Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-02
ECLI:NL:RBZWB:2026:1336
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,054 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1336 text/xml public 2026-03-13T10:02:24 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-02 25/2203 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl NLF 2026/0473 Viditax (FutD) 2026031002 V-N Vandaag 2026/443 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1336 text/html public 2026-03-09T15:54:59 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1336 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-03-2026 / 25/2203 Bron van inkomen. Het voordeel was niet redelijkerwijs te verwachten. Beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2203 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 18 maart 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.576 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.481 (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 58 belastingrente vergoed (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur, mr. drs. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Feiten 2. Op 1 januari 2019 is door belanghebbende onder de naam [bedrijf 1] een eenmanszaak gestart. De activiteiten van de onderneming betreffen het geven van technisch en ingenieurs ontwerpadvies. 2.1. Belanghebbende is voor het jaar 2020 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV. In die brief staat vermeld dat de aangifte vóór 1 mei 2021 moet zijn ontvangen door de inspecteur. 2.2. De inspecteur heeft documenten overgelegd waaruit volgt dat [belastingconsulent 1] , werkzaam als belastingconsulent, aangesloten bij het kantoor [bedrijf 2] (hierna: [belastingconsulent 1] ), tweemaal via de beconregeling uitstel heeft gevraagd tot het doen van aangifte ten name van belanghebbende. Ook volgt uit die stukken dat de inspecteur uitstel heeft verleend tot 1 mei 2022. 2.3. Belanghebbende heeft de aangifte op 9 november 2021 ingediend. In de aangifte is [belastingconsulent 2] werkzaam als belastingconsultent, aangesloten bij [bedrijf 3] B.V. (hierna: [belastingconsulent 2] ) opgenomen als contactpersoon. Het verzamelinkomen is als volgt samengesteld: Verlies uit onderneming - € 12.477 - Netto omzet nihil - Bedrijfskosten -/- € 14.609 - Niet aftrekbare kosten en lasten € 102 - MKB-winstvrijstelling € 2.030 Netto resultaat uit ter beschikking stellen van bezittingen - Rente rekening-courant [bedrijf 1] B.V. € 1.306 Saldo inkomsten uit eigen woning € 270 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 17.481 Verzamelinkomen € 6.580 2.4. Met dagtekening 27 mei 2024 en 19 juni 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een (herinnering ter beantwoording van een) vragenbrief gestuurd met betrekking tot het aangegeven verlies uit onderneming. Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd. In die brieven heeft de inspecteur verzocht om de volgende informatie: “ Winst uit onderneming U drijft momenteel een eenmanszaak genaamd [bedrijf 1] . In de aangifte hebt u een fiscale winst aangegeven van € 14.609 negatief. Om te kunnen beoordelen of dit juist is, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen: Een uitgebreide omschrijving van de activiteiten met o.a. werkwijze, prijzen en/of tarieven. In 2020 zijn er geen opbrengsten aangegeven. Hoe kunt u aannemelijk maken dat u een positief resultaat zult behalen met uw activiteiten? Welke concrete feiten en omstandigheden kunt u hiervoor noemen? Welk jaar verwacht u voor het eerst met een positief resultaat af te sluiten? Waarop is deze verwachting gebaseerd? Een opgave van de investeringen die voor de werkzaamheden zijn gedaan met de aankoopnota's en betalingsbewijzen. Een specificatie van de onderstaande kosten onderbouwd met bewijsstukken: Afschrijving andere vaste bedrijfsmiddelen (ad € 4.453) Auto en transportkosten (ad € 3.174) Huisvestingskosten (ad € 2.314) Andere kosten (ad € 4.668)” 2.5. Met dagtekening 22 juli 2024 heeft de inspecteur belanghebbende een kennisgeving gestuurd waarin staat dat hij voornemens is de aanslag in afwijking van de aangifte op te leggen. De inspecteur heeft zich (primair) op het standpunt gesteld dat de activiteiten van belanghebbende geen bron van inkomen vormen. 