Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:1642
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,104 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1642 text/xml public 2026-03-19T11:51:28 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-09 C/02/443674 / JE RK 26-11 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1642 text/html public 2026-03-18T10:51:13 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1642 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-02-2026 / C/02/443674 / JE RK 26-11 Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden. Zorgen over de plaatsing bij de behandelgroep, echter is plaatsing bij één van de ouders niet in het belang van de minderjarige. Onderzoek doen naar het perspectief van de minderjarige RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443674 / JE RK 26-11 Datum uitspraak: 9 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat mr. V.C. Andeweg uit Breda, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 januari 2026; de brief met producties van 4 februari 2026 van mr. Andeweg; de brief met bijlagen van 9 februari 2026 van de vader. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - twee vertegenwoordigers van de GI. De vader heeft per brief van 9 februari 2026 laten weten dat hij niet aanwezig zal zijn bij de zitting. De vader is dan ook niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft sinds 10 februari 2025 op een behandelgroep van [behandelgroep] . 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 16 mei 2026. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 mei 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 mei 2025 tot 16 november 2025. Het overige deel van het verzoek is aangehouden. 2.5. Vervolgens is bij beschikking van 14 november 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 november 2025 tot 16 februari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] en de afgelopen periode zijn deze zorgen enkel toegenomen. De GI geeft aan dat er bij [behandelgroep] dingen gebeuren die niet in het belang zijn van [minderjarige] . [minderjarige] accepteert geen gezag, houdt zich niet aan afspraken, gaat nauwelijks naar school en raakt steeds vaker betrokken bij incidenten op de groep bij [behandelgroep] . [minderjarige] komt hierdoor niet toe aan de passende therapieën. Daarnaast dreigt [minderjarige] uit te vallen op school, doordat zij daar niets doet. [behandelgroep] neemt vaak contact op met de moeder. De reden daarvoor is de wens vanuit de moeder om overal over geïnformeerd te worden. Indien [minderjarige] geen of beperkt contact heeft met de moeder, staat zij beter in contact met de begeleiding van [behandelgroep] . De moeder stuurt namelijk belastende berichten, waarna [minderjarige] opstandig en zorgwekkend gedrag laat zien. Ook heeft de moeder een terreinverbod gekregen bij [behandelgroep] , welke binnenkort zal worden opgeheven zodat [minderjarige] en de moeder contact kunnen hebben bij [behandelgroep] . Bij de moeder zijn al jarenlang zorgen over haar alcoholgebruik. Deze zorgen zijn de afgelopen periode niet afgenomen. [behandelgroep] heeft meermaals vermoedens uitgesproken dat de moeder onder invloed is van alcohol. De GI heeft momenteel te weinig zicht op hoe het met de moeder gaat, doordat de moeder hier te weinig inzicht in geeft. Zonder inzicht in de thuissituatie kan [minderjarige] echter niet bij de moeder wonen. In het verleden heeft de moeder vaker aangegeven dat zij haar alcoholproblematiek onder controle had, echter is de moeder steeds teruggevallen in haar gebruik. Over het contact tussen de vader en [minderjarige] geeft de GI aan dat [minderjarige] haar vader tijdens de weekenden en extra in vakanties ziet. Dit lijkt vooral goed te gaan wanneer het een niet te lange periode achter elkaar is, omdat anders de spanningen en frustraties binnen het gezin oplopen. De vader loopt dan tegen het gedrag van [minderjarige] aan en het lukt hem dan niet goed meer om haar te corrigeren. De GI acht het van belang dat er duidelijkheid komt over waar [minderjarige] gaat opgroeien. Er is een aanmelding gedaan bij psychologenpraktijk [psychologenpraktijk] om het perspectief van [minderjarige] te onderzoeken. De ouders stemmen in met dit onderzoek. Op 27 januari 2026 staan er kennismakingsgesprekken gepland, waarna bepaald zal worden hoe het onderzoek uitgevoerd zal worden. De GI acht de machtiging tot uithuisplaatsing nodig om te onderzoeken wat het perspectief van [minderjarige] zal zijn. De GI verzoekt daarom een verlenging voor de duur van de ondertoezichtstelling. 4.2. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat zij het niet heel erg zou vinden om bij [behandelgroep] te moeten blijven. Het gaat namelijk de laatste tijd goed daar. [minderjarige] zou echter liever bij de moeder willen wonen. