Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:1504
Civiel recht
Rekestprocedure
1,964 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1504 text/xml public 2026-03-13T14:58:34 2026-03-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-05 C/02/443344 / JE RK 25-2287 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1504 text/html public 2026-03-12T15:19:18 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1504 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-02-2026 / C/02/443344 / JE RK 25-2287 Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing - minderjarige komt steeds in onveilige situaties - hulpverlening voortzetten binnen beschermde kaders van plaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443344 / JE RK 25-2287 Datum uitspraak: 5 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal. 1 Het verloop van de procedure 1.1 Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 december 2025; - het stelbericht van mr. Albicher van 20 januari 2026; - het bericht van de griffier van 29 januari 2026; - het bericht van mr. Albicher van 29 januari 2026; - het bericht van de GI van 3 februari 2026. 1.2 De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt. 2 De feiten 2.1 De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Bij beschikking van deze rechtbank van 1 februari 2018 heeft de rechtbank de vader belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De moeder is sinds de scheiding van de ouders naar het buitenland verhuisd en is niet meer betrokken. 2.2 De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 februari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 13 februari 2025 tot 13 februari 2026. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, voor de duur van de ondertoezichtstelling. 2.3 [minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging bij [accommodatie] . Feitelijk verblijft [minderjarige] sinds september 2024 bij [accommodatie] . 3 Het verzoek 3.1 De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. 3.2 Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. 3.3 De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de vader 4.1 Op 29 januari 2026 heeft mr. Albicher de kinderrechter namens de vader bericht dat hij akkoord is met het verzoek en een schriftelijke afdoening van de zaak. 5 De beoordeling 5.1 Uit voormelde berichtgeving namens de vader volgt dat hij het eens is met het verzoek en de zaak schriftelijk kan worden afgedaan. Ook de GI laat de kinderrechter op 3 februari 2026 weten dat de zaak zonder zitting kan worden afgedaan. Dit betekent dat de kinderrechter de zaak op grond van de stukken zal afdoen. Verlenging ondertoezichtstelling 5.2 Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.4 Uit de overgelegde stukken is gebleken dat bij [minderjarige] sprake is van trauma en een onveilige hechting. Hij heeft in zijn leven op veel verschillende plekken gewoond, chaos en onveiligheid gekend. Hierdoor vindt [minderjarige] het moeilijk om volwassenen te vertrouwen. Door de combinatie van zijn karaktereigenschappen, zoals de zucht naar spanning, zijn beneden gemiddelde intelligentie en zijn beïnvloedbaarheid, in combinatie met zijn trauma en onveilige hechting maakt dat [minderjarige] geregeld in zeer onveilige situaties terechtkomt. Hij laat externaliserend gedrag zien, is moeilijk te sturen en toont negatief wegloopgedrag. De kinderrechter maakt zich hierover grote zorgen. Daarnaast toont [minderjarige] ook ander negatief gedrag als zich dreigend opstellen, illegaal vuurwerk onder zich hebben, overlast bezorgen in de buurt en geld stelen van de vader. Een ander punt van zorg is dat [minderjarige] geen onderwijs volgt. De kinderrechter concludeert hieruit dat bij [minderjarige] nog steeds sprake is van een ontwikkelingsbedreiging. 5.5 Hoewel nog steeds sprake is van een zorgelijke situatie en de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen niet zijn behaald, ziet de kinderrechter ook dat er in de afgelopen periode positieve stappen zijn gezet: het vertrouwen van [minderjarige] in begeleiding begint te groeien, de vader ervaart steun van de jeugdbeschermer en volgt tips en adviezen op en [minderjarige] vindt het contact met de jeugdbeschermer fijn. De kinderrechter hoopt dat deze ontwikkeling zich de komende periode zal voortzetten. 5.6 Naar het oordeel van de kinderrechter is het nu niet mogelijk om de zaak over te dragen naar een vrijwillig kader. De problematiek is daarvoor te complex. Daarbij komt ook dat eerder is gebleken dat de vader ambivalent is ten aanzien van de hulpverlening en de plaatsing van [minderjarige] . Eerder was hij wisselend in zijn toestemming. 5.7 De kinderrechter concludeert dat betrokkenheid van de GI benodigd blijft, enerzijds om de ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen, de ingezette hulpverlening (zoals EMDR-therapie) te continueren en de mogelijkheden voor het volgen van onderwijs te monitoren. Een voortzetting van de maatregel is van belang, zeker nu [minderjarige] zijn begeleiding steeds meer gaat vertrouwen en de kaders van de ondertoezichtstelling alle betrokkenen rust en regelmaat bieden. Betrokkenen hebben zichtbaar profijt van de ondertoezichtstelling en dat moet langer voortduren om de ingezette hulpverlening optimaal te benutten. 5.8 Dit betekent dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling zal verlengen voor de verzochte duur van een jaar, te weten met ingang van 13 februari 2026 tot 13 februari 2027. 5.9 De kinderrechter gaat ervan uit dat in de komende periode verder zal worden gewerkt aan de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen, te weten; - [minderjarige] woont op een plek waar hij hulpverlening krijgt voor zijn zelfbepalende gedrag en leert inzien wat de gevolgen van zijn gedrag zijn; - [minderjarige] loopt niet meer weg van de plek waar hij verblijft en van school; - [minderjarige] accepteert de grenzen en regels die hem gegeven worden; - [minderjarige] gaat volgens lesrooster naar school.