Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:1508
Civiel recht
Rekestprocedure
3,753 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1508 text/xml public 2026-03-13T14:44:32 2026-03-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-05 C/02/443635 / FA RK 26-26 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1508 text/html public 2026-03-12T14:35:23 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1508 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-02-2026 / C/02/443635 / FA RK 26-26 Sprake van ongeoorloofde overbrenging ogv artikel 9 Brussel II-ter. Nederlandse rechter bevoegd om op de verzoeken te beslissen. Aanhouding van de beslissing nu de rechtbank onvoldoende informatie heeft om op de verzoeken te beslissen. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/443635 / FA RK 26-26 datum uitspraak: 5 februari 2026 tussenbeschikking over vaststelling hoofdverblijf, informatie- en zorgregeling en gezag in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.L. Weterings in Oegstgeest, tegen [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in Polen. over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, hierna: [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 18 december 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Weterings van 23 januari 2026, met bijlagen. 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 29 januari 2026. Bij die behandeling is gekomen de man, met zijn advocaat. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. De vrouw is juist opgeroepen, maar is niet gekomen. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. 2.2 De man heeft [minderjarige] erkend. 2.3 Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] . 2.4 [minderjarige] verblijft sinds 10 december 2025 bij de vrouw in Polen. 2.5 De man en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit, de vrouw heeft de Poolse nationaliteit. 3 De verzoeken en de standpunten 3.1 De man verzoekt: I. een certificaat in het licht van artikel 26 lid 1 sub b Brussel II-ter af te geven dat ouders met het gezamenlijk gezag zijn belast over de minderjarige, nu dit niet reeds vaststaat door een rechterlijke beslissing; Primair: II. te bepalen dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben; Subsidiair: III. te bepalen dat de vrouw met de minderjarige dient terug te verhuizen naar Nederland, dan wel de verblijfplaats naar Nederland dient te wijzigen, althans wordt bevolen om de minderjarige binnen de landsgrenzen van Nederland te brengen binnen een nader te stellen termijn ter uitvoering van een zorgregeling welke met een opbouw uiteindelijk kan worden opgebouwd naar de in het verzoekschrift verzochte regeling; IV. een informatie- en zorgregeling vast te stellen, zoals in het verzoekschrift is omschreven; V. althans zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht. 3.2 De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man. 3.3 Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling 4.1 Door en namens de man wordt in het verzoekschrift en tijdens de zitting het navolgende aangevoerd. Partijen hebben vanaf mei 2023 een relatie met elkaar gehad. De vrouw is toen naar Nederland gekomen en bij de man gaan wonen. Uit de relatie van partijen is [minderjarige] op [geboortedag] 2024 geboren. Vanwege spanningen tussen partijen is de vrouw op 21 oktober 2025 een tijdje naar Polen gegaan met [minderjarige] . Het was de bedoeling dat de vrouw en [minderjarige] tot 18 november 2025 in Polen zouden verblijven. Via de mail liet de vrouw weten er langer te willen blijven en er ook te willen blijven wonen. De man stemde daar eerst mee in maar trok later zijn toestemming in. Op 18 november 2025 is de vrouw met [minderjarige] teruggekomen naar Nederland en is ze bij de zus van de man ingetrokken. De vrouw had inmiddels een vliegticket geboekt om op 22 november 2025 weer naar Polen terug te keren. De man wilde werken aan de relatie en heeft de vrouw voorgesteld om in relatietherapie te gaan of mediation te gaan volgen. Ook had de man de politie en Veilig Thuis ingeschakeld. De vrouw wilde niet meewerken aan een hulpverleningstraject van [hulpverlening] en is op 10 december 2025 met [minderjarige] naar Polen vertrokken. Sindsdien heeft de man geen contact meer gehad met [minderjarige] . De vrouw houdt iedere communicatie af. De vrouw heeft op 3 december 2025 een procedure in Polen gestart waarin ze onder andere verzoekt het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar vast te stellen. De