2.6. Wegens het uitblijven van een reactie heeft de inspecteur de kennisgeving en (de herinnering van) de vragen op 22 juli 2024 aan [belastingconsulent 2] verzonden. 2.7. Met dagtekening 8 augustus 2024 verzoekt [belastingconsulent 3] werkzaam als belastingconsulent, aangesloten bij [bedrijf 3] B.V. (hierna: [belastingconsulent 3] ) om uitstel voor de reactie op de vragen. De inspecteur heeft uitstel verleend tot 15 september 2024. 2.8. Op 3 september 2024 heeft [belastingconsulent 3] gereageerd op het voornemen tot afwijken van de aangifte. In die reactie wordt gevraagd welke specifieke stukken de inspecteur uit de administratie van belanghebbende wenst te ontvangen. 2.9. Vervolgens heeft de inspecteur op 11 september 2024 een brief naar het adres van [bedrijf 3] B.V. gezonden waarin nogmaals wordt verzocht om de informatie, zoals reeds opgevraagd in het informatieverzoek van 27 mei 2024 (zie 2.4). 2.10. Bij e-mailbericht van 24 september 2024 heeft [belastingconsulent 2] een grootboekmutatie verstrekt waaruit een afschrijving op een Citroën Jumpy volgt van € 4.453. In het e-mailbericht staat verder – voor zover relevant – het volgende: “De in onze brief van 3 september 2024 aan u gestelde vragen heeft u onbeantwoord gelaten. Daardoor heeft u ons niet in staat gesteld om te bepalen welke specifieke stukken van de administratie u wenst te ontvangen. Zoals gesteld, de omschrijving "... specificatie van de kosten onderbouwd met bewijsstukken ..." is voor ons onvoldoende bepaalbaar.” 2.11. De inspecteur heeft [belastingconsulent 2] bij e-mailbericht van 24 september 2024 het volgende bericht: “ Zoals in de brief van 27 mei 2024 aangegeven zijn in de aangifte de onderstaande kosten opgenomen: - Auto- en transportkosten C 3.174 - Huisvestingskosten C 2.314 - Andere kosten C 4.668 - Afschrijving andere vaste bedrijfsmiddel C 4.453 Graag ontvang ik van u per kostenpost een specificatie van het bedrag met de grootboekkaart en de facturen/betalingsbewijzen. Aanvullend ontvang ik graag de door u samengestelde jaarrekening (balans en resultatenrekening met toelichting). Dit wordt ook de papieren jaarrekening genoemd. Bovendien is nog niet op de onderstaande vragen gereageerd, zoals opgenomen in de brief van 27 mei 2024, graag ontvang ik deze informatie alsnog. Uw drijft momenteel een eenmanszaak genaamd [bedrijf 1] . In de aangifte hebt u een fiscale winst aangegeven van € 14.609 negatief. Om te kunnen beoordelen of dit juist is, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen: - Een uitgebreide omschrijving van de activiteiten met o.a. werkwijze, prijzen en/of tarieven. - In 2020 zijn er geen opbrengsten aangegeven. Hoe kunt u aannemelijk maken dat u een positief resultaat zult behalen met uw activiteiten? Welke concrete feiten en omstandigheden kunt u hiervoor noemen? Welk jaar verwacht u voor het eerst met een positief resultaat of te sluiten? Waarop is deze verwachting gebaseerd? lk verzoek u per mail te reageren vóór 1 oktober 2024. Indien ik vóór 1 oktober geen reactie ontvang, zal ik de aangifte corrigeren conform mijn brief van 22 juli 2024.” 2.12. Vervolgens heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 met dagtekening 25 oktober 2024 in afwijking van de aangifte opgelegd. Daarbij heeft hij het verlies uit onderneming gecorrigeerd tot nihil. Gelijktijdig heeft hij de bijbehorende belastingrentebeschikking vastgesteld (zie 1.1).
