Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-15
ECLI:NL:RBZWB:2026:142
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/8120 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. H.P.J.G. Berkers), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [woonplaats] (vergunninghoudster). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een door het college aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een twee-onder-een-kapwoning met twee garage-bergingen en 12 garageboxen aan [adres] in [woonplaats] . Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de door het college verleende omgevingsvergunning enkele gebreken vertoont en stelt het college in de gelegenheid deze gebreken te herstellen. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens het college zijn [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] verschenen. Vergunninghoudster is verschenen, samen met [de vader van vergunninghoudster]. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Op 28 december 2023 heeft vergunninghoudster bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. De bouwlocatie staat kadastraal bekend als [kadastrale gegevens], nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] . De oorspronkelijke woning op deze locatie is een aantal jaar geleden afgebrand. Het plan voorziet in de ontwikkeling van woningbouw op de percelen [nummer 1] en [nummer 2] aan [adres] . Aan de achterzijde, op het perceel [nummer 3] , worden de voorgestelde garageboxen gerealiseerd. Deze garages dienen als parkeergelegenheid op eigen terrein. De garageboxen die niet bij de woningen behoren, zijn bestemd voor verhuur. Aan de aanvraag is een ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. 3.1. Eisers wonen op [woonadres] in [woonplaats] , aangrenzend aan [adres] . 3.2. Het college heeft voor de beoordeling van de aanvraag de uniforme openbare voorbereidingsprocedure doorlopen. Dit betekent dat het bestuursorgaan een ontwerpbesluit over de vergunningsaanvraag neemt, waartegen zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. 3.3. Het college heeft een ontwerpbesluit opgesteld, welke vanaf 27 juni 2024 zes weken ter inzage heeft gelegen. In de periode van terinzagelegging zijn vijf zienswijzen ontvangen. 3.4. De ingediende zienswijzen hebben het college geen aanleiding gegeven om de omgevingsvergunning niet te verlenen. Wel is in de vergunning een aanvullende voorwaarde opgenomen, inhoudende dat bij de uitvoering van de werkzaamheden er gewerkt moet worden volgens het bomenprotocol ter bescherming van de op het perceel aanwezige waardevolle eikenboom. Met het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten: het bouwen van een bouwwerk; het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Wettelijk kader 4. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet leidt de rechtbank af dat het ou Omdat aan het bestreden besluit meer gebreken kleven, ziet de rechtbank vanuit het oogpunt van procesefficiëntie aanleiding om eerst de overige geschilpunten te bespreken. De gevolgen die aan dit gebrek en de overige gebreken worden verbonden, zullen aan het slot van deze uitspraak uiteengezet worden. Toetsingskader omgevingsvergunning 6. De Wabo kent in artikel 2.10, eerste lid, een verplicht toetsingskader voor de activiteit ‘bouwen’. Kort gezegd betekent dit dat het college moet toetsen of het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand. Indien er geen sprake is van strijd met één van deze weigeringsgronden moet het college de vergunning verlenen. Indien er zich één van deze weigeringsgronden voordoet, is het college in beginsel verplicht de omgevingsvergunning voor het bouwen te weigeren. 6.1. Het bestemmingsplan ‘ [het bestemmingsplan] ’ (hierna: het bestemmingsplan) is op 30 mei 2013 vastgesteld. In dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming ‘Wonen’ met de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat kamerverhuur niet is toegestaan. Omvang van het geding 7. Partijen zijn het erover eens dat het bouwplan niet voldoet aan het bestemmingsplan. Het beroep van eisers ziet alleen op de afwijking van het bestemmingsplan en niet op de overige weigeringsgronden van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. De rechtbank zal daarom enkel beoordelen of het college een omgevingsvergunning mocht verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen van de twee-onder-een-kapwoning met twee garage-bergingen en 12 garageboxen. Afwijken bestemmingsplan 8. Gevraagd wordt om een door brand vernielde woning te vervangen door een twee-onder-één-kapwoning, terwijl het aantal woningen volgens het bestemmingsplan niet mag worden vermeerderd. Daarnaast zijn de 12 garageboxen te beschouwen als afzonderlijke hoofdgebouwen. Deze garageboxen worden gebouwd buiten het bouwvlak en de zelfstandige garageboxen passen niet binnen de bestemmingsomschrijving ‘Wonen’. Verder bedraagt de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ongeveer 1 meter in plaats van minimaal 3 meter. 8.1. Als een aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan kan de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, aanhef en onder 3° van de Wabo slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft dat onderzocht en is op grond van de ruimtelijke onderbouwing tot de conclusie gekomen dat het een omgevingsvergunning wil verlenen voor de afwijking van het bestemmingsplan. Het college beschikt daarbij over beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. Het college stelt zich in dit geval op het standpunt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en heeft daarom de vergunning verleend. De rechtbank moet dit terughoudend toetsen en zal dat hieronder doen. Het gebruik van de garageboxen 9. Eisers stellen dat een afweging ontbreekt voor wat betreft de gevolgen en ruimtelijke aanvaardbaarheid ten aanzien van de garageboxen. Het gebruik hiervan is onduidelijk en ook niet begrensd door middel van voorschriften. Eisers vrezen daarom hinder of overlast te ervaren. 