Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:1501
Civiel recht
Rekestprocedure
5,792 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1501 text/xml public 2026-03-13T14:46:32 2026-03-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-05 C/02/418405 FA RK 24-361 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1501 text/html public 2026-03-12T14:36:39 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-02-2026 / C/02/418405 FA RK 24-361 Toewijzing vervangende toestemming erkenning op basis van eerder verrichte DNA-thuistest. IPR: Slowaaks en Oekraïens recht. Omgang en UHA RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/418405 FA RK 24-361 Datum uitspraak: 5 februari 2026 beschikking betreffende vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen: de man, advocaat: mr. A.G. de Jong te Den Haag Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M. Özgül te Breda. In het afstammingsverzoek wordt tevens als belanghebbende aangemerkt: De minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna: [minderjarige] , vertegenwoordigd door mr. I.P.M.J. Nelemans, in haar hoedanigheid van bijzondere curator. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1. Het nader procesverloop 1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - de beschikking van de rechtbank van 25 november 2024 en alle daarin vermelde stukken; - de onttrekking van de voormalig advocaat van de vrouw, mr. J.F. Bil te Oosterhout, per F-formulier van 20 februari 2025; - het op 27 februari 2025 ontvangen verslag van de bijzondere curator; - het F-formulier van mr. De Jong van 4 april 2025; - het aanvullend verzoek met bijlagen van mr. De Jong van 5 januari 2026, - de brief met bijlage van de bijzondere curator van 7 januari 2026; - het aanvullend verweerschrift van mr. Özgül van 8 januari 2026. De rechtbank heeft daarnaast ontvangen, maar laat buiten beschouwing: - de e-mails van de vrouw van 30 juli 2025, 2 oktober 2025 (met bijlagen) en 5 oktober 2025. 1.2. De verzoeken zijn mondeling behandeld op 8 januari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man, met zijn advocaat en een tolk in de Engels taal, en de vrouw, met haar advocaat en een tolk in de Russische taal. Ook waren aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordiger van de Raad. 2 Het verzoek 2.1 Aan de orde zijn de (gewijzigde) verzoeken van de man om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: I. aan de man vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [minderjarige] ; II. de man gezamenlijk met de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige] ; III. primair: te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben; subsidiair: een zorgregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de man, waarbij [minderjarige] iedere week van vrijdagochtend tot zondag aan het einde van de dag bij de man is, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag om 09.30 uur ophaalt op het BRP-adres van de vrouw en op zondag om 19.00 uur weer bij de vrouw terugbrengt; alsmede te bepalen dat [minderjarige] gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de man zal zijn, een verdeling daarvan in onderling overleg te bepalen, en met betrekking tot het jaar 2026 te bepalen dat [minderjarige] van 1 april 2026 tot en met 19 april 2026, van 1 augustus 2026 tot en met 18 augustus 2026 en van 19 december 2026 tot en met 3 januari 2027 bij de man zal zijn, alsmede aan de man vervangende toestemming verlenen om in deze periodes met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Slowakije. 2.2. De vrouw verzoekt om de verzoeken van de man af te wijzen, dan wel een zodanige beslissing te nemen zoals de rechtbank in alle redelijkheid zal vermenen te behoren. 3 De beoordeling 3.1 Bij beschikking van 25 november 2024 heeft de rechtbank zich (internationaal) bevoegd verklaard om van het afstammingsverzoek van de man kennis te nemen. Daarnaast is mr. I.P.M.J. Nelemans benoemd tot bijzondere curator. De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het afstammingsverzoek in te nemen. 3.2 Uit de stukken blijken de volgende omstandigheden: De vrouw verblijft vanaf maart 2022 in Nederland. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. [minderjarige] is op [geboortedag] 2023 te [plaats 1] geboren. [minderjarige] is niet erkend. De vrouw is belast met het gezag over [minderjarige] . De vrouw is begin juli 2024 met [minderjarige] vertrokken uit Nederland, waarna zij een periode in Oekraïne of Polen zou hebben verbleven. Inmiddels verblijft zij weer met [minderjarige] in Nederland. De man heeft de Slowaakse nationaliteit. De vrouw en [minderjarige] hebben de Oekraïense nationaliteit. 