Volledig
2.13. Belanghebbende heeft op 4 december 2024 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2020. 2.14. Vervolgens heeft belanghebbende de inspecteur bij brief met dagtekening 3 maart 2025 in gebreke gesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift. De inspecteur heeft de ingebrekestelling ontvangen op 5 maart 2025. 2.15. De inspecteur heeft het bezwaar op 18 maart 2025 afgewezen, zonder een daaraan voorafgaand hoorgesprek te houden. In de uitspraak op bezwaar staat met betrekking tot het horen het volgende: “Correspondentie - 11 maart 2025: Telefonisch, hierin heeft belastingplichtige gezegd dat verder alleen per post mag worden gecommuniceerd. Geen verder contact per telefoon of met de e-mail. (…) Horen Wegens de ingebrekestelling en vanwege het feit dat u in het verleden meerdere malen nadrukkelijk te kennen hebt gegeven Oen contact met de inspecteur te willen hebben, heb ik besloten nu uitspraak op bezwaar te doen zonder u te hebben gehoord. Mocht u alsnog een (hoor)gesprek met mij willen, dan kunt u altijd alsnog een afspraak maken. Mijn contactgegevens staan in het briefhoofd vermeld.” 2.16. De inspecteur heeft de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV 2019 en 2021 tot en met 2023 bij het verweerschrift overgelegd. Uit die aangiften volgen de volgende resultaten uit handelsactiviteiten: Jaar Omzet Netto resultaat 2019 nihil - € 5.496 2021 nihil - € 27.815 2022 € 2.000 - € 17.839 2023 € 4.000 - € 20.364 Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag en de belastingrentebeschikking niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de aanslag en de belastingrentebeschikking niet naar te hoge bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Overwegingen Vooraf I: artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) 4. De rechtbank heeft geconstateerd dat bijlage 2 bij het verweerschrift van de inspecteur met betrekking tot de gegevens van het verzoek om uitstel tot het doen van aangifte zwartgelakte passages bevat omdat op dezelfde pagina ook informatie stond, zo stelt de inspecteur, ten aanzien van andere belastingplichtigen. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard daartegen geen bezwaar te hebben. Gelet op het feit dat belanghebbende geen bezwaar heeft geuit tegen het inbrengen van de bijlage op deze wijze, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om wat ook zij van de wijze waarop dit is ingebracht, hieraan voor de inspecteur negatieve gevolgen te verbinden als deze pagina’s van de bijlage al als op de zaak betrekking hebbende stukken zouden kwalificeren. Vooraf II: nadere stukken 4.1. Belanghebbende heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting nog een nader stuk ingediend. De rechtbank ziet in deze stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen dan wel de uitspraak tot nader moment aan te houden. De rechtbank laat deze stukken buiten beschouwing. Op grond van het procesreglement worden de stukken wel toegevoegd aan het procesdossier. Schending hoorplicht 4.2. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur niet mocht afzien van een hoorgesprek of ervan uit mocht gaan dat belanghebbende niet van zijn recht op een hoorgesprek gebruik wilde maken. 4.3. De inspecteur betwist dat in de bezwaarfase het hoorrecht is geschonden. Daartoe stelt de inspecteur dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift niet heeft aangegeven gehoord te willen worden. Daarnaast is ook van belang dat belanghebbende de contactmogelijkheid met de inspecteur heeft beperkt. Desondanks is belanghebbende in de uitspraak op bezwaar in de gelegenheid gesteld om een afspraak te maken voor een hoorgesprek (zie 2.15). 