9.1. Het college heeft ten aanzien van de garageboxen gemotiveerd dat het perceel [adres] zeer diep is waardoor aan de achterzijde ruimte is voor een andere functie dan een woonfunctie. De garageboxen zijn te huren voor het stallen van auto’s of opslag, en niet voor bestelwagens. Door vergunninghoudster is in de algemene bepalingen voor de verhuur van de garageboxen vastgelegd dat het aantal verkeersbewegingen beperkt moet blijven, dat bedrijfsmatig gebruik dat overlast kan veroorzaken niet is toegestaan en dat pakketdiensten zijn uitgesloten. Vergunninghoudster mag de boxen bovendien Daaruit kan geconcludeerd worden dat de boom nog voldoende toekomstverwachting heeft om behouden te blijven, mits de groeiplaats voldoende behouden blijft. Eén garagebox uit het bouwplan zou gebouwd worden in het bomenbeschermingsvak. In de BEA wordt daarom aanbevolen het ontwerp aan te passen met één garagebox minder of de manier van bouwen aan te passen. Op basis hiervan heeft vergunninghoudster besloten om alle garageboxen op een paalfundering te bouwen. Hiervoor is een aanvraag ingediend om de verleende omgevingsvergunning constructief te wijzigen en het college ziet dit vanwege de ruimtelijke uitstraling als een ondergeschikte wijziging ten opzichte van de verleende omgevingsvergunning. 10.2. Op de zitting hebben eisers erop gewezen dat zij het BEA te laat hebben ontvangen om een contra-expertise te kunnen laten uitvoeren. Zij zetten bovendien vraagtekens bij de inhoud van de BEA, omdat het beschermingsvak van de boom pas is berekend nadat de boom eerst aanzienlijk was gesnoeid. Het werkelijke boombeschermingsvak zou daarom volgens hen veel groter zijn dan waarvan in de BEA wordt uitgegaan. 10.3. De rechtbank is van oordeel dat het voorschrift in de vergunning ten aanzien van de waardevolle boom te ruim en onvoldoende concreet is geformuleerd. Bij de vergunningverlening had door het college nader moeten worden onderzocht of de duurzame instandhouding van de boom kan worden gewaarborgd, aangezien dit een onderdeel is van de toetsing aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. De BEA geeft bovendien aan dat het bouwen van de garageboxen alleen mogelijk is buiten het beschermingsvak van de waardevolle eikenboom. Het college heeft een constructieve toetsing van de paalfundering uitgevoerd, maar heeft niet concreet getoetst of het gebruik van de paalfundering binnen het beschermingsvak de betrokken waardevolle eikenboom voldoende beschermt zodat deze daadwerkelijk behouden kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom onvoldoende onderbouwd waarom de waardevolle boom met de voorgenomen constructieve wijziging van de verleende omgevingsvergunning duurzaam behouden kan worden. De rechtbank zal daarom het college de gelegenheid bieden om een nader ruimtelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de door vergunninghoudster voorgestelde paalfundering. Dat betekent dat het college moet beoordelen of vaststaat dat de betrokken eikenboom met de gewijzigde paalconstructie duurzaam in stand kan worden gehouden. Verder zullen eisers in de gelegenheid worden gesteld om een tegendeskundige in te schakelen voor een inhoudelijke reactie op de door het college in beroep overgelegde BEA. Het college kan dit deskundig tegenadvies vervolgens meenemen in het te nemen besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb in reactie op de door vergunninghoudster gevraagde ondergeschikte wijziging van de verleende omgevingsvergunning ten aanzien van de toe te passen paalconstructie. De waterinfiltratie 11. Eisers stellen dat er onduidelijkheden en gebreken zijn in de uitwerking van de waterbergingsopgave en de waterafvoervoorzieningen. Uit de vergunning blijkt dat de waterbergingsopgave slechts globaal is ingetekend en nog niet volledig is uitgewerkt. 11.1. Het college stelt dat voldaan wordt aan het gemeentelijke waterbeleid. Het regenwater van de bebouwing wordt opgevangen in ondergrondse tanks of geïnfiltreerd in de bodem. In het voorterrein tussen de garages worden grindkoffers gebruikt voor een betere absorptie van water in de bodem. Daarbij wijst het college erop dat in de omgevingsvergunning randvoorwaarden zijn opgenomen ten aanzien van waterberging, bouwpeil, riolering en materiaalgebruik. Voor de uitvoering van het bouwplan moet vergunninghoudster aantonen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. 11.2. De rechtbank overweegt dat artikel 3.2 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) geen mogelijkheid geeft om uitgestelde indieningsvereisten voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met bouwvoorschriften in een Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op tien weken na verzending van deze tussenuitspraak. De rechtbank geeft de gemachtigde van eisers dezelfde termijn na verzending van deze tussenuitspraak om een deskundig tegenrapport tegen de BEA bij de rechtbank in te dienen. 14. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het college dit binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. Het college en vergunninghoudster krijgen dezelfde termijn om te reageren op het deskundig tegenrapport van eisers. 15. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. 16. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt het college op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen; - stelt het college in de gelegenheid om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - stelt de gemachtigde van eisers in de gelegenheid om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak een deskundig tegenrapport bij de rechtbank in te dienen; - stelt de gemachtigde van eisers respectievelijk het college en vergunninghoudster in de gelegenheid om binnen vier weken op die herstelpoging van het college en het deskundig tegenrapport te reageren; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 15 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 2.1, lid 1: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het bouwen van een bouwwerk, […] het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […], […]. Artikel 2.12, lid 1: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan: met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of in overige gevallen, indien de motivering va