Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:1643
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,785 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1643 text/xml public 2026-03-19T11:57:56 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-09 C/02/443953 / JE RK 26-64 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1643 text/html public 2026-03-18T09:20:48 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1643 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-02-2026 / C/02/443953 / JE RK 26-64 OTS en MUHP vermoedens eerwraak, situatie is onduidelijk nu ouders en kind lijnrecht tegenover elkaar staan en minderjarige wisselend is in verklaringen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443953 / JE RK 26-64 Datum uitspraak: 9 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND , locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. A.Ch. Osté uit Dongen, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. A.Ch. Osté uit Dongen. De kinderrechter merkt als informant aan: LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING , locatie Eindhoven, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI). 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 januari 2026; - het bericht van mr. Osté met bijlagen van 21 januari 2026; - het raadsrapport van de Raad van 22 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: de vader en de moeder, bijgestaan door een tolk in de Arabisch Irakese taal en bijgestaan door mr. Osté; een vertegenwoordiger van de Raad; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij mondelinge spoedbeslissing van de kinderrechter van 17 november 2025 is [minderjarige] , voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot uithuisplaatsing van haar in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 17 november 2025 tot 1 december 2025. Bij beschikking van 27 november 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de voorlopige ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 1 december 2025 tot 17 februari 2026. De kinderrechter heeft op diezelfde dag een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleent met ingang van 1 december 2025 tot 17 februari 2026. 2.3. [minderjarige] verblijft op grond van voorgaande machtiging bij [accommodatie] . 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. 3.2. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.3. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. Namens de Raad is in de overgelegde stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zij voelt zich gecontroleerd en angstig om mishandeld te worden of om te worden gedwongen tot een verblijf in Irak door haar ouders en familie. Hierdoor stagneert de scholing en het sociale leven van [minderjarige] . Naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld en vermoedens van eerwraak is [minderjarige] vanaf 2 juli 2025 geplaatst op een open groep. Er is sprake van een zeer complexe situatie tussen [minderjarige] en de ouders. Er is een groot verschil van inzicht tussen [minderjarige] en de ouders. De ouders ontkennen huiselijk geweld naar [minderjarige] , eerwraak en een gedwongen verblijf in Irak. Er is nog veel onduidelijk over de situatie waarbij [minderjarige] en de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan. [minderjarige] en de ouders hebben na de toenaderingspoging rond kerst 2025 geen contact meer met elkaar gehad. [minderjarige] wil geen contact met de ouders terwijl de ouders dit wel wensen. De ouders maken zich zorgen over de vriend van [minderjarige] . Zij vermoeden dat de vriend een loverboy is die [minderjarige] wil bekeren tot het islamitische geloof. [minderjarige] kreeg dure cadeaus van hem, hij maakte veel geld naar haar over en hij wilde pikante foto’s van [minderjarige] . [minderjarige] kampt met mentale klachten nu haar leven stilstaat. Er is sprake van systeemproblematiek tussen haar en de ouders. [minderjarige] wil zelfstandig worden. Het is pijnlijk voor de ouders dat zij [minderjarige] kwijt zijn maar even zozeer pijnlijk voor [minderjarige] dat zij niet bij de ouders terecht kan. De ouders kunnen momenteel geen passende steun en begeleiding aan [minderjarige] geven. Het is de verwachting dat de ouders op termijn passende steun kunnen bieden als [minderjarige] zich aan de regels van de begeleiding van [accommodatie] en hierna de opvolgende groep gaat houden en zij zo meewerkt aan haar veiligheid en ontwikkeling. Bij [accommodatie] wordt gezien dat [minderjarige] zichzelf in oncontroleerbare situaties brengt als zij meer vrijheid krijg. Ook is er dan sprake van zelfbepalend gedrag en van twijfelachtige verhalen. Hierdoor zijn er zorgen over de veiligheid van [minderjarige] en over de keuzes die zij maakt. [minderjarige] is eerder weggelopen en heeft zichzelf niet tijdig op de groep gemeld. Een uithuisplaatsing is noodzakelijk omdat momenteel niet duidelijk is of [minderjarige] in veiligheid thuis kan wonen maar zij wil ook geen contact met de ouders. Gedurende de aankomende periode moet duidelijk worden of [minderjarige] terug zal keren naar huis en onder welke voorwaarden dan wel dat zij zal gaan werken richting zelfstandigheid. Op korte termijn zal [minderjarige] worden overgeplaatst naar een woongroep, welke groep zij zelf heeft uitgezocht. Het is hierbij belangrijk dat [minderjarige] meewerkt aan begeleiding en dat de traumaverwerking doorgang vindt. Daarnaast dienen de ouders zich te laten begeleiden om het contact met [minderjarige] te herstellen op een veilige en niet belastende manier, waarbij zowel de cultuur van de ouders als de cultuur van [minderjarige] , die meer westers is, van belang is. Hierbij dient er rekening gehouden te worden met het christelijk geloof van de ouders. [minderjarige] heeft de kinderrechter onder andere laten weten dat zij al lang geen contact meer met haar ouders heeft. Zij heeft de ouders al vele kansen gegeven maar de ouders hebben haar bedreigd en uitgescholden. [minderjarige] gaat binnen enkele dagen verhuizen naar een andere open groep. [minderjarige] vindt het fijn dat zij gaat verhuizen naar de andere plek omdat [accommodatie] geen passende plek voor [minderjarige] is. Daarnaast heeft de begeleiding van [accommodatie] aangegeven dat zij klaar is voor een volgende stap. [minderjarige] heeft bij [accommodatie] geleerd om te gaan met mensen, om zichzelf te uiten en om te praten over gevoelens en emoties. [minderjarige] is sterker geworden en kan nu beter voor zichzelf opkomen. Op de nieuwe locatie zal [minderjarige] gesprekken gaan voeren met een andere psycholoog. Zij zal hiervoor eerst een vertrouwensband op moeten bouwen met de andere psycholoog. Ook zal zij daar weer naar school gaan. 4.2. Door en namens de ouders is naar voren gebracht dat zij kunnen instemmen met een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. De ouders begrijpen het verzoek en zien in dat [minderjarige] eerst hulpverlening op een externe locatie dient te krijgen.