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende ten onrechte niet gehoord. De enkele omstandigheid dat belanghebbende niet heeft verzocht om een hoorgesprek, biedt onvoldoende basis om van het horen af te zien. De inspecteur had bij twijfel over de vraag of een hoorgesprek gewenst was, daarover contact moeten opnemen met belanghebbende. Dat belanghebbende de contactmogelijkheden met de inspecteur heeft beperkt, doet daaraan niet af. Nu de inspecteur dat heeft nagelaten, oordeelt de rechtbank dat het hoorrecht is geschonden. 4.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan de schending niet met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd. Partijen hebben verzocht om voortzetting van de procedure bij de rechtbank. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur. Niet-tijdig beslissen 4.6. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Op 18 maart 2025 heeft de inspecteur een uitspraak op bezwaar gedaan. Daarmee was op dat moment op het bezwaar beslist. Een beroep wegens niet-tijdig beslissen staat dan niet langer open. Als belanghebbende wilde opkomen tegen de onjuiste/ onvolledige uitvoering van de uitspraak op bezwaar, dan kon hij een procedure bij de civiele rechter starten. Dwangsom 4.7. Belanghebbende heeft op 4 december 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Hij heeft de inspecteur bij brief van 3 maart 2025, door de inspecteur ontvangen op 5 maart 2025, in gebreke gesteld. De inspecteur heeft met dagtekening 18 maart 2025 uitspraak op bezwaar gedaan en uit de track-en-trace informatie volgt dat de uitspraak op bezwaar op 19 maart 2025 aangetekend naar belanghebbende is verstuurd. Dit betekent dat de inspecteur binnen twee weken na de ingebrekestelling uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Gelet op het bepaalde in artikel 4:17, derde lid van de Awb, heeft belanghebbende geen recht op een dwangsom. Is de aanslag tijdig aan belanghebbende opgelegd? 4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat [belastingconsulent 1] gedurende een bepaalde periode als gemachtigde van belanghebbende mocht en kon optreden. Evenmin is in geschil dat [belastingconsulent 1] onder toepassing van de beconregeling om uitstel heeft verzocht tot het doen van aangifte ten name van belanghebbende (zie 2.2). 4.9. Belanghebbende betwist dat [belastingconsulent 1] ten tijde van het indienen van het verzoek tot uitstel nog bevoegd was om als gemachtigde namens hem op te treden. 4.10. De rechtbank stelt voorop dat – gelet op een redelijke verdeling van de bewijslast – het op de weg van belanghebbende ligt om aannemelijk te maken dat de machtiging ten aanzien van [belastingconsulent 1] vóór het indienen van het verzoek tot uitstel was beëindigd of ingetrokken. Dit is dus geen zaak waarin er überhaupt geen machtiging is geweest. Die machtiging was er, alleen belanghebbende stelt deze te hebben ingetrokken ergens voordat om uitstel is verzocht door [belastingconsulent 1] . 4.11. Dit blijft echter bij een blote stelling. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende daarom niet in de op hem rustende bewijslast op dit punt geslaagd. Nu belanghebbende geen begin van bewijs levert en dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat en per wanneer de dienstverlening van [belastingconsulent 1] is opgezegd, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de inspecteur rechtsgeldig uitstel heeft verleend tot het doen van aangifte. 4.12. De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd. 4.13. Vast staat dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2020 (zie 2.1). Niet in geschil is dat aangifte, behoudens uitstel, vóór 1 mei 2021 moest worden gedaan. De rechtbank acht aannemelijk gemaakt dat namens belanghebbende door [belastingconsulent 1] onder de beconregeling (rechtsgeldig) om uitstel is verzocht tot het doen van aangifte en dat tot 1 mei 2022 uitstel is verleend. Uit het ABS-systeem van de Belastingdienst volgt dat de aangifte op 9 november 2021 door de inspecteur is ontvangen.