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder verloopt beter en de moeder drinkt geen alcohol. Ook het contact met de vader verloopt goed. 4.3. Door en namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij verzoekt het verzoek af te wijzen. De moeder heeft heel veel zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij [behandelgroep] . Er gebeuren daar zeer ernstige dingen, die schadelijk zijn voor [minderjarige] . Zo heeft [minderjarige] een andere minderjarige van zelfmoord moeten weerhouden en wordt er drugs gebruikt op de groep. Momenteel is er enkel sprake van belcontact tussen de moeder en [minderjarige] . Wel wordt de moeder praktisch dagelijks betrokken bij [minderjarige] , doordat er dagelijks contact wordt opgenomen met de moeder vanuit [behandelgroep] , zodat de moeder [minderjarige] gerust kan stellen. Ook belt [minderjarige] regelmatig zelf naar de moeder. Daarnaast is er afgesproken dat de moeder elke dag mee naar school zal gaan met [minderjarige] . Verder geeft de moeder aan dat de behandeling omtrent haar alcoholgebruik bij Novadic Kentron is afgerond en dat zij momenteel enkel ondersteuning krijgt vanuit de praktijkondersteuner. De moeder acht in dit geval een langer verblijf bij [behandelgroep] schadelijker voor [minderjarige] dan een terugplaatsing bij de moeder. Het is de GI namelijk niet gelukt om een rustige situatie te creëren voor [minderjarige] . Daarnaast geeft de vader aan dat hij de volledige zorg voor [minderjarige] niet op zich kan nemen. De moeder verzoekt daarom het verzoek af te wijzen.
Volledig
[minderjarige] wil zelf graag naar de moeder toe en de moeder wil zelf ook graag de volledige zorg voor [minderjarige] op zich nemen. 4.4. In de brief van 9 februari 2026 geeft de vader aan dat hij instemt met het verzoek van de GI. De vader wil daarbij echter wel dat er kritisch gekeken wordt naar het contact tussen [minderjarige] en de moeder en naar de voorwaarden die nodig zijn om [minderjarige] daadwerkelijk tot therapie en ontwikkeling te laten komen. 5 De beoordeling Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing 5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.2. Op dit moment acht de kinderrechter een verlenging van de plaatsing van [minderjarige] bij [behandelgroep] nog noodzakelijk. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] accepteert geen gezag, houdt zich niet aan afspraken, gaat nauwelijks naar school en raakt steeds vaker betrokken bij incidenten op de groep bij [behandelgroep] . [minderjarige] heeft dringend behandeling nodig, echter komt dit niet van de grond. Hoewel er zorgen zijn over het verloop van de plaatsing van [minderjarige] bij [behandelgroep] , acht de kinderrechter een thuisplaatsing van [minderjarige] bij één van de ouders op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . De kinderrechter is van oordeel dat een directe thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet in het belang is van [minderjarige] , onder andere doordat er nog te weinig zicht is op de situatie van de moeder en het feit dat er momenteel enkel sprake is van belcontact tussen [minderjarige] en de moeder. De behandeling van de moeder bij Novadic Kentron is daarnaast nog niet zo lang geleden afgerond en er is ook sprake geweest van een terreinverbod voor de moeder bij [behandelgroep] . De kinderrechter acht daarom een thuisplaatsing bij de moeder momenteel een te grote stap. Ook is een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader op dit moment niet mogelijk. Wanneer [minderjarige] voor een langere tijd bij de vader is, lopen de spanningen en frustraties binnen het gezin op. De vader loopt dan tegen het (opstandige) gedrag van [minderjarige] aan en het lukt hem dan niet goed om haar te corrigeren. 5.3. Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter het van belang dat [minderjarige] de komende periode nog bij [behandelgroep] blijft. Hierbij weegt de kinderrechter mee dat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij het niet heel erg zou vinden om bij [behandelgroep] te moeten blijven, indien dat nodig wordt geacht. De kinderrechter benadrukt daarbij dat het van belang is dat er de komende periode duidelijkheid komt voor [minderjarige] over wat het perspectief van [minderjarige] zal zijn. Om het perspectief van [minderjarige] te onderzoeken is een aanmelding gedaan bij psychologenpraktijk [psychologenpraktijk] . Binnen de komende drie maanden dient er vanuit de GI een duidelijk plan te liggen over waar [minderjarige] naartoe zal gaan na haar verblijf bij [behandelgroep] . Uitvoerbaar bij voorraad 5.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 februari 2026 tot 16 mei 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 16 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.