Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:1460
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/1400 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V. uit [plaats 1] , eiseres (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge (gemachtigde: mr. N. Niederer). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [stichting] uit [plaats 2] ( [stichting] ). (gemachtigde: mr. D. Delibes) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [BV 1] De omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu en bouwen voor de inrichting aan [adres] is geweigerd op basis van de Wet Bibob. Eiseres is de rechtsopvolger van [BV 1] Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning mocht weigeren, omdat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het legaliseren van een gewijzigde bedrijfssituatie bij een inrichting aan [adres] . Het college heeft deze aanvraag met een conceptbesluit vanaf 9 maart 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Met het bestreden besluit van 19 december 2023 heeft het college de aanvraag definitief geweigerd. Omdat het besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), staat tegen dit besluit rechtstreeks beroep open. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [stichting] heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.2. Op 28 november 2024 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank besloten beperking van de kennisneming toe te staan voor het (aanvullend) Bibob-advies en de besluiten waaruit strafrechtelijke gegevens blijken. Op 11 september 2025 is besloten ook beperking van de kennisneming toe te staan van het niet-geanonimiseerde verweerschrift. Eiseres en [stichting] hebben toestemming gegeven om deze documenten bij de oordeelsvorming te betrekken. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en [persoon 1] namens eiseres en de gemachtigde van het college samen met [inspecteur] (inspecteur). Voor [stichting] waren [persoon 2] en de gemachtigde van [stichting] aanwezig. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres het beroep ingetrokken voor zover het was ingediend namens [persoon 1] en [BV 2] Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Op 18 december 2019 heeft [BV 1] , de rechtsvoorganger van eiseres, een omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu en bouwen aangevraagd wegens een gewijzigde bedrijfssituatie. Het gaat om het aanpassen van stalsystemen en dierenaantallen. 3.1. Het college heeft in het kader van de vergunningverlening een advies aangevraagd bij het landelijk bureau Bibob. Op 19 mei 2021 ontvangt hij een advies, dat op 31 augustus 2021 wordt aangevuld. 3.2. Op 1 maart 2023 stelt het college een ontwerpbesluit vast, waarin hij het voornemen bekendmaakt om de vergunning te weigeren op basis van de Wet Bibob. Verschillende partijen, waaronder eiseres, dienen een zienswijze in. 3.3. Gedurende dit traject vinden er bij de betreffende inrichting controles plaats en worden lasten onder dwangsom opgelegd, omdat de inrichting niet voldoet aan de geldende vergunning. 3.4. Op 19 december 2023 weigert het college de gevraagde vergunning. Toetsingskader 4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgev Niet is vereist dat de strafbare feiten moeten zijn begaan bij dezelfde inrichting om deze te mogen betrekken bij het vaststellen van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. De vergunning is niet alleen geweigerd om te voorkomen dat uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen worden benut (a-grond), maar ook om te voorkomen dat nieuwe strafbare feiten worden gepleegd (b-grond). Het college heeft daarom ook de overtredingen van andere locaties waarbij [persoon 3] betrokken is, inclusief locaties in Duitsland, bij de beoordeling van het gevaar mogen betrekken en die overtredingen ook aan eiseres kunnen tegenwerpen op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob. 5.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op basis van de strafbare feiten van [persoon 3] , eiseres, [BV 1] en [persoon 1] kunnen concluderen dat er sprake is van een ernstig gevaar voor nieuwe strafbare feiten. Het college mocht nog steeds uitgaan van een zakelijk samenwerkingsverband en heeft in de gewijzigde structuur geen aanleiding hoeven zien om een zodanig verminderde mate van gevaar aan te nemen dat de vergunning niet meer geweigerd kon worden. 5.6. Voor zover de structuur op 30 december 2024 weer gewijzigd is, kan de rechtbank dat niet meenemen in de beoordeling van het bestreden besluit, omdat de rechtbank moet toetsen aan de feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit. Mocht het college uitgaan van valsheid in geschrifte? 6. [persoon 1] heeft volgens eiseres geen weet gehad van de antecedenten die niet zijn opgenomen in het Bibob-vragenformulier. Er is dus sprake geweest van een fout en niet van valsheid in geschrifte. Er was immers geen opzet. 6.1. Het college wijst erop dat [persoon 1] op 22 augustus 2022 zelf bestuurder was van [BV 1] Op die datum heeft deze vennootschap een onherroepelijke strafbeschikking ontvangen. Het is onwaarschijnlijk dat hij hier niets van wist en sowieso had hij het horen te weten. Een vermoeden van valsheid in geschrifte is een zodanig ernstig feit dat dat weigering van de vergunning al rechtvaardigt. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat het college uit mocht gaan van het vermoeden van valsheid in geschrifte bij het invullen van het Bibob-vragenformulier. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat de bestuurder van [BV 1] niet op de hoogte was van een strafbeschikking die onder zijn bestuur aan de B.V. is opgelegd. Een vermoeden van opzet bij valsheid in geschrifte is op grond van artikel 3, zesde lid van de Wet Bibob voldoende om de vergunning te weigeren, nu dit formulier aan het verkrijgen van de vergunning ten grondslag ligt. Zitten er gebreken in het Bibob-advies? 7. Eiseres stelt dat er teveel is gekeken naar oude overtredingen van [persoon 3] . Deze zijn in het buitenland gepleegd door een persoon die nu geen bestuurder meer is van het bedrijf dat de vergunning aanvraagt. Het college heeft teveel gewicht toegekend aan deze overtredingen. 7.1. [stichting] wijst erop dat zolang justitiële registraties zijn vermeld, het bestuursorgaan die bij de beoordeling mag betrekken. Ze verwijst naar eerdere uitspraken. Ze wijst er ook op dat er recentelijk overtredingen zijn geconstateerd bij eiseres en gerelateerde bedrijven in [plaats 3] en [plaats 4] . 7.2. Bij een belastend besluit als een weigering van een vergunning, rust de bewijslast of aan de voorwaarden voor die weigering is voldaan op het bestuursorgaan. Dat is in dit geval het college. Het college moet daarvoor de nodige kennis over de relevante feiten vergaren. Als hij daartoe relevante feiten aandraagt, is het vervolgens aan de vergunninghouder om die te betwisten en om die betwisting te onderbouwen. Het college mag gelet op de deskundigheid van het Bureau Bibob daarbij in beginsel van diens advies uitgaan. Dit neemt niet weg dat het zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat d Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.20 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, of in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld. 2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het tweede lid van overeenkomstige toepassing is op een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, waarvoor bij die maatregel is bepaald dat een omgevingsvergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Artikel 3 1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of b. strafbare feiten te plegen. 2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie en d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen. 3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven, b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie en d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten. 4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien: a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan. 5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met: a. de mate van het gevaar en b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.