Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-03
ECLI:NL:RBZWB:2026:1457
Civiel recht
Rekestprocedure
1,965 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1457 text/xml public 2026-03-13T14:04:02 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-03 C/02/444256 / JE RK 26-120 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1457 text/html public 2026-03-12T10:13:09 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1457 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-02-2026 / C/02/444256 / JE RK 26-120 Verlening MUHP, kind kan niet thuiswonen, wel OTS dus MUHP noodzakelijk. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444256 / JE RK 26-120 Datum uitspraak: 3 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. J.C. van den Doel te Zierikzee. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 22 januari 2026 en alle daarin vermelde stukken. 1.2. Op 3 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: de vader (via een online verbinding) de advocaat van de vader; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.3. [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken over het verzoek. 2 De feiten 2.1. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van 3 september 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 september 2024 en tot 3 juni 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 30 mei 2025 verlengd tot 3 juni 2026. 2.3. Bij beschikking van 11 februari 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 19 februari 2025 en tot 3 juni 2025. 2.4. Bij beschikking van 30 mei 2025, hersteld bij beschikking van 25 november 2025, 2.5. is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 3 juni 2025 en tot 3 december 2025. 2.6. Bij beschikking van 7 juli 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 7 juli 2025 en tot 7 oktober 2025. 2.7. Bij beschikking van 23 september 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 7 oktober 2025 en tot 18 november 2025. 2.8. Bij beschikking van 14 november 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 18 november 2025 en tot 7 januari 2026. 2.9. Bij beschikking van 22 januari 2026 is het verzoek van de GI om zonder voorafgaand horen van belanghebbende te beslissen op het verzoek van de GI afgewezen en is het verdere verzoek aangehouden tot de zitting van 3 februari 2026. 2.10. [minderjarige] verblijft accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt, onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI geeft aan dat [minderjarige] sinds 7 juli 2025 gesloten was geplaatst bij [accommodatie] was. De therapie van [minderjarige] bij [therapeut] is gestart op 26 augustus 2025. [minderjarige] liet veel zorgelijk gedrag zien bij [accommodatie] , waardoor hij wekelijks in de herstelkamer verbleef. [accommodatie] zag dat hij in de weerstand zat en het heel erg moeilijk vond om zijn kwetsbare kanten te laten zien. Het was echt heel erg belangrijk dat [minderjarige] een switch ging maken en alle hulp die er voor hem is aan ging nemen. Alleen dan zouden de opgestelde doelen behaald kunnen worden en dan zou er zicht komen op uitstroom bij de gesloten jeugdzorg. [minderjarige] is op 6 januari 2026 uitgestroomd uit [accommodatie] . Tijdens zijn gesloten plaatsing heeft [minderjarige] zich positief ontwikkeld: hij volgde zijn therapieën, werkte consequent aan zijn persoonlijke schema’s en toonde inzet binnen de groep. Zijn vrijheden werden gedurende zijn verblijf zorgvuldig opgebouwd, en [minderjarige] liet zien dat hij deze verantwoordelijkheid kon hanteren. Hij is regelmatig met verlof naar zijn vader gegaan en deze momenten zijn over het algemeen goed verlopen. Hoewel het contact met de vader tijdens het verlof positief verliep, is [minderjarige] altijd duidelijk geweest dat hij niet bij zijn vader wil wonen. Zijn wens was om na de gesloten plaatsing terug te keren naar het gezinshuis waar hij voor zijn opname verbleef. Vanwege eerdere incidenten en risico’s die in het verleden zijn gebleken, was het echter niet verantwoord om [minderjarige] direct volledig terug te laten keren naar het gezinshuis zonder aanvullende structuur en toezicht. Om tegemoet te komen aan zijn wens én tegelijkertijd de veiligheid te kunnen waarborgen, is gekozen voor een constructie waarbij [minderjarige] op een begeleid-wonen-appartement binnen [gezinshuis] kon gaan wonen. Sinds zijn uitstroom verblijft [minderjarige] op deze plek. Hij ontvangt daar dagelijks drie uur 1-op-1 begeleiding, volgt vijf dagen per week dagbesteding en staat onder duidelijke voorwaarden vanuit de jeugdreclassering. Om zijn veiligheid en ontwikkeling te ondersteunen, zijn strikte afspraken gemaakt waaraan [minderjarige] zich moet houden. Deze combinatie van intensieve begeleiding, vaste dagstructuur en toezicht is essentieel gebleken om de positieve lijn die bij [accommodatie] is ingezet, voort te zetten. De huidige situatie biedt [minderjarige] rust, veiligheid en duidelijkheid. De plek sluit aan bij zijn wensen én bij wat professionals nodig achten om verdere risico’s te beperken. Zonder juridische borging van deze woonplek bestaat het risico dat de zorgvuldig opgebouwde stabiliteit wegvalt. Dat zou onmiddellijk gevolgen hebben voor zijn veiligheid, voor de continuïteit van zijn begeleiding en voor de voortgang die hij de afgelopen periode heeft geboekt. De machtiging is nodig om de huidige veilige situatie te behouden, de ingezette behandeling en begeleiding te waarborgen en herhaling van eerdere onveilige situaties te voorkomen. [minderjarige] heeft de afgelopen periode hard gewerkt en laat zien dat hij met de juiste ondersteuning stappen kan zetten – het voortzetten van deze plek is essentieel om die lijn vast te houden. De GI voegt daar nog aan toe dat het heel goed gaat met [minderjarige] . Hij is aan het kijken naar opleidingen en heeft zelf een baantje geregeld. Bij [accommodatie] hield hij op het laatst afstand van ruzies en dat doet hij nu nog steeds. Dat is een goede ontwikkeling. 4.2. Namens en door de vader is aangegeven dat de vader het liefst zou willen dat [minderjarige] terug thuis komt wonen, maar beseft dat dit niet kan. [minderjarige] zit op zijn plek waar hij nu zit. De vader kan instemmen met het verzoek van de GI en hoopt dat [minderjarige] blijft laten zien dat hij ervoor gaat. 5 De verdere beoordeling Wettelijk kader 5.1.