Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:1493
Civiel recht
Rekestprocedure
4,072 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1493 text/xml public 2026-03-13T14:14:03 2026-03-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-04 C/02/443594 / JE RK 25-2345 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1493 text/html public 2026-03-12T11:09:34 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1493 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-02-2026 / C/02/443594 / JE RK 25-2345 Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en toetsing perspectiefbesluit RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443594 / JE RK 25-2345 Datum uitspraak: 4 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. H. van Asselt uit Roosendaal, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. N. van Vliet uit Breda, Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 december 2025; de op 3 februari 2026 ontvangen brief van mr. Van Vliet met bijlage. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; - mr. Van Asselt; - een vertegenwoordiger van de Raad; - een vertegenwoordiger van de GI. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft in een pleeggezin. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 13 mei 2026. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter ook een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 13 februari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 13 mei 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook heeft de GI de kinderrechter gevraagd het genomen perspectiefbesluit te toetsen. 4 De standpunten De GI 4.1. Namens de GI wordt aangevoerd dat [minderjarige] sinds mei 2025 in het huidige pleeggezin verblijft. Hij ontwikkelt zich hier goed en volgt netjes de groeicurve. [minderjarige] heeft de eerste weken na zijn geboorte in het ziekenhuis verbleven, vervolgens bij de opa en oma, gevolgd door een verblijf in een crisispleeggezin en sinds mei 2025 in het huidige pleeggezin. Hoewel het huidige pleeggezin eigenlijk een crisispleeggezin betreft, hebben de pleegouders aangegeven [minderjarige] een toekomst te willen bieden. Tot op heden betreft het een geheime plaatsing voor de ouders en vindt het contact tussen de ouders en [minderjarige] plaats op het kantoor van de GI. De afgelopen maanden heeft de GI ingezet op trajecten voor beide ouders afzonderlijk om duidelijkheid te verkrijgen over welke rol de ouders kunnen spelen in het leven van [minderjarige] . 4.2. De moeder komt de afspraken met de hulpverlening niet na. Zij is langere periodes niet bereikbaar voor de GI en er zijn ernstige zorgen over haar psychisch welzijn en middelengebruik. Tijdens begeleide bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] wordt gezien dat de moeder verward en achterdochtig is en last heeft van wanen. De GI acht het op dit moment niet mogelijk dat de moeder de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich neemt. Zij is onvoldoende betrouwbaar en beschikbaar als opvoeder van [minderjarige] . 4.3. Ten aanzien van de vader heeft de GI tot twee keer toe geprobeerd te komen tot een vader-kindopname bij [accommodatie] . Hiervoor zijn duidelijke voorwaarden aan de vader gesteld, maar de vader heeft aan geen van deze voorwaarden voldaan waardoor het niet tot een opname is gekomen. Hoewel de vader aangeeft voor [minderjarige] te willen zorgen, lukt het hem niet aan de voorwaarden gesteld door de GI te voldoen en worden ook de bezoekmomenten met [minderjarige] niet altijd nagekomen. Het contact tussen de ouders is sinds oktober 2025 verbroken en de vader heeft sindsdien een stabiele relatie met zijn huidige partner, maar ook dat heeft er niet toe geleid dat de vader de bezoekafspraken met [minderjarige] structureel nakomt. De GI heeft de vader meerdere keren aangesproken op zijn verantwoordelijkheid, maar het lukt de vader niet om aan de voorwaarden te voldoen en gemaakte afspraken na te komen. 4.4. Bij beschikking van 9 mei 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat binnen een periode van negen maanden het perspectief van [persoon] dient te worden bepaald. Volgens de GI is de aanvaarbare termijn van [minderjarige] , mede gelet op zijn zeer jonge leeftijd, inmiddels verstreken. De GI heeft op 9 oktober 2025 intern een perspectiefbesluit genomen en met beide ouders afzonderlijk op 12 november 2025 besproken. 4.5. De GI stelt dat de zorgen over de gemoedstoestand van de moeder, haar psychotische gedrag en het middelengebruik dermate groot zijn dat een traject richting thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet mogelijk is. De moeder heeft eerder ook zelf aangegeven dat zij de zorg over [minderjarige] niet op zich kan nemen. Bij de vader ontbreekt het aan rust en stabiliteit in zijn eigen leven waardoor een ouder-kindtraject bij [accommodatie] niet kan starten. De afgelopen maanden is het de vader niet gelukt, ondanks de ondersteuning en sturing vanuit de betrokken hulpverlening, voldoende positieve stappen te zetten. De zorgen over het persoonlijk functioneren van de vader zijn toegenomen en de opvoedsituatie bij de vader is instabiel, onveilig en onvoldoende voorspelbaar. De GI stelt dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de vader is gelegen. 