Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-29
ECLI:NL:RBZWB:2026:1312
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,974 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1312 text/xml public 2026-03-05T11:33:46 2026-03-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-29 C/02/443437 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1312 text/html public 2026-03-05T11:33:33 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1312 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-01-2026 / C/02/443437 Deeltijdmachtiging uithuisplaatsing in een accomodatie van een jeugdhulpaanbieder. De machtiging geldt steeds van zondagmiddag tot vrijdagmiddag. De weekenden verblijft de minderjarige bij de moeder. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443437 / JE RK 25-2307 Datum uitspraak: 29 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een (deeltijd)machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. P. Doorakkers uit Oosterhout. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 december 2025; het bericht van de GI van 16 januari 2026, inhoudende dat [minderjarige] niet op kindgesprek komt. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van oma (moederzijde) en de persoonlijk begeleider van de moeder. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. De GI heeft op 16 januari 2026 laten weten dat [minderjarige] niet naar het kindgesprek zal komen. De kinderrechter heeft hiervan kennis genomen. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat er in dit bericht stond. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] woont bij zijn moeder. 2.3. De kinderrechter heeft bij beschikking van 31 juli 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 25 juli 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 31 juli 2025 tot 31 juli 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de GI 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Het is de bedoeling dat [minderjarige] in de weekenden van vrijdag uit school tot en met zondagavond, de vakanties en de feestdagen naar zijn moeder gaat en doordeweeks verblijft in de accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. [minderjarige] is daar al eens geweest en heeft er ook al overnacht. [minderjarige] lijkt het leuk te hebben op de groep. Hij kan pas doordeweeks naar de groep wanneer er dagbesteding, een nieuwe school, is gevonden. School was altijd een veilige haven, maar het gaat nu moeilijk. Er wordt onderzocht of [minderjarige] naar [school] kan gaan. Dat is cluster 4 onderwijs en is in de buurt van [zorgorganisatie] . [minderjarige] is zo gestagneerd in het leren en in zijn ontwikkeling dat de GI van mening is dat dit passend is. [minderjarige] kan daar weer een positieve ervaring hebben. 4.2. De GI heeft een brief naar de GGz gestuurd waarin wordt verzocht de moeder zo snel als mogelijk te behandelen. Dit is gedaan zodat de behandeling van de moeder en de behandeling van [minderjarige] hopelijk tegelijk kunnen lopen. Het perspectief van [minderjarige] ligt voor nu bij de moeder. Er dient wel op de traumabehandeling te worden ingezet. 5 Het standpunt van belanghebbende 5.1. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de uithuisplaatsing. De moeder ziet de zorgen, met name op school. Het opstarten van de hulpverlening voor de moeder verloopt moeizaam. De moeder staat op de wachtlijst voor traumabehandeling bij de GGz. De GI heeft een brief geschreven naar de GGz met de vraag of de behandeling gelijk kan lopen met de behandeling van [minderjarige] . De moeder maakt zich zorgen over de toekomst, met name als dit niet mogelijk is. Zij wil voorkomen dat [minderjarige] op een gegeven moment klaar is met de behandeling, maar dat haar eigen traumabehandeling dan nog niet is afgerond waardoor [minderjarige] niet naar huis kan. 6 De beoordeling Wettelijk kader 6.1. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Inhoudelijke beoordeling 6.2. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan. Dit betekent dat de kinderrechter het verzoek van de GI zal toewijzen voor de verzochte duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. 6.3. Er bestaan zorgen over [minderjarige] en er hebben zich rondom [minderjarige] onveilige situaties voorgedaan. Ook de situatie op school is onhoudbaar geworden. [minderjarige] is volledig in zijn leren en ontwikkeling gestagneerd. Het is daarom noodzakelijk voor [minderjarige] dat hij uit huis geplaatst wordt. [minderjarige] lijkt het goed te hebben op de groep waar hij aan het wennen is. De kinderrechter vindt het positief dat de moeder de zorgen ziet, dat [minderjarige] is aangemeld voor begeleiding en traumabehandeling en dat de moeder gemotiveerd is voor traumabehandeling voor zichzelf. De kinderrechter overweegt dat het in het belang van [minderjarige] is dat de moeder zo snel als mogelijk kan starten met de traumabehandeling zodat deze behandeling gelijk kan lopen met de behandeling van [minderjarige] . De kinderrechter hoopt en verwacht dat de GGz oog heeft voor dit zwaarwegende belang voor moeder en kind en de moeder dus voorrang geeft op de wachtlijst. 6.4. De kinderrechter benadrukt dat het gaat om een deeltijd machtiging. Doordeweeks zal [minderjarige] op de groep verblijven en hij zal bij de moeder zijn van vrijdagavond tot en met zondagmiddag, in de vakanties en op feestdagen. De moeder kan zich vinden in het verzoek. Uitvoerbaar bij voorraad 6.5. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als er daartegen beroep wordt ingesteld. 6.6. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. verleent een deeltijd machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 januari 2026 tot 31 juli 2026. De machtiging geldt steeds van zondagmiddag tot vrijdagavond. De weekenden verblijft [minderjarige] bij de moeder; 7.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig.