Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-25
ECLI:NL:RBZWB:2026:1343
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,049 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1343 text/xml public 2026-03-13T07:29:40 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-25 C/02/444495 / KG ZA 26-49 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1343 text/html public 2026-03-12T08:38:16 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1343 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 25-02-2026 / C/02/444495 / KG ZA 26-49 Raadsonderzoek tbv bodemprocedure , minderjarige blijkt bij de man te verblijven terwijl hoofdverblijf bij de vrouw ligt en eerder omgang met de man niet tot stand kwam. vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg zaaknummer / rolnummer: C/02/444495 / KG ZA 26-49 Vonnis in kort geding van 25 februari 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. M. Kranenburg te Roosendaal, tegen [de man] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat: mr. C. Bayrak te Bergen op Zoom. Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de brief van mr. Kranenburg d.d. 1 februari 2026 met bijlagen; - de brief van mr. Kranenburg d.d. 3 februari 2026 met bijlage; - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met bijlagen; - het emailbericht van mr. Bayrak d.d. 9 februari 2026 met bijlagen; - de brief van mr. Kranenburg d.d. 10 februari 2026 met bijlagen; - het bericht van mr. Kranenburg d.d. 11 februari 2026 met bijlagen. 1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling op 11 februari 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren. 1.4. De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft hierover afzonderlijk een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.5. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012. 2.2 De man heeft de minderjarige erkend. 2.3 De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige uit. 2.4 Bij beschikking van 17 juni 2021 heeft de rechtbank partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod. 2.5. Bij beschikking van 25 januari 2024 is bepaald dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang, in die zin dat [minderjarige] eens in de veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man is. Daarnaast is de Raad verzocht een onderzoek in te stellen. 2.6. Bij beschikking van 12 mei 2025 zijn de verzoeken van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling en het gezamenlijk gezag afgewezen. 2.7. Op 23 januari 2026 is [minderjarige] zonder toestemming van de vrouw ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie personen (BRP) op het adres van de man. 2.8. Op 9 februari 2026 heeft de man een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/444965 / FA RK 26-742 strekkende tot het gezag en het hoofdverblijf. 2.9 Bij beschikking van 11 februari 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 11 februari 2026 en tot 11 mei 2026. Tevens is voor deze periode een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, verleend. 3 De vorderingen 3.1. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de minderjarige [minderjarige] binnen een dag na het ten deze te wijzen vonnis aan de vrouw af te geven, aan haar zorg toe te vertrouwen en toevertrouwd te houden; binnen een dag na het ten deze te wijzen vonnis mee te werken aan overschrijving van [minderjarige] bij de gemeente Bergen op Zoom terug naar het adres van de vrouw en aan de vrouw alle financiële schade die zij ondervindt of zal ondervinden verbonden aan deze ongeautoriseerde wijziging inschrijfadres te vergoeden; alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat de man daartoe in gebreke is of blijft met een maximum van € 20.000,-. Althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de rechtbank juist acht; met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure waaronder de nakosten. 3.2. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen. In reconventie vordert de man (voorwaardelijk) bij vonnis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - [minderjarige] voorlopig aan de man toe te vertrouwen totdat in de bodemprocedure een beslissing is genomen, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1 Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. 4.2 Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling op 11 februari 2026 naar voren is gebracht, blijkt dat er tussen partijen sprake is van een jarenlange strijd, die heeft geleid tot vele juridische procedures en de inzet van hulpverlening. Ondanks dat er sprake is van eenhoofdig gezag van de vrouw en de rechtbank eerder geen omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man heeft vastgesteld om haar zodoende ruimte te geven in dit contact, blijkt dat dit niet heeft geleid tot de gewenste rust in de situatie. Het lukt partijen niet om het patroon te doorbreken en beiden kennen tegengestelde visies over het verloop in de afgelopen jaren. [minderjarige] woont formeel bij de vrouw, maar verblijft sinds januari bij de man na een hevige escalatie met de vrouw en ondanks dat zij eerder aangaf zich niet gehoord en gezien te voelen door haar vader. Daarbij heeft [minderjarige] zorgelijke uitspraken gedaan over mishandeling en verwaarlozing door de vrouw en wijst zij thans ieder contact met de vrouw af. Al deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat er ernstige zorgen zijn ontstaan over de ontwikkeling van [minderjarige] en de veiligheid in de situatie waarin zij opgroeit en welke de Raad aanleiding hebben gegeven om tijdens de mondelinge behandeling van het onderhavige kort geding mondeling een voorlopige ondertoezichtstelling te verzoeken met daarbij een machtiging tot uithuisplaatsing om gedurende de onderzoeksperiode van deze voorlopige maatregel het verblijf van [minderjarige] bij de man te borgen. Na een korte schorsing van de zitting hebben beide partijen aangegeven zich te kunnen vinden in het verzoek van de Raad, in de hoop dat er snel hulp voor [minderjarige] komt. De kinderrechter heeft het verzoek van de Raad tijdens de mondelinge behandeling toegewezen. Deze beslissing is op 12 februari 2026 schriftelijk vastgelegd in een beschikking.
Volledig
4.3 Naar aanleiding van deze uitspraak hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling de volgende afspraken gemaakt: Met ingang van 23 januari 2026 zal de man de verblijfsoverstijgende kosten ten aanzien van [minderjarige] betalen, binnen de gestelde betalingstermijn van veertien dagen en behoudens de kosten ten aanzien van de fatbike van [minderjarige] ; De vrouw zal het identiteitsbewijs van [minderjarige] overdragen aan de GI; De man zal [minderjarige] per voornoemde datum bijschrijven op zijn zorgverzekering; Gezien de hoge kosten gaat de man het huidige telefoonabonnement met [minderjarige] bespreken. Als [minderjarige] de telefoon wil behouden, zal de man de kosten van dit abonnement van de vrouw overnemen en anders zal hij zorgdragen voor een nieuwe telefoon en abonnement voor [minderjarige] . De huidige telefoon van [minderjarige] zal de man dan retourneren aan de vrouw; Op het moment dat de vrouw een rekening ontvangt betreffende [minderjarige] , zal de man deze direct na ontvangst binnen veertien dagen betalen. 4.4 Gelet op de tegengestelde visies van partijen over de situatie die is ontstaan en het feit dat er thans vanuit een gedwongen kader regie en hulpverlening wordt ingezet, acht de voorzieningenrechter het treffen van overige voorzieningen in het onderhavige kort geding niet aangewezen en daarom zullen de vorderingen die over en weer door partijen zijn gedaan dan ook worden afgewezen. Op grond van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing is voorlopig het verblijf van [minderjarige] bij de man geborgd. Binnen het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling zal worden bezien waar het belang van [minderjarige] op dit moment mee gediend is. Daarbij zal de Raad onderzoek doen naar de situatie van [minderjarige] en de noodzaak van een definitieve kinderbeschermingsmaatregel. Ten behoeve van de aanhangige bodemprocedure acht de voorzieningenrechter het aangewezen als vooruitlopend op een inhoudelijke behandeling de Raad het kinderbeschermingsonderzoek zal uitbreiden ten aanzien van de in deze procedure voorliggende geschilpunten en ook hieromtrent een advies zal uitbrengen. In dit kader verzoekt de voorzieningenrechter de Raad de volgende vragen te beantwoorden: - Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? - In hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de man, tegemoet aan de belangen van de minderjarige? - Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van belang om te vermelden? De Raad wordt verzocht het rapport en het advies in te brengen in de bodemprocedure, bekend onder zaaknr. C/02/444965 / FA RK 26-742, uiterlijk vòòr 21 april 2026. Indien de Raad na afronding van het onderzoek een ondertoezichtstelling noodzakelijk acht, zal de rechtbank ernaar streven om beide procedures dan gecombineerd ter zitting te behandelen. 4.5 De vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van de proceskosten in deze procedure zal worden afgewezen. Deze zullen gezien het familierechtelijke karakter van de procedure worden gecompenseerd. 4.6 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen in conventie en reconventie af; 5.2 verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/444965 / FA RK 26-742 een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen, welk rapport uiterlijk 21 april 2026 PRO FORMA dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure; 5.3. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.