Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:1497
Civiel recht
Rekestprocedure
2,041 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1497 text/xml public 2026-03-13T14:25:32 2026-03-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-05 C/02/441734 / JE RK 25-1990 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1497 text/html public 2026-03-12T14:24:14 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1497 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-02-2026 / C/02/441734 / JE RK 25-1990 Afwijzen resterende gedeelte van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/441734 / JE RK 25-1990 Datum uitspraak: 5 februari 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. P.J.B. Dekker uit Goirle, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren uit Gilze. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van 15 december 2025 en de daarin genoemde stukken; de brief van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 november 2025. 1.2. Op 22 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: de vader met zijn advocaat; de advocaat van de moeder; - een vertegenwoordiger van de Raad; - twee vertegenwoordigers van de GI. 1.3. Hoewel de moeder correct is opgeroepen, is zij niet op de zitting verschenen. Van de advocaat van de moeder heeft de kinderrechter vernomen dat de moeder met [minderjarige] naar de Spoedeisende Hulp moest gaan en niet naar de rechtbank zal komen. De moeder vindt het belangrijk dat de zaak nu wel op zitting wordt behandeld. De kinderrechter heeft besloten de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de moeder. 1.4. Het verzoek van de GI in deze zaak hangt nauw samen met haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling in de zaak met kenmerk C/02/443921 / JE RK 26-55 en het verzoek van de vader tot verkrijging van het gezamenlijk gezag in de zaak met kenmerk C/02/387281 / FA RK 21-3149. Daarom zijn deze verzoeken gelijktijdig op een zitting behandeld. Op het verzoek van de GI tot vaststelling van een omgangsregeling en het verzoek van de vader over het gezag wordt in afzonderlijke beschikkingen beslist. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] woont bij zijn moeder. 2.3. De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 26 februari 2026 en de beslissing over het resterende deel van het verzoek aangehouden. [minderjarige] is sinds 26 juni 2024 onder toezicht van de GI gesteld. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen, nu nog voor de duur van vier maanden, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. In de brief van 21 november 2025 heeft de GI aan het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling een voorwaarde verbonden. Deze voorwaarde hangt samen met de beslissing van de rechtbank op het verzoek van de vader tot toekenning van het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De GI heeft in de brief van 21 november 2025 en ook op de zitting kenbaar gemaakt dat zij zorgen heeft wanneer de ouders van [minderjarige] samen het gezag hebben. De GI voorziet dat de ouders niet in staat zullen zijn om samen invulling te geven aan het gezag en de verdeling van de zorg met betrekking tot [minderjarige] . Daarom verzoekt de GI de ondertoezichtstelling met nog vier maanden te verlengen indien de rechtbank zou beslissen dat ook de vader het gezag krijgt over [minderjarige] . Indien de rechtbank mocht beslissen om het verzoek van de vader voor het gezamenlijk gezag af te wijzen, dan is er geen grond meer voor een ondertoezichtstelling en trekt de GI haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in. De GI heeft het vertrouwen dat de hulpverlening dan verder in het vrijwillig kader kan plaatsvinden. De moeder ondersteunt namelijk het contact tussen [minderjarige] en de vader, als dit in het tempo van [minderjarige] gaat. De GI zal de hulpverlening aan [minderjarige] en de ouders op zorgvuldige wijze overdragen aan de Toegang van de gemeente [geboorteplaats] . Vanuit de Toegang zal dan een procesregisseur worden aangesteld die in het vrijwillig kader erop zal toezien dat het traject bij Foliant blijft doorlopen, ondanks het einde van de ondertoezichtstelling. 4.2. Namens de moeder is naar voren gebracht dat zij instemt met het verzoek van de GI en de daaraan verbonden voorwaarde. Zolang niet duidelijk is of de vader samen met haar het gezag zal verkrijgen over [minderjarige] , is een ondertoezichtstelling noodzakelijk. Op het moment dat het verzoek van de vader over het gezag wordt afgewezen, heeft het de voorkeur van de vrouw dat het verlengingsverzoek door de GI wordt ingetrokken. 4.3. Door en namens de vader is aangevoerd dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De vader kan niet instemmen met een intrekking van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, omdat er nog steeds wantrouwen is tussen partijen. Onder toezicht van de GI moet gewerkt worden aan het wegnemen van het wantrouwen tussen de ouders van [minderjarige] . In de zaak met kenmerk C/02/387281 / FA RK 21-3149 handhaaft de vader zijn verzoek om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarige] . 5 De beoordeling 5.1. Bij beschikking van 5 februari 2026 in de zaak met kenmerk C/02/387281 / FA RK 21-3149 beslist de rechtbank dat het verzoek van de vader tot verkrijging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] wordt afgewezen, om de redenen zoals in die beschikking zijn vermeld. Dit betekent dat niet voldaan is aan de voorwaarde die de GI heeft verbonden aan het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, zodat dit verzoek als ingetrokken moet worden beschouwd, nu het verzoek van de vader in de gezagskwestie wordt afgewezen. 5.2. Omdat het verzoek is ingetrokken, is er geen belang meer bij een nadere beoordeling ervan. Gelet hierop zal de kinderrechter het verzoek afwijzen. 5.3. Het hiervoor staande heeft tot gevolg dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] eindigt per 26 februari 2026. De kinderrechter benadrukt dat de GI op de zitting heeft toegezegd dat de hulpverlening aan [minderjarige] en de ouders bij een einde van de ondertoezichtstelling op zorgvuldige wijze zal overdragen aan de Toegang van de gemeente [geboorteplaats] . Vanuit de Toegang zal dan een procesregisseur worden aangesteld die in het vrijwillig kader erop zal toezien dat de hulpverlening voor [minderjarige] en de ouders vanuit Foliant blijft doorlopen, ondanks het einde van de ondertoezichtstelling. 6 De beslissing De kinderrechter: wijst het resterende gedeelte van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling af. Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.