man is van mening dat de Poolse rechter onbevoegd is omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] nog steeds in Nederland is. De man is inmiddels ook een teruggeleidingsprocedure gestart in Polen. De vrouw heeft [minderjarige] ongeoorloofd naar Polen overgebracht, omdat de man daar geen toestemming voor heeft verleend. [minderjarige] heeft nog steeds haar gewone verblijfplaats in Nederland nu ze hier is geboren en 18 maanden heeft gewoond. Nu er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging blijft de Nederlandse rechter bevoegd om van de verzoeken van de man kennis te nemen. De man verzoekt op grond van artikel 36 Brussel II-ter een certificaat af te geven omtrent het gezag van de man, nu hij problemen ondervindt doordat het gezag dat hij over [minderjarige] uitoefent niet in het gezagsregister is aangetekend. Daarnaast verzoekt de man het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem vast te stellen. Mocht het hoofdverblijf niet bij de man worden vastgesteld dan verzoekt de man vaststelling van een regeling: o Zolang de vrouw niet in Nederland is, verplicht wordt om wekelijk via e-mail een statusupdate te geven, met foto's en vermelding van belangrijke ontwikkelingen in het leven van het kind. zo mogelijk onderbouwd met correspondentie het kind betreffende. o En zodra zij in Nederland aankomt te bepalen dat: [minderjarige] en de man met een opbouwregeling gerechtigd zijn tot contact met elkaar te hebben iedere woensdag vanaf 13.00u tot vrijdagavond 17.00u, alsmede, met een opbouwregeling een weekend per twee weken van vrijdagavond 17.00u tot zondagavond 17.00u, alsmede de helft van de feestdagen. Ten slotte verzoekt de man een bevel af te geven voor de vrouw om met [minderjarige] terug te verhuizen. 4.2 De Raad verklaart tijdens de zitting geen concreet advies te kunnen geven omdat de Raad geen enkel zicht op [minderjarige] heeft. Het maakt het extra lastig dat de vrouw niet is verschenen tijdens de zitting. De Raad heeft onvoldoende informatie om een advies ten aanzien van de verzoeken van de man te formuleren. Rechtsmacht 4.3 Voordat de rechtbank tot een inhoudelijke beoordeling kan komen dient zij eerst na te gaan of zij in internationale zin bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken van de man. Op grond van artikel 7 Brussel II-ter is het gerecht bevoegd van de gewone verblijfplaats van het kind op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. De man heeft het inleidend verzoekschrift in deze procedure op 18 december 2025 ingediend. Op dat moment was de vrouw al met [minderjarige] uitgeschreven op haar adres in Nederland en naar Polen vertrokken. De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op het moment van het aanhangig maken van onderhavige procedure in Nederland was. De rechtbank stelt voorop dat [minderjarige] in Nederland is geboren, dat partijen in Nederland met [minderjarige] in gezinsverband hebben samengewoond en dat partijen de intentie hadden om [minderjarige] op een kinderdagverblijf in Nederland te laten verblijven en haar daar ook daadwerkelijk hadden ingeschreven.
Volledig
De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel II-ter bevoegd is om op de verzoeken van de man te beslissen. 4.4 De vrouw heeft [minderjarige] zonder toestemming van de man, de andere ouder met gezag, overgebracht naar Polen. De man heeft niet in deze overbrenging berust en hij is inmiddels een teruggeleidingsprocedure in Polen gestart. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op het moment van het aanhangig maken van onderhavige procedure in Nederland was en [minderjarige] zonder toestemming van de man naar Polen is overgebracht, is artikel 9 Brussel II-ter van toepassing. Op grond van dit artikel blijft in het geval van ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van het kind de gerechten van de lidstaat waar het kind voor de ongeoorloofde overbrenging diens gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in die andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft gekregen en zich één van de twee situaties zoals genoemd in sub a en b zich voordoen. Nu zich geen van de in sub a en b genoemde situaties voordoen is de rechtbank van oordeel dat zij nog steeds bevoegd blijft om op de verzoeken van de man te beslissen. Toepasselijk recht 4.5 Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op de verzoeken te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op de verzoeken toegepast worden. Gezag 4.6 De man verzoekt op grond van artikel 26 lid 1 sub b Brussel II-ter een certificaat af te geven dat de ouders met het gezamenlijk belast over [minderjarige] zijn belast, nu dit niet reeds vaststaat door een rechterlijke beslissing. De rechtbank zal dit verzoek van de man afwijzen, nu een certificaat als bedoeld in voornoemd artikel ziet op een erkenning van een beslissing omtrent de ouderlijke verantwoordelijkheid. De man is echter niet op grond van een rechterlijke beslissing met het gezag over [minderjarige] belast. 