4.6. De plaatsing in het pleeggezin biedt [minderjarige] de rust, structuur en veiligheid die hij nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen. Het is in het belang van [minderjarige] dat duidelijk is dat zijn perspectief in het pleeggezin is gelegen. Deze duidelijkheid zal van positieve invloed zijn op de hechtingsrelatie tussen [minderjarige] en pleegouders. De GI zal het contact met de ouders zorgvuldig en begeleid gaan vormgegeven, afhankelijk van de belastbaarheid en het gedrag van de ouders. De vader 4.7. Door en namens de vader wordt aangevoerd dat hij het fijn vindt dat het zo goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin. Hij maakt dan ook geen bezwaar tegen het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. 4.8. De vader kan zich niet verenigen met het door de GI genomen perspectiefbesluit. Hij wil meer tijd krijgen om te laten zien dat hij een opvoedrol kan spelen in het leven van [minderjarige] . Het door de GI overlegde plan van aanpak is verouderd en ziet op de situatie begin 2025. Wat daarna nog is gebeurd en ingezet door de GI blijkt uit de brief van de GI met betrekking tot het perspectiefbesluit. De vader erkent dat hij fouten heeft gemaakt, maar hij heeft niet alles fout gedaan. Hij heeft lange tijd UC’s laten afnemen en ontkent dat hij drugs heeft gebruikt. Inmiddels is de vader weer gestart met de afname van UC’s en heeft hij een stabiele relatie. De vader is recent zijn woning kwijt geraakt en is druk bezig met het verkrijgen van een nieuwe woning. De vader heeft tijdens de bezoekmomenten laten zien dat hij een betrokken en liefdevolle vader is voor [minderjarige] .
Volledig
In het kader van de perspectiefbepaling moet ook gekeken worden naar de mogelijkheden voor uitbreiding van het contact. Het klopt dat de vader niet altijd de afspraken rondom het contact is nagekomen, maar hierbij was geen sprake van onwil maar van onmacht. De vader staat nog altijd open voor een opname binnen een vader-kindtraject bij [accommodatie] . Hij is dan ook van mening dat het perspectiefbesluit te vroeg is genomen en dat de tijd die er nog is door de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing benut moet worden om te onderzoeken wat de mogelijkheden van de vader zijn. Het contact met de moeder is inmiddels volledig verbroken en dit zorgt voor rust. De situatie van de vader is dan ook gewijzigd; er is rust en hij heeft een nieuwe, stabiele relatie. Dit maakt dat het de vader op dit moment wel lukt om aan de voorwaarden te voldoen. Het perspectiefbesluit zoals nu is genomen, is onvoldoende zorgvuldig onderbouwd. Uit de stukken blijkt niet dat het niet vaststellen van het perspectief van [minderjarige] op dit moment schadelijk is voor [minderjarige] . De moeder 4.9. Mr. Van Asselt heeft aangegeven dat het hem niet gelukt is om in contact te komen met de moeder. Gezien wordt dat het goed gaat in het pleeggezin met [minderjarige] . De moeder wil haar gezag graag behouden en spreekt de wens uit om in de toekomst zelf voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Mr. Van Asselt gaat namens de moeder akkoord met het verzoek van de GI. De Raad 4.10. Namens de Raad wordt aangevoerd dat ten tijde van het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in mei 2025 door de Raad is aangegeven dat binnen negen maanden het perspectief van [minderjarige] duidelijk moet zijn en dit is door de rechtbank overgenomen. De GI is voortvarend te werk gegaan en heeft voorwaarden gesteld aan beide ouders, maar door de ouders is niet aan de voorwaarden voldaan. Volgens de vader is zijn situatie gewijzigd, aangezien hij sinds oktober 2025 het contact met de moeder volledig heeft verbroken en sindsdien een nieuwe stabiele relatie heeft. Ondanks de rust die er volgens de vader sindsdien is ontstaan, lukt het hem niet om de bezoekmomenten met [minderjarige] structureel na te komen. De Raad heeft er geen vertrouwen in dat de huidige situatie binnen korte termijn ten positieve zal veranderen. De Raad ondersteunt dan ook het perspectiefbesluit dat door de GI is genomen. Gelet op de nog zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is het van belang dat er snel duidelijkheid komt over de plek waar hij zal opgroeien. De GI moet zich wel blijven inspannen om de ouders te blijven betrekken. 