bepalen dat als voorlopige omgangsregeling gaat gelden: iedere week van vrijdagmiddag 13.15 uur tot zaterdagochtend 11.00 uur. 2.13. Tijdens de zitting heeft de juridische vader toegelicht dat hij ernstige zorgen heeft over [minderjarige] nu de biologische vader (de man) en de vrouw weer vaker contact hebben met elkaar. De vrouw is destijds terug gegaan naar de juridische vader omdat de sociale omgeving van de man niet goed voor haar is. Zij valt dan terug in haar middelengebruik. De man faciliteert de vrouw zelfs in haar middelengebruik. Vanaf september 2025 is het elk weekend raak met de vrouw en kan zij nadien twee of drie dagen haar taak als moeder niet uitvoeren. Ze heeft een terugval. Indien het gezag van de juridische vader ontnomen wordt, dan is [minderjarige] met de vrouw en de man aan de goden overgeleverd. De vrouw verkeert in een gevaarlijke situatie, waarbij [minderjarige] aanwezig is. De vrouw en de man handelen niet in het belang van [minderjarige] . Indien de juridische vader het gezag verliest, dan dienen de Raad of Veilig Thuis hun verantwoordelijkheid te nemen. 2.14. De vrouw heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij sinds 5 januari 2026 met [minderjarige] bij haar vader woont. Dit is een vertrouwde omgeving voor [minderjarige] . Er is een goed contact tussen de vrouw en de biologische vader.
Volledig
[minderjarige] heeft in de afgelopen periode meer contact gehad met haar biologische vader en dat contact verloopt goed. De vrouw en de man hebben volgens de vrouw geen relatie. De vrouw krijgt verder op zeer korte termijn hulp van Novadic Kentron. Op zeer korte termijn gaat ook de hulpverlening voor [minderjarige] van start ( [hulpverlening] ). De juridische vader zette de moeder onder druk en heeft daar [minderjarige] voor ingezet. Hij wilde [minderjarige] uit huis laten plaatsen. Hij manipuleert continue. 3 De nadere beoordeling Vernietiging erkenning 3.1. Op grond van artikel 1:205, eerste lid, BW kan een verzoek tot vernietiging van een erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader is van het kind, worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens de meerderjarigheid heeft plaatsgevonden. Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt het verzoek door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden worden ingediend. 3.2. Het verzoek van de bijzondere curator namens [minderjarige] is aldus tijdig ingediend. 3.3. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat haar juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De vrouw heeft ook ingestemd met de vernietiging van de erkenning van de juridische vader. De rechtbank zal het verzoek tot vernietiging van de erkenning daarom toewijzen. 3.4. Artikel 1:206, eerste lid, BW bepaalt dat nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, de erkenning door de juridische vader wordt geacht nimmer gevolg te hebben gehad. Dit betekent dat alleen de moeder op de geboorteakte als ouder zal staan vermeld. De vrouw heeft vanaf dat moment van rechtswege eenhoofdig het ouderlijk gezag over [minderjarige] Vervangende toestemming erkenning 3.5. Op grond van artikel 1:204, derde lid, BW kan, voor zover hier van belang, de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind. 3.6. Niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige] . De vrouw kan ermee instemmen dat aan de man vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] wordt verleend. Daarbij is de rechtbank niet gebleken dat een erkenning de belangen van de vrouw of de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden. 3.7. De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] dan ook toewijzen. De man moet [minderjarige] dan nog wel met deze beschikking bij de gemeente erkennen. Hij kan dit doen nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. 3.8. De rechtbank is verder van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. Gezamenlijk gezag en contactregeling 3.9. De rechtbank heeft ter zitting geconstateerd dat er wederom enorm veel ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, wat maakt dat er nu wederom andere uitgangspunten liggen. De rechtbank is met de bijzondere curator en de Raad van mening dat deze wisselingen zorgelijk zijn voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Dit is ter zitting ook uitgebreid besproken met de aanwezigen. Van belang is dat de vrouw voor zichzelf hulpverlening gaat krijgen en gaat werken aan haar verslaving, psychische toestand, weerbaarheid, zelfrespect en eigenwaarde. Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de vrouw leert haar eigen keuzes te maken en zich daarbij niet laat beïnvloeden door anderen. De vrouw moet op eigen benen gaan staan. [minderjarige] heeft recht op een sterke, weerbare moeder die zichzelf onder controle heeft en kan houden en beslissingen kan nemen die in haar belang zijn. De vrouw moet leren geheel zelfstandig de opvoeding voor [minderjarige] op haar te nemen alsmede beslissingen te nemen die in haar belang zijn. Voor [minderjarige] start op zeer korte termijn eveneens hulpverlening. Indien de vrouw haar verantwoordelijkheid hierin niet neemt of geen hulpverlening meer aanvaardt, dan ligt er mogelijk een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] op de loer hetgeen kan leiden tot hulpverlening in een gedwongen kader (ondertoezichtstelling). In dat kader is ter zitting eveneens besproken dat de vrouw rust moet gaan creëren voor [minderjarige] en dat beide vaders meer afstand moeten nemen van de vrouw, zodat de vrouw de ruimte krijgt om alles op orde te krijgen. De biologische vader heeft toegezegd dat hij meer afstand zal bewaren. De juridische vader wil afstand nemen mits de hulpverlening toezicht houdt. Nu er op zeer korte termijn hulpverlening betrokken zal zijn, gaat de rechtbank ervan uit dat ook de juridische vader zich op afstand houdt. 3.10. Gelet op het voorgaande heeft de biologische vader zijn verzoek tot gezamenlijk gezag ingetrokken, nu dit verzoek op dit moment te prematuur is. Dit verzoek behoeft dan geen verdere bespreking en zal worden afgewezen. 3.11. Voor wat betreft de omgangsregeling hebben de man en de vrouw overeenstemming bereikt in die zin dat [minderjarige] in de oneven weken van zaterdag 13.30 uur tot zondag 16.00 uur bij de man zal verblijven, mits [minderjarige] zelf wil blijven overnachten bij de man. De vrouw wenst ook dat [minderjarige] contact houdt met de juridische vader en wel om de week op de vrijdagmiddag. De juridische vader heeft aangegeven dat hij zich daar nog over moet beraden, nu niet duidelijk is welke rol hij gaat vervullen in dit plaatje. De vrouw zal via het Centrum voor Jeugd en Gezin hulpverlening in gaan zetten om te bekijken welke rol de vaders in het leven van [minderjarige] in kunnen nemen en in het belang van [minderjarige] op een positieve manier in stand kunnen houden. Van belang is echter dat de vrouw eerst met zichzelf aan de slag zal moeten gaan. Nu de verantwoordelijkheid van [minderjarige] in zijn geheel bij haar ligt, is het van groot belang dat zij zo snel mogelijk een evenwichtige moeder voor haar kan zijn. Bij het CJG kan besproken worden of de vaders mogelijk al hulpverlening zonder de vrouw in kunnen zetten. 3.12. Gelet op de relatie van partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. vernietigt de op 5 juli 2019 in de gemeente [geboorteplaats 1] gedane erkenning van de minderjarige [minderjarige] , door [de juridische vader] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1972, als aangetekend door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats 1] op de akte van geboorte onder [nummer] van het jaar 2019; 4.2. draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag om daarin aantekening te doen van deze beschikking; 4.3. verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, aan de man toestemming tot het erkennen van genoemde minderjarige; 4.4. beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd; 4.5. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarige recht hebben op omgang met elkaar in de oneven weken van zaterdag 13.30 uur tot zondagmiddag 16.00 uur mits [minderjarige] bij de man wil blijven overnachten; 4.6. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de heer [de juridische vader] en genoemde minderjarige gerechtigd zijn tot omgang met elkaar eenmaal per twee weken op vrijdagmiddag; 4.7. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.8.