3.3 Daarnaast is de rechtbank gebleken dat bij vonnis in kort geding van 25 november 2024 de voorzieningenrechter voorshands heeft geoordeeld dat de man de biologische vader van [minderjarige] is en dat er sprake is van family life tussen de man en [minderjarige] . Daarnaast heeft de voorzieningenrechter een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vastgesteld waarbij de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar op de volgende wijze: - de man zal [minderjarige] in [plaats 2] bij de vrouw opzoeken en zal [minderjarige] bij zich hebben: gedurende een eerste periode van drie maanden eenmaal per maand gedurende één dag in het weekend van 9.30 uur tot 12.30 uur; vanaf 1 maart 2025 eenmaal per maand gedurende één dag in het weekend van 9.30 uur tot 17.30 uur, hierbij uitgaande dat de man in staat zal zijn dat hij [minderjarige] zijn middagslaap kan laten doen, een en ander in nader in onderling overleg door partijen te regelen; - voor het geval mocht blijken dat de vrouw niet in Oekraïne woont of verblijft met [minderjarige] : bepaalt dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende éénmaal per week in het weekend van 9.30 uur tot 17.00 uur. 3.4 Tevens is gebleken dat bij vonnis in kort geding van 17 december 2025 de voorzieningenrechter de vrouw heeft veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 100,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij de bij vonnis van 25 november 2024 vastgestelde voorlopige omgangsregeling niet nakomt, tot een maximum van € 5.000,= is bereikt. Daarnaast zijn de man, de vrouw en [minderjarige] verwezen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de volgende resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund; - de (gezaghebbende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; - het kind en de (gezaghebbende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie). Aan het loket is verzocht om uiterlijk 11 juni 2026 pro forma in de onderhavige bodemprocedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulp-verleningstraject in te dienen. Tenslotte is aan de Raad verzocht wanneer het (jeugd)hulp-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daar zelf aanleiding toe ziet, een onderzoek in te stellen.
Volledig
Verzoek tot vervangende toestemming erkenning Toepasselijk recht 3.5 In artikel 10:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, voor zover hier van belang, de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit die persoon de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. De man heeft de Slowaakse nationaliteit. Daarom zal de rechtbank op de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, het Slowaaks recht toepassen. 3.6 Op grond van § 84 van de Slowaakse Familiewet (Zákon o rodine) (Fw) kan het vaderschap worden bepaald op basis van de in de wet vastgestelde vermoedens van vaderschap door een instemmingsverklaring van de ouders of door een rechterlijke uitspraak. Op grond van § 90 Fw kan de afstamming van een kind van een man bij overeenstemmende verklaring van de ouders worden vastgesteld. De toestemming van de vrouw is noodzakelijk voor deze erkenning. Een verklaring strekkende tot erkenning van een kind door een man kan op grond van § 91 Fw worden afgelegd ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand of een rechtbank. Op grond van § 94 Fw kan de man bij de rechtbank een verzoek indienen om het vaderschap vast te stellen, indien het vaderschap niet vastgesteld kan worden door een toestemmingsverklaring van de ouders. 3.7 In artikel 10:95, derde lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, ongeacht het in lid 1 toepasselijke recht, op de toestemming van de moeder tot erkenning toepasselijk is het recht van de staat waarvan de moeder de nationaliteit bezit. Indien het toepasselijke recht de erkenning niet kent, is toepasselijk het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. De moeder heeft de Oekraïense nationaliteit. Daarom zal de rechtbank op de toestemming van de vrouw tot erkenning het Oekraïense recht toepassen. 