5 De beoordeling Perspectiefbesluit 5.1. De GI heeft op 9 oktober 2025 intern een perspectiefbesluit genomen, welk besluit op 12 november 2025 met de ouders is besproken en nadien nog in een brief aan de ouders is toegelicht. De GI heeft te kennen gegeven dat zij vindt dat [minderjarige] niet bij de ouders kan opgroeien en dat het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin ligt. De GI vraagt aan de kinderrechter om dit perspectiefbesluit te onderschrijven. 5.2. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsingang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In dit arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen indien dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. Dit is in dit geval aan de orde bij de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Hierna zal dan ook worden overgegaan tot het beoordelen van het perspectiefbesluit. 5.3. Uit de stukken en wat op de zitting is besproken blijkt het volgende. [minderjarige] heeft na zijn geboorte enkele weken in het ziekenhuis verbleven, gevolgd door een plaatsing bij de opa en oma en een verblijf in een crisispleeggezin. Sinds mei 2025 verblijft [minderjarige] in het huidige pleeggezin. De zorgen over de thuissituaties en opvoedingscapaciteiten van de ouders zijn nog onverminderd aanwezig. Vanwege hun eigen problematiek zijn zij niet in staat [minderjarige] de verzorging en veiligheid te bieden die hij nodig heeft. De ouders hebben door middel van de inzet van intensieve hulpverlening de kans gekregen om de zorgen weg te nemen en een voldoende veilige thuissituatie voor [minderjarige] te creëren, maar zijn daar niet in geslaagd. De moeder heeft richting de GI uitgesproken dat zij kan begrijpen dat [minderjarige] in deze situatie niet bij haar kan opgroeien. De kinderrechter stelt vast dat de moeder onvoldoende bereikbaar is voor de GI, hulpverlening ten aanzien van haar middelengebruik niet van de grond komt en er grote zorgen zijn over haar psychisch welzijn. Dit maakt dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder is gelegen. De vader toont tijdens de bezoeken met [minderjarige] liefde en betrokkenheid. De bezoeken met [minderjarige] gaan echter regelmatig niet door en ook de aangepaste bezoekregeling van één keer in de drie weken kan de vader niet altijd tijdig nakomen. De vader is twee keer het aanbod gedaan voor een vader-kindopname bij [accommodatie] . Hieraan zijn door [accommodatie] voorwaarden gekoppeld en het is de vader niet gelukt om ook maar aan één van de voorwaarden te voldoen. Hij heeft niet steeds meegewerkt aan UC's waardoor niet kan worden vastgesteld dat vader geen middelen meer gebruik. Ook is hij weer in contact gekomen met politie en justitie en lukt het hem onvoldoende om zich aan de afgesproken bezoekmomenten (een keer per drie weken) te houden. 5.4 Gelet op het voorgaande overweegt de kinderrechter dat het de ouders niet lukt om aan de voorwaarden zoals gesteld door de GI te voldoen, waardoor de benodigde hulpverlening niet van de grond komt en er geen danwel onvoldoende zicht is op de opvoedingscapaciteiten van beide ouders. De rechtbank ziet dat de ouders grote moeite hebben om zich aan gemaakte afspraken te houden en om een voldoende veilige en stabiele opvoedingssituatie voor [minderjarige] te creëren. De kinderrechter verwacht ook niet dat dit binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn anders zal zijn. 5.5. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en de belangrijke hechtingsfase waarin hij zich thans bevindt, kan [minderjarige] niet langer wachten om zich aan vaste opvoeders te gaan hechten. Hij kan niet wachten totdat de vader zijn leven voldoende op orde heeft om de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De kinderrechter is van oordeel dat de aanvaardbare termijn waarin [minderjarige] in onzekerheid kan verkeren over zijn opgroeiperspectief reeds is verstreken. De kinderrechter onderschrijft dan ook het perspectiefbesluit, in die zin dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet langer bij zijn ouders ligt, maar in het pleeggezin waar hij nu verblijft. [minderjarige] moet zich veilig kunnen hechten aan zijn pleegouders en de pleegouders moeten ook weten waar zij aan toe zijn. 5.6. Het voorgaande neemt niet weg dat het van groot belang is dat de ouders een rol in het leven van [minderjarige] blijven spelen. Zij zullen altijd de ouders van [minderjarige] blijven en het is daarom van belang dat [minderjarige] structureel en constructief contact met de ouders kan blijven houden. De kinderrechter gaat er vanuit dat alle betrokkenen zich daarvoor zullen (blijven) inzetten. Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing 5.7. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. 5.8. Zoals hiervoor is overwogen, ligt het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de ouders. [minderjarige] kan niet terug worden geplaatst bij de ouders, omdat zij hem niet de opvoedingsomgeving kunnen bieden die hij nodig heeft. [minderjarige] woont inmiddels geruime tijd in het pleeggezin en ontwikkelt zich daar goed. 5.9.