Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:1499
Civiel recht
Rekestprocedure
3,627 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1499 text/xml public 2026-03-13T14:23:32 2026-03-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-05 C/02/440443 / FA RK 25-5095 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1499 text/html public 2026-03-12T13:24:08 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1499 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-02-2026 / C/02/440443 / FA RK 25-5095 Vaststelling regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/440443 / FA RK 25-5095 datum uitspraak: 5 februari 2026 beschikking betreffende wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. A.J. Fakiri, tegen [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer, over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2022, hierna: [minderjarige 1] , - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2023, hierna: [minderjarige 2] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming , Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1. In het dossier bevinden zich de volgende stukken: - het op 2 oktober 2025 ontvangen verzoek met 5 bijlagen; - de op 6 januari 2026 ontvangen brief houdende wijziging verzoek; - het op 14 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek; - het F9-formulier van mr. Fakiri van 29 januari 2026; - het F9-formulier van mr. Kouijzer van 29 januari 2026. 1.2. De verzoeken zijn op zitting geweest op 21 januari 2026. Bij die zitting zijn verschenen partijen, ieder bijgestaan door hun advocaat. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn de nu nog minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. 2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw. 2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 november 2024 heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – aan de man toestemming verleend – welke de toestemming van de vrouw vervangt – tot de erkenning van [minderjarige 2] . Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat – onder de voorwaarde dat de man ook [minderjarige 2] heeft erkend en zij dus in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan – dat voortaan aan de man en de vrouw gezamenlijk gezag zal toekomen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere zondag van 12.00 uur tot 20.00 uur, waarbij de man de minderjarigen zal halen en terugbrengen. 2.4. De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit. 3 De verzoeken 3.1. De man verzocht inleidend, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om: 1. de bestaande zorg- en contactregeling te wijzigen, in die zin dat de man gerechtigd is tot het hebben van contact met de minderjarigen volgens het volgende schema: - in de oneven weken: omgang van vrijdag 18.00 uur tot zaterdag 19.00 uur, inclusief overnachting; - in de even weken: omgang op zaterdag van 12.00 uur tot 19.00 uur, inclusief overnachting. 3.2. De man verzoekt nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om: 1. de bestaande zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de man gerechtigd is tot omgang met de minderjarigen volgens het volgende schema: - de man heeft eenmaal per veertien dagen omgang met de minderjarigen, te weten van vrijdag om 18.00 uur tot zaterdag om 19.00 uur; 3.3. De man verzocht inleidend, maar ook nader, om: 2. te bepalen dat, indien de vrouw niet meewerkt aan deze zorgregeling, zij een dwangsom verbeurt van € 100,= per keer dat zij niet meewerkt, met een maximum van € 25.000,=; 3. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, indien en voor zover de rechtbank dat billijk acht. 3.4. De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen. De vrouw verzoekt zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om: 1. de bestaande zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de man gerechtigd en gehouden is tot omgang met de minderjarigen volgens het volgende schema: De man draagt eenmaal per veertien dagen zorg voor de minderjarigen vanaf vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur en gedurende de helft van alle schoolvakanties, althans een zorgregeling vast te stellen in goede justitie en passend bij de minderjarigen; 2. te bepalen dat indien de man deze zorgregeling niet nakomt, hij een dwangsom verbeurt van € 100,= per keer dat hij niet meewerkt, met een maximum van € 25.000,=. 3.5. Op de standpunten van alle betrokkenen en het advies van de Raad wordt, voor zover nodig om het de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag, zoals over de zorg- en contactregeling, op verzoek van ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. 4.2. In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing. 4.3. In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders een bestaande zorg- en contactregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. 4.4. Partijen geven beiden aan dat de huidige zorg- en contactregeling wegens verschillende oorzaken niet naar behoren verloopt. De rechtbank oordeelt dat dit een relevante gewijzigde omstandigheid is en dat partijen in hun verzoeken kunnen worden ontvangen. 4.5. In artikel 1:253a BW staat dat de rechter een beslissing moet nemen die zij het meest in het belang vindt van een kind. 4.6. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). Ter zitting zijn de verzoeken uitgebreid met partijen besproken. Bij die gelegenheid zijn partijen alsnog tot verregaande overeenstemming kunnen komen. Zij hebben over de zorg- en contactregeling de navolgende afspraken met elkaar gemaakt: - De man en de minderjarigen zullen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur in de even weken; Daarnaast zijn de man en de minderjarigen gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar: • Tijdens de zomervakantie van 2026 gedurende één week bij de man, te weten de week van 18 tot en met 25 juli 2026, aansluitend aan de reguliere regeling; • Tijdens de herfstvakantie van 2026 gedurende twee dagen, aansluitend aan de reguliere regeling; Met de Raad acht de rechtbank deze overeengekomen regeling in het belang van de minderjarigen. 4.7. Partijen waren – ook na een korte schorsing van de zitting – verdeeld gebleven over het halen en brengen van de minderjarigen. Gebleken is dat op dit moment de man alleen zorg draagt voor het halen en brengen van de kinderen. 4.8. De man heeft op zitting verzocht om de vrouw ook een bijdrage te laten leveren in het halen en brengen van de minderjarigen, gelet op de kosten en de tijd die ermee gemoeid gaan. De man stelt voor dat de vrouw de kinderen voortaan in elk geval op de zondagen zal ophalen op het station [plaats] . 4.9. De vrouw wil primair vasthouden aan de huidige haal- en brengregeling waarbij de man deze taak in zijn geheel op zich blijft nemen omdat dit destijds zo is afgesproken. Hierbij komt, aldus de vrouw, dat zij geen geschikte (eigen) auto heeft, zij over beperkte financiële middelen beschikt en de man het niet zo nauw neemt met de afgesproken tijden.