3.8 Op grond van artikel 126 van het Oekraïense Familiewetboek (Сімейний кодекс України) is voor de erkenning een gezamenlijke verklaring met de moeder van het kind nodig. Op grond van artikel 128 van het Oekraïense Familiewetboek kan de vader bij de rechtbank een verzoek indienen tot erkenning van zijn vaderschap. Grond voor het erkennen van het vaderschap is elk bewijs dat de betreffende persoon de vader van het kind is. De standpunten van partijen 3.9 Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de vrouw niet haar medewerking aan de erkenning van [minderjarige] door de man verleent. Zij stelt dat de man niet de verwekker is van [minderjarige] , maar dat [minderjarige] is verwerkt in een relatie met haar ex-echtgenoot in Oekraïne. Zij is eind augustus tot begin september 2022 daar nog kort geweest. De man stelt dat hij wel de verwekker is van [minderjarige] . De man had eerst twijfels, maar hij heeft in oktober 2023 zonder medeweten van de vrouw een DNA-onderzoek laten uitvoeren. Hij heeft, toen de vrouw sliep, buiten een wandeling gemaakt met [minderjarige] en toen op de in de DNA-kit aangegeven manier met een staafje in de mond bij [minderjarige] DNA afgenomen. Uit dat onderzoek kwam dat hij voor 99.99 % de verwekker van [minderjarige] is. De vrouw is op de hoogte van de rapportage van het DNA-onderzoek. Zij stelt dat deze DNA-test niet rechtsgeldig is, omdat zij daarvoor nooit haar toestemming heeft gegeven, in de rapportage de achternaam van [minderjarige] verkeerd staat en zij vermoedt dat het een vervalsing is. Zij heeft niet eerder een DNA-onderzoek laten doen, omdat zij dat niet nodig vond. Zij wil haar medewerking verlenen aan een rechtsgeldig verwantschapsonderzoek. 3.10 De bijzondere curator heeft in haar verslag, in haar brief en ter zitting geadviseerd het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen. Zij vindt een extra DNA-onderzoek daarvoor niet noodzakelijk. De bijzondere curator heeft daartoe aangegeven dat zij geen redenen heeft om aan de uitslag te twijfelen van het door de man in de thuissituatie verrichte DNA-onderzoek. De man heeft weliswaar de verkeerde geslachtsnaam van [minderjarige] (zijn eigen geslachtsnaam) vermeld, maar dat maakt de uitslag niet ongeldig. De bijzondere curator vindt het in het belang van [minderjarige] dat met de erkenning zijn afstamming komt vast te staan en dat er geen contra-indicaties zijn hiervoor. 3.11 De Raad heeft geadviseerd om het verzoek van de man toe te wijzen, als er geen twijfel bestaat over de uitslag van het DNA-onderzoek. De belangen van de vrouw worden daarbij niet geschaad. De beoordeling van de rechtbank 3.12 De rechtbank overweegt als volgt. De bijzondere curator heeft bij haar brief een kopie van de rapportage van AlphaBiolabs van 26 oktober 2023 overgelegd. In deze rapportage staat dat de “probability of paternity” van [de man] over [minderjarige] 99,99% is. De rechtbank heeft, net als de bijzondere curator, geen twijfels over deze rapportage en de uitslag van dit DNA-onderzoek. Het verhaal van de man over hoe en waarom hij dit onderzoek heeft laten doen is consistent. Dat de vrouw niet op de hoogte was op het moment dat de man dit heeft gedaan en zij dus haar instemming niet heeft verleend, maakt de uitslag niet anders. De vrouw heeft gesteld dat zij vermoedt dat de rapportage vervalst is, maar heeft deze stelling niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft ook geen aanwijzingen dar sprake zou zijn van een mogelijke vervalsing. Dat de man zijn eigen achternaam voor [minderjarige] heeft gebruikt, maakt het onderzoek ook niet ongeldig. Immers, het is volstrekt duidelijk welk kind het betreft. Gesteld noch gebleken is dat de man een ander kind heeft en hij kan dit onderzoek met deze uitslag dus niet met een ander kind hebben verricht. De rechtbank acht daarom de rapportage van AlphaBiolabs van 26 oktober 2023 voldoende bewijs dat de man de verwekker van [minderjarige] is om het vaderschap volgens het Slowaaks recht vast te stellen. 3.13 De rechtbank acht het daarom niet noodzakelijk om een DNA-onderzoek te gelasten. De vrouw heeft inconsistente informatie gegeven over welke man volgens haar de verwekker van [minderjarige] zou zijn en zij heeft in het afgelopen jaar voldoende de gelegenheid gehad om zelf een DNA-onderzoek te laten uitvoeren om haar stellingen te onderbouwen, maar zij heeft dit - kennelijk bewust - nagelaten. 3.14 De rechtbank wijst het verzoek van de man onder I toe en verleent aan de man vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] . De rechtbank attendeert de man erop dat hij met deze beschikking nog wel [minderjarige] bij de ambtenaar van de burgerlijke stand dient te erkennen. Beëindiging taak van de bijzondere curator 3.15 De rechtbank is van oordeel dat hiermee de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. Verzoeken tot gezag en omgang Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht 3.16 De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 7 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-ter Verordening).