Volledig
De ouders willen dan ook dat [minderjarige] behandeling krijgt. De ouders vinden het lastig dat zij momenteel geen terugkoppeling krijgen over de behandeling van [minderjarige] . Zij willen geïnformeerd worden over de behandeling en over hoe zij een rol kunnen spelen in het tot stand brengen van contactherstel. Daarnaast willen de ouders [minderjarige] beschermen en haar veiligheid garanderen. Zij vinden het lastig om afspraken met [minderjarige] te maken. De jongen die [minderjarige] als haar vriend beschouwt, is niet goed voor haar. Die vriend heeft haar dure cadeaus van Dior gegeven, veel geld naar haar overgemaakt, om naaktfoto’s gevraagd en de moeder bedreigd. Daarnaast is [minderjarige] weggelopen bij [accommodatie] en is zij drie dagen vermist geweest. Daarbij is zij naar die vriend gegaan. De ouders kunnen achter een relatie staan met een andere jongen. Het contactmoment rondom kerst hebben de ouders als prettig ervaren en zij hopen op meer contactmomenten met [minderjarige] . Meermalen wordt op zitting benadrukt dat de ouders willen deelnemen aan systeemtherapie en dat zij van [minderjarige] houden. De ouders hopen op een herstel van de relatie. De ouders zullen niet zonder overleg op bezoek gaan bij [minderjarige] . Dit hebben zij eerder ook niet gedaan. 4.3. Door de GI is naar voren gebracht dat [minderjarige] binnenkort een andere jeugdbeschermer uit de regio krijgt in verband met de overplaatsing naar een andere open groep. Benadrukt wordt dat de aanwezige jeugdbeschermer voor de ouders betrokken blijft. Op de nieuwe locatie zal er onderzoek plaatsvinden naar een passende behandeling en naar hulpverleningsorganisaties voor [minderjarige] . [minderjarige] wil vooralsnog niet dat de informatie over de hulpverlening met de ouders wordt gedeeld. De plaatsing op de nieuwe groep kan er wellicht toe leiden dat [minderjarige] andere inzichten krijgt ten opzichte van het contact met de ouders. 5 De beoordeling 5.1. Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.2. Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.3. Uit de overgelegde stukken en uit de zitting blijkt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er is sprake van een zeer complexe situatie tussen [minderjarige] en de ouders waarbij er sprake is van een groot verschil in inzicht. [minderjarige] spreekt over huiselijk geweld en over vermoedens van eerwraak. De ouders spreken dit tegen. Hierop is [minderjarige] in juli 2025 uit huis geplaatst. Het is de Raad vooralsnog niet duidelijk wat er in het thuissituatie is gebeurd. Het lijkt erop dat de ouders te beschermend zijn geweest naar [minderjarige] waardoor deze zich bekneld en onder druk heeft gevoeld gezet. De ouders zeggen dat [minderjarige] beschermd moet worden tegen haar vriend. Op basis van de stukken kan niet worden geoordeeld wat het verhaal is en daarom is een ondertoezichtstelling nodig om dit nader uit te zoeken. In de komende periode dient er in ieder geval uitgezocht te worden wat het verhaal is en of er ruimte bij partijen ontstaat om het contact te normaliseren. Dit dient in rust te gebeuren en op een neutrale plaats. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij vooralsnog niet bij de ouders wil wonen. Een machtiging tot uithuisplaatsing is dan ook op zijn plaats. 5.4. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal het verzoek, zoals verzocht, toewijzen en de ondertoezichtstelling toewijzen en een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 februari 2026 tot 9 februari 2026. 5.5. Als doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling in het kader van de ernstige bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] gewerkt moet worden, worden aangemerkt: - [minderjarige] heeft een “thuis” waar zij zich veilig voelt en waar zij zich verder kan ontwikkelen op alle levensgebieden, zoals met school, stage, werk en haar sociale leven; - [minderjarige] houdt zich aan de regels en aanwijzingen van de begeleiding; - [minderjarige] heeft de ervaringen rondom dreiging, uithuisplaatsing en het verbreken van het contact met de ouders verwerkt; - [minderjarige] weet of, wanneer en hoe zij een toekomstig contact met haar ouders en zusje tot stand wil hebben gebracht en heeft een positief contact met haar gezin; - Wanneer [minderjarige] weer in contact treedt met haar ouders dan vindt dit plaats op een veilige en niet belastende manier. - [minderjarige] en de ouders nemen deel aan systeemtherapie, zodra [minderjarige] hieraan toe is. 5.7. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 5.8. Dit leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 17 februari 2026 tot 17 februari 2027; 6.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 17 februari 2026 tot 17 februari 2027; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van Oonincx als griffier, en op schrift gesteld op 24 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.