4.7 Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de man van rechtswege is belast met het gezag over [minderjarige] , nu hij haar op 21 februari 2024 heeft erkend en partijen ten tijde van de erkenning geen keuze omtrent het gezag over [minderjarige] hebben gemaakt. De man is aldus op grond van artikel 1:251b lid 1 en lid 2 BW van rechtswege belast met het gezag over [minderjarige] . Hoofdverblijf, terugverhuizing en vaststelling zorgregeling 4.8 In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. 4.9 In artikel 1:253a BW staat dat de rechter een beslissing moet nemen die zij het meest in het belang vindt van het kind. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 Burgerlijk Wetboek/BW). 4.10 Gelet op de omstandigheden van de zaak stelt de rechtbank vast dat het partijen niet is gelukt met elkaar afspraken te maken over [minderjarige] . De rechtbank komt dan ook toe aan het nemen van een beslissing op de verzoeken van de man. 4.11 Ten aanzien van de verzoeken van de man omtrent het hoofdverblijf, de terugverhuizing van de vrouw en [minderjarige] en tot vaststelling van een zorgregeling oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft op dit moment te weinig informatie om een beslissing te kunnen nemen op deze verzoeken. Ook de Raad heeft de rechtbank tijdens de zitting niet van advies kunnen voorzien. Voor een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de man vindt de rechtbank het van belang wat de uitkomst zal zijn van de teruggeleidingsprocedure die de man in Polen aanhangig heeft gemaakt en of [minderjarige] in Polen zal blijven of terug naar Nederland komt. De rechtbank zal de beslissing op voornoemde verzoeken van de man dan ook aanhouden tot 17 maart 2026 pro forma. De rechtbank verzoekt de man uiterlijk op deze pro forma datum de rechtbank te berichten over de uitkomst dan wel de stand van zaken van de teruggeleidingsprocedure in Polen en zich tevens uit te laten over het verdere gewenste procesverloop. Informatieregeling 4.12 In artikel 1:377b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de ouder met gezag over een kind informatie moet geven aan de ouder (zonder gezag) over het kind over hoe het met het kind gaat. Het gaat om informatie over belangrijke zaken over de persoon en het vermogen van het kind. Ook moet de ouder die het gezag over een kind heeft de ouder die geen gezag heeft, raadplegen bij beslissingen die hij of zij over het kind neemt. Dat kan ook met de hulp van een tussenpersoon. De rechtbank kan op verzoek van een ouder over dit onderwerp een regeling vaststellen. 4.13 Omtrent het verzoek van de man tot vaststelling van een informatieregeling oordeelt de rechtbank als volgt. De man heeft al sinds begin december 2025 geen contact meer met [minderjarige] gehad en wordt sindsdien door de vrouw ook niet op de hoogte gehouden omtrent belangrijke ontwikkelingen rondom [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat het belangrijk is dat de man als ouder van [minderjarige] op de hoogte is van belangrijke ontwikkelingen rondom [minderjarige] , zeker nu er geen omgang tussen de man en [minderjarige] plaatsvindt. De rechtbank acht het verzoek van de man tot vaststelling van een informatieregeling in het belang van [minderjarige] en zal dit verzoek dan ook toewijzen. Uitvoerbaar bij voorraad 4.14 De rechtbank zal de beslissing omtrent de informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst. De rechtbank vindt dit in het belang van [minderjarige] . 5 De beslissing De rechtbank 5.1 bepaalt dat de vrouw, zo lang zij niet in Nederland is, de man éénmaal per week via de e-mail informeert over belangrijke ontwikkelingen ten aanzien van [minderjarige] waaronder haar gezondheid, vergezeld van recente foto’s van [minderjarige] ; 5.2 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3 houdt iedere overige beslissing aan tot 17 MAART 2026 pro forma, in afwachting van het bericht van de man omtrent hetgeen is overwogen in r.o. 4.11. Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.