Volledig
Volgens deze bepaling zijn internationaal bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen aangezien [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. [minderjarige] is geboren in Nederland. Op het moment van indiening van het verzoek (januari 2024) stond [minderjarige] sinds zijn geboorte ingeschreven in het BRP op het adres in [woonplaats 2] in Nederland. Dat hij met de vrouw in de tussentijd voor een korte periode in Oekraïne en/of Polen heeft verbleven, maakt niet dat zijn gewone verblijfplaats in de tussentijd niet in Nederland was. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op de verzoeken het Nederlands recht van toepassing. 3.17 Bij vonnis in kort geding van 17 december 2025 zijn de man en de vrouw en [minderjarige] verwezen voor een (jeugd)hulptraject in het kader van het uniform hulpaanbod. Gezien deze zeer recente verwijzing ziet de rechtbank aanleiding om de beslissing op de verzoeken van de man onder II en III aan te houden in afwachting van de resultaten hiervan. 3.18 Aangezien de verzoeken van de man in onderhavige procedure naast de omgangsregeling ook de hoofdverblijfplaats en het gezag betreffen, ziet de rechtbank aanleiding om de vragen voor de Raad in het kader van het traject van het uniform hulpaanbod uit te breiden naar deze onderwerpen. De rechtbank verzoek de Raad, indien de Raad een onderzoek noodzakelijk vindt na het verkrijgen van de UHA-rapportage, een onderzoek te verrichten en een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: zoals bepaald in voornoemd vonnis onder zaaknummer C/02/441162 / KG ZA 25-552: Welke vorm van contact met de man past het beste bij de belangen van [minderjarige] ? Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)? Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ? Hoe moet die regeling eruit gaan zien? Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke? In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden? En ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en het gezag: - Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van [minderjarige] te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? - Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ? - In hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de man, tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ? 3.19 Zoals bepaald in voornoemd kort geding vonnis is aan het loket verzocht om uiterlijk op 11 juni 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk, in onderhavige procedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject in te dienen. De rechtbank zal in navolging daarvan de beslissing op de verzoeken aanhouden tot deze datum. 3.20 Over de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man overweegt de rechtbank het volgende. Bij vonnis in kort geding van 25 november 2024 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende éénmaal per week in het weekend van 9.30 uur tot 17.00 uur. Deze omgangsregeling dient (nog steeds) te worden nagekomen door beide partijen, maar dat gebeurt op dit moment niet. De vrouw heeft aangegeven dat zij alleen begeleide omgang, aldus in haar aanwezigheid, wil toestaan. De rechtbank ziet echter geen gronden voor wijziging van de reeds bepaalde omgangsregeling in voormeld kort geding vonnis. Zoals de Raad ook naar voren heeft gebracht, is de man geen vreemde voor [minderjarige] , ondanks dat zij elkaar in de afgelopen maanden niet hebben gezien. De Raad ziet veel weerstand bij de moeder. [minderjarige] moet de vrijheid hebben om ook loyaal te kunnen zijn aan zijn vader. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij niet wordt belast met de negatieve verhouding tussen de ouders. De rechtbank verduidelijkt hierbij dan ook dat deze omgangsregeling dient plaats te vinden zonder aanwezigheid van de vrouw daarbij. 3.21 Om het concreter te maken zal de rechtbank bepalen dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot onbegeleide omgang - dus ook zonder de moeder er bij - met elkaar elke week op zaterdag van 09.30 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt op het huisadres van de vrouw (in [woonplaats 2] ) en de man [minderjarige] daar ook weer terugbrengt. De rechtbank verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. De rechtbank vindt het op dit moment nog te vroeg om een uitbreiding van de omgangsregeling en een verdeling van de vakanties te bepalen. De rechtbank merkt op dat partijen in onderling overleg met wederzijdse instemming andere of nadere afspraken hierover mogen maken en dat een verdere opbouw van de omgangsregeling daarnaast kan plaatsvinden in het kader van het (jeugd)hulpverleningstraject binnen het uniform hulpaanbod. 3.22 Dit leidt tot de volgende beslissing. 4 De beslissing De rechtbank 4.1 erkent het vaderschap van de man over [minderjarige] en verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023; 4.2 bepaalt dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot onbegeleide omgang - dus ook zonder de moeder er bij - met elkaar elke week op zaterdag van 09.30 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt op het huisadres van de vrouw (in [woonplaats 2] ) en de man [minderjarige] daar ook weer terugbrengt; 4.3. verklaart de beslissing onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad; 4.4 beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd; 4.5 houdt iedere verdere beslissing op de verzoeken van de man onder II en III aan tot 11 juni 2026 pro forma in afwachting van de rapportage over het verloop van het (jeugd)hulptraject van het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West; 4.6 behoudt zich iedere verdere beslissing voor. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. Van Gessel, rechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.