Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-18
ECLI:NL:RBZWB:2026:1604
Civiel recht
Rekestprocedure
3,395 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1604 text/xml public 2026-03-13T14:50:33 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-18 C/02/435181 / FA RK 25-2374 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1604 text/html public 2026-03-12T09:43:39 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1604 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-02-2026 / C/02/435181 / FA RK 25-2374 Zorgregeling. Kinderalimentatie. Forse schuldenproblematiek. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/435181 / FA RK 25-2374 datum uitspraak 18 februari 2026 beschikking over de zorgregeling en kinderalimentatie in de zaak van [de vrouw] , wonende in [woonplaats 1], hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. S. Kievit, en [de man] , wonende in [woonplaats 2], hierna te noemen de man, advocaat mr. M. de Maaré, en [persoon] , vennoot van [de bewindvoerder 1] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van de man, gevestigd in [plaats] , hierna te noemen de bewindvoerder, advocaat mr. M. de Maaré. 1. De procedure 1.1. De rechter heeft de volgende stukken ontvangen: - het op 6 mei 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw; - het op 14 juli 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man; - het op 8 augustus 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek met bijlagen van de vrouw; - de brieven van mr. De Maaré van 8 januari en 20 januari 2026, beide brieven met bijlagen. 1.2. De verzoeken zijn besproken op de mondelinge behandeling van 21 januari 2026. Daarbij waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat. 1.3. De [minderjarige] is vanwege haar leeftijd uitgenodigd om in een gesprek of schriftelijk aan de kinderrechter te vertellen wat zij belangrijk vindt en wat haar wensen en behoeften zijn. Op 21 januari 2026 heeft [minderjarige] een gesprek gehad met de kinderrechter. 1.4. Op verzoek van de rechtbank heeft mr. De Maaré op 2 februari 2026 een volmachtverklaring ingediend van de huidige bewindvoerder van de man. 2 De feiten 2.1. Zoals blijkt uit de stellingen en ingediende stukken staat tussen partijen het volgende vast: - partijen hebben een relatie met elkaar gehad; - tijdens deze relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ; - de man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over haar; - [minderjarige] woont bij de vrouw; - er is geen rechterlijke uitspraak van kracht over de zorgregeling en de kinderalimentatie. 2.2. Bij beschikking van 24 juni 2025 heeft de kantonrechter een tijdelijk bewind ingesteld voor de duur van vijf jaar over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de man. Het tijdelijk bewind is ingesteld op grond van verkwisting of het hebben van problematische schulden. Als bewindvoerder is benoemd [de bewindvoerder 2] B.V. en het bewind eindigt uiterlijk op 24 juni 2030. 2.3. Vervolgens is bij beschikking van 19 november 2025 als bewindvoerder [de bewindvoerder 2] B.V. ontslagen met ingang van 1 januari 2026. Per die datum is als bewindvoerder benoemd [persoon] , vennoot van [de bewindvoerder 1] in [plaats] . 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt, samengevat: - vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] ; - vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] van € 842,= per maand met ingang van 1 februari 2025. 3.2. De man verzoekt, samengevat, vaststelling van een zorgregeling tussen hem en [minderjarige] . Op de zitting heeft de man zijn verzoek om hem samen met de vrouw met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten ingetrokken. Dit verzoek hoeft daarom niet verder te worden besproken. 