Volledig
Gelet op het voorgaande is de aanslagtermijn verlengd met één jaar, waardoor de aanslagtermijn eindigt op 31 december 2024. De aanslag heeft 25 oktober 2024 als dagtekening. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de aanslag tijdig aan belanghebbende is opgelegd en bekendgemaakt. Inhoudelijk: is sprake van een bron van inkomen? 4.14. Om te kunnen spreken van een bron van inkomen is vereist dat belanghebbende met de betreffende activiteiten (i) deelneemt aan het economisch verkeer, (ii) redelijkerwijs voordeel kan verwachten en (iii) dit voordeel beoogt te verwerven. 4.15. Tussen partijen is alleen in geschil of belanghebbende redelijkerwijs voordeel kan verwachten (de objectieve voordeelsverwachting). Meer specifiek is de vraag aan de orde of ter zake van de activiteiten van de eenmanszaak [bedrijf 1] het behalen van voordeel redelijkerwijs te verwachten is en of deze activiteiten niet voorzienbaar verliesgevend zijn. 4.16. Van een objectieve voordeelverwachting is sprake wanneer met de uitgevoerde activiteiten naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs voordeel kan worden verwacht. De intentie van belanghebbende speelt daarbij dus geen rol. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelverwachting. 4.17. Belanghebbende voert aan dat hij weliswaar verliezen heeft geleden met zijn activiteiten, maar dat er wel redelijkerwijs voordeel te verwachten was. Belanghebbende is een samenwerkingsverband aangegaan met [bedrijf 4] voor de ontwikkeling van een insectenbestrijdingsmiddel. Het samenwerkingsverband heeft volgens belanghebbende aantoonbaar geleid tot de introductie van een nieuw en innovatief product. Het enkele feit dat de daaruit voortgekomen positieve bruto-opbrengst wegens bedrijfsmatige overwegingen grotendeels aan [bedrijf 4] is toegewezen, maakt niet dat er geen sprake is van een redelijkerwijs te verwachten voordeel. 4.18. De rechtbank overweegt dat uit de aangiften IB/PVV 2019 tot en met 2023 volgt dat belanghebbende enkel negatieve resultaten heeft betaald (zie 2.16). Belanghebbende heeft zijn stelling dat sprake is van een te verwachten voordeel onvoldoende onderbouwd met objectief verifieerbare stukken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat in 2020 sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Dit betekent dat de activiteiten van de eenmanszaak geen bron van inkomen vormen. Het voorgaande brengt mee dat de inspecteur het verlies uit onderneming terecht heeft gecorrigeerd tot nihil. Dit betekent dat de aanslag dus niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Moet de aanslag worden vernietigd vanwege schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur? 4.19. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zo is belanghebbende van mening dat (i) de uitspraak op bezwaar niet berust op een deugdelijke motivering en in de uitspraak op bezwaar geen sprake is van een heroverweging en (ii) dat de inspecteur onvoldoende duidelijk heeft aangegeven welke stukken/ afschriften verstrekt dienden te worden. Dit leidt volgens belanghebbende tot een ongelijke behandeling. 4.20. De rechtbank merkt op dat het motiveringsbeginsel inhoudt dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering. Dit vereiste houdt niet in dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar op alle door belanghebbende aangevoerde gronden in bezwaar moet ingaan maar hij moet wel voldoende inzicht geven in de argumenten die hem hebben gebracht tot het ongegrond verklaren van het bezwaar. De onderhavige uitspraken op bezwaar bevatten een voldoende toereikende motivering van de beslissing van de inspecteur. Dat belanghebbende het daar inhoudelijk niet mee eens is, doet daar niet aan af. Van een schending van het motiveringsbeginsel is geen sprake. 4.21. De omstandigheid dat de inspecteur volgens belanghebbende onvoldoende duidelijk heeft aangegeven welke specifieke documenten verstrekt dienden te worden, leidt op zichzelf niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ongelijke behandeling die voortvloeit uit een oogmerk van begunstiging of een begunstigend beleid. Belanghebbende maakt evenmin aannemelijk dat in een meerderheid van de vergelijkbare gevallen anders wordt gehandeld. 4.22. Alles wat belanghebbende verder naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Belastingrentebeschikking 4.23. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrentebeschikking aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Proceskostenvergoeding 4.24. Belanghebbende heeft verzocht de inspecteur te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van de werkelijke kosten. 4.25. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Belanghebbende heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat en tot welk bedrag voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt. Het verzoek om vergoeding van kosten wordt dan ook afgewezen. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is alleen gegrond omdat het hoorrecht is geschonden. De aanslag en de belastingrentebeschikking zijn niet te hoog vastgesteld en blijven in stand. De rechtbank laat daarom de uitspraak op bezwaar ook in stand. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. 5.1. Omdat de inspecteur het hoorrecht heeft geschonden, moet hij het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Het verzoek om een vergoeding van proceskosten is afgewezen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar gegrond; laat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand; verklaart het beroep welke ziet op het niet-tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af; bepaalt dat de ontvanger het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Damen, griffier, op 2 maart 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Zie artikel 2.16, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbank, Staatscourant 2024, 37982. Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751. Op grond van artikel 11, lid 3, AWR. Artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht jo. artikel 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Vgl. Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390. Vgl. Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707. Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.