Volledig
Uiterst subsidiair verzoekt de vrouw daarom te bepalen dat zij voortaan de kinderen op zondag om 18.00 uur zal ophalen op het station [plaats] , zoals voorgesteld door de man. 4.10. De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw als mede gezagdragende ouder ook verwacht mag worden dat zij een bijdrage levert aan het halen en brengen van de minderjarigen. Indien ieder van de ouders hieraan een bijdrage levert, laat dat aan de kinderen ook zien dat zij beiden het contact van de kinderen met de andere ouder ondersteunen. De rechtbank gaat daarom mee in het voorstel van de man, dat de vrouw de kinderen voortaan op het station [plaats] zal ophalen. De vrouw heeft daarbij de keuze of zij dan met de trein of een auto daarnaartoe zal reizen. Met partijen is op zitting afgesproken, dat de man in elk geval de vrouw zal bellen of appen wanneer hij door file vertraagd is. 4.11. Tot slot waren partijen verdeeld gebleven over de verdeling van de kerstvakantie. De man kon in verband met zijn werk op zitting niet aangeven of de kinderen, naast beide kerstdagen – waarover partijen het eens zijn – nog een paar dagen langer bij hem zouden kunnen zijn. Indien dat het geval zou zijn, dan doet de man op zitting het voorstel om de kinderen aansluitend aan beide kerstdagen, bijvoorbeeld nog twee dagen, bij hem te laten verblijven. De rechtbank heeft de man de gelegenheid gegeven om haar uiterlijk binnen één week na afloop van de zitting te berichten welke mogelijkheden hij in dit verband heeft. 4.12. Na afloop van de zitting heeft de man laten weten dat overleg met zijn werkgever hem inmiddels heeft uitgewezen dat hij gedurende de kerstvakantie de kinderen uitsluitend op de eerste en tweede kerstdag bij zich kan hebben. 4.13. In reactie op het nagekomen bericht van de man over de kerstvakantie, laat de vrouw weten, dat zij het aantal dagen dat de man met zijn kinderen de kerstvakantie wil doorbrengen zeer minimaal acht. De vrouw wijst erop dat de man op zitting heeft aangegeven over negentien vakantiedagen te beschikken. Bij een fulltime werkweek heeft de man recht op twintig dagen. Dat zo zijnde meent de vrouw dat de man tijdens de kerstvakantie, naast de kerstdagen, de kinderen drie dagen zou moeten kunnen opvangen. Wat de vrouw betreft kunnen deze (naar keuze van de man) direct vooraf of direct aansluitend aan de kerstdagen plaatsvinden. 4.14. De rechtbank kan de vrouw volgen in haar stelling dat het aantal dagen dat de man de kinderen tijdens de vakanties opvangt vrij minimaal is. De rechtbank is van oordeel dat van de man in dat opzicht een grotere bijdrage mag worden verwacht. Zij zal daarom bepalen dat de man de kinderen aansluitend aan beide kerstdagen nog drie dagen bij hem zal gaan hebben. Mocht het de man in verband met zijn werk of anderszins onverhoopt niet gaan lukken om de kinderen de drie dagen na Kerst ook bij zich te hebben dan ligt het op zijn weg om dan te zorgen voor een goede opvang van de kinderen. 4.15. Gelet op het voorgaande liggen de verzoeken van partijen als na te melden voor toewijzing gereed, met dien verstande dat de rechtbank, gelet op de verregaande overeenstemming tussen partijen, onvoldoende aanleiding ziet om daaraan een dwangsom te verbinden. In zoverre zullen die verzoeken van partijen worden afgewezen. De rechtbank gaat er bij de vast te stellen regeling vanuit, dat de vakantieregeling in elk geval zal gelden voor het jaar 2026 en dat partijen in de komende periode alsnog zullen werken aan de totstandkoming van een ouderschapsplan voor de jaren daarna. Met de Raad acht de rechtbank de totstandkoming van dat plan zeer in het belang van de kinderen. De rechtbank geeft partijen daartoe nadrukkelijk in overweging om zo spoedig mogelijk te beginnen met een ouderschapsbemiddelingstraject dan wel met een vergelijkbaar traject. 4.16. De rechtbank gaat er verder vanuit dat – zoals op zitting met de vrouw is afgesproken – zij de man eenmaal per twee maanden schriftelijk over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal informeren over belangrijke ontwikkelingen hen betreffende. Dit met ingang van 1 februari 2026. 4.17. De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals ook is verzocht door partijen. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. 4.18. Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun twee kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen. 5 De beslissing De rechtbank bepaalt – onder de wijziging van de beschikking van 5 november 2024 – dat de man en de minderjarigen - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2022, - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2023, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar • eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur in de even weken, waarbij de man de minderjarigen zal ophalen bij de vrouw en de vrouw de minderjarigen op de zondagen te 18.00 uur zal ophalen op het station [plaats] ; • tijdens de zomervakantie van 2026 gedurende één week bij de man, te weten in de week van 18 tot en met 25 juli 2026, aansluitend aan de reguliere regeling; • tijdens de herfstvakantie van 2026 gedurende twee dagen aansluitend aan de reguliere regeling; • tijdens de 1e en 2e Kerstdag, en aansluitend gedurende de daaropvolgende drie dagen in 2026, zulks met inachtneming van hetgeen onder 4.10 en 4.15 is overwogen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.