4 De beoordeling Zorgregeling 4.1. Op de zitting heeft de man zijn verzoek verduidelijk. Hij wil graag dat [minderjarige] een weekend per maand van vrijdag na school tot zondag 20.00 uur bij hem is en in twee van de resterende weekenden op zaterdag van 11.00 uur tot 15.00 uur. Op dit moment heeft de man nog geen eigen woonruimte, maar hij heeft geregeld dat hij tot april 2025 in een [bed and breakfast] kan verblijven. [minderjarige] mag daar ook blijven slapen. De man vindt het belangrijk dat [minderjarige] zich fijn voelt bij hem en hij begrijpt dat het contact tussen hem en [minderjarige] moet groeien. 4.2. De vrouw vindt de door de man verzochte zorgregeling (voorlopig) niet passend. Zij vindt het belangrijk dat [minderjarige] de band met haar vader weer kan opbouwen, maar er is ook veel gebeurd. Dit heeft het vertrouwen van de vrouw en [minderjarige] in de man geschaad. Volgens haar is een opbouw in het contact nodig om het vertrouwen te herstellen. 4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de toelichting van partijen op de zitting is gebleken dat [minderjarige] nu eenmaal per veertien dagen op zaterdag voor een paar uur naar de man toegaat. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij het fijn vindt dat het contact met haar vader weer goed is. Zolang haar vader nog geen eigen huis heeft, wil zij eenmaal per veertien dagen op zaterdag voor een paar uur naar hem blijven gaan. Wanneer de man een eigen woning heeft, dan wil zij langer bij hem blijven. Met partijen is de inhoud van het gesprek met [minderjarige] besproken en stil gestaan bij de vraag welke zorgregeling op dit moment in het belang van [minderjarige] is. Beide partijen vinden het belangrijk dat er een basisregeling wordt afgesproken en dat bij een mogelijke uitbreiding wordt aangesloten bij de wens van [minderjarige] . Zij moet de ruimte voelen dat zij vaker bij haar vader kan en mag zijn en ook eventueel bij hem kan blijven slapen. Het bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank zal bepalen dat [minderjarige] eenmaal per veertien dagen op zaterdag voor een aantal uren contact heeft met de man. Indien [minderjarige] hieraan behoefte heeft, zal dit contact in onderling overleg worden uitgebreid. De verzoeken van partijen worden in zoverre toegewezen. Vaststelling kinderalimentatie 4.4. De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] van € 842,= per maand met ingang van 1 februari 2025. 4.5. De man voert gemotiveerd verweer en stelt dat sprake is van schuldenproblematiek, waardoor hij op dit moment geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van [minderjarige] te voldoen. 4.6. Bij het bepalen van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van [minderjarige] en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. 4.7. Uit proceseconomisch oogpunt zal de rechtbank eerst de draagkracht van de man beoordelen. Met ‘draagkracht’ wordt bedoeld het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank sluit daarvoor aan bij zijn huidige netto besteedbare inkomen. De draagkracht van de man wordt daarna vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de genoemde aanbevelingen Draagkracht van de man 4.8. De man heeft een eenmanszaak genaamd ‘ [eenmanszaak] ’. De bewindvoerder geeft aan dat over 2025 nog geen financiële stukken voorhanden zijn, maar dat de verwachtte omzet € 58.000,= exclusief btw zal zijn. Volgens de bewindvoerder moet voor het bepalen van de draagkracht van de man worden aangesloten bij een verzamelinkomen van € 30.000,= bruto per jaar. 4.9. De vrouw voert gemotiveerd verweer en stelt dat de man heeft nagelaten financiële stukken in te dienen over 2025, zodat voor de berekening van de draagkracht van de man moet worden aangesloten bij de beschikbare gegevens. Uit de aangifte inkomstenbelasting 2024 volgt een winst uit onderneming van € 72.221,=. Dit inkomen moet volgens de vrouw als uitgangspunt worden genomen. 4.10. De rechtbank overweegt als volgt. In deze procedure heeft de bewindvoerder een beperkt aantal (financiële) stukken ingediend, waaruit de financiële situatie van de man blijkt.
Volledig
De rechtbank beschikt enkel over de aangiftes inkomstenbelasting 2023 en 2024, de winst- en verliesrekeningen en balans over die jaren Uit de aangifte inkomstenbelasting 2023 volgt er in 2023 een winst uit onderneming is gerealiseerd van € 57.084,=. In 2024 was sprake van een winst uit onderneming van € 72.221,=. De bewindvoerder heeft een e-mailbericht ingediend waarin hij aangeeft dat er in 2025 een bedrag van circa € 58.000,= exclusief btw aan omzet is geweest, maar een onderbouwing van dit standpunt ontbreekt. Verder is een ruwe schatting gemaakt van het verzamelinkomen van de man (€ 30.000,=), maar ook op dit punt ontbreekt iedere toelichting. De ingediende financiële gegevens zijn voor de rechtbank onvoldoende om zich een beeld te vormen van het huidige inkomen van de man. Bij het ontbreken van verdere gegevens is de stelling van de bewindvoerder over zijn inkomen uit de onderneming voor de vrouw en de rechtbank niet controleerbaar en blijft er (te)veel onduidelijkheid bestaan. Dit leidt ertoe dat aanleiding wordt gezien om voor het becijferen van het netto inkomen van de man aan te sluiten bij een gemiddelde winst uit onderneming over 2023 en 2024. Op basis van deze gegevens bedraagt het netto inkomen van de man € 3.982,= per maand. Dit volgt ook uit bijgevoegde berekening. 4.11. Verder verschillen partijen van mening over de vraag of bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met schulden. 4.12. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de achtergrond van schulden en de wijze waarop zij zijn ontstaan in het algemeen geen rol spelen bij de draagkracht. Alle schulden zijn van invloed op de draagkracht van de onderhoudsplichtige, maar er kunnen redenen zijn om aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen voor het bepalen van de draagkracht. Uit de stukken volgt dat er sinds 24 juni 2025 een bewind is ingesteld over de goederen van de man vanwege problematische schulden. Gebleken is dat de man na het uiteengaan van partijen een moeilijke periode heeft gekend en (mede hierdoor) op een onverantwoorde manier zijn financiën heeft beheerd. Uit een eerste inventarisatie van de bewindvoerder blijkt dat er sprake is van een totale schuldenlast van € 190.000,=. Dit bedrag is niet betwist. Verder blijkt uit de stukken en is op de zitting toegelicht dat voor sommige schulden betalingsregelingen zijn getroffen en dat de overige schuldeisers worden aangeschreven met het verzoek in te stemmen met het treffen van een betalingsregeling te treffen. Daarnaast is onbetwist gesteld dat het in de rede ligt dat de man zal worden aangemeld voor schuldhulpverlening en inkomensondersteuning aan (ex-)ondernemers op grond van het ‘Besluit bijstandverlening zelfstandigen’ (Bbz). Verder staat op grond van de onbetwiste verklaring van de man vast dat hij op dit moment een bedrag aan leefgeld ontvangt van € 300,= per week. Van dit bedrag moet hij alle lasten betalen en bepaalde posten, waaronder kleding, zijn in dit bedrag nog niet meegenomen. Bovengenoemde omstandigheden maken dat de rechtbank van oordeel is dat rekening moet worden gehouden met de feitelijke situatie van de man en dat hij op dit moment geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van [minderjarige] te betalen. Het is zaak dat de man zijn (financiële) leven weer op orde krijgt en de schulden worden afgelost. De rechtbank benadrukt dat de man de verantwoordelijkheid heeft om geen nieuwe schulden te (laten) doen ontstaan. De bewindvoerder heeft op de zitting aangegeven dat het traject om en nabij achttien maanden zal gaan duren. De rechtbank gaat ervan uit dat de bewindvoerder dan wel de man de vrouw zal informeren wanneer zijn financiële situatie is gewijzigd en dat in onderling overleg zal worden gekeken naar een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] . Proceskosten 4.13. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dit houdt in dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. bepaalt dat de man en de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] , in het kader van de zorgregeling gerechtigd zijn tot contact met elkaar eenmaal per veertien dagen op zaterdag voor een aantal uren, met inachtneming van rechtsoverweging 4.3.; 5.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 5.3. wijst af het verzoek van de man over het ouderlijk gezag; 5.4. wijst het meer of anders verzochte over de invulling van de zorgregeling af; 5.5. wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van [minderjarige] ; 5.6. compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. Willemsen, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.