Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-29
ECLI:NL:RBZWB:2026:1309
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,068 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1309 text/xml public 2026-03-05T11:44:16 2026-03-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-29 C/02/443466 / JE RK 25-2312 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1309 text/html public 2026-03-05T11:36:22 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1309 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-01-2026 / C/02/443466 / JE RK 25-2312 Verlenging ondertoezichtstelling. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443466 / JE RK 25-2312 Datum uitspraak: 29 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie ‘s-Hertogenbosch, hierna te noemen de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 29 december 2026, ontvangen op (eveneens) 29 december 2025. 1.2. De behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op de zitting van 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de moeder; - de vader; - twee vertegenwoordigsters van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder. 2.3. Bij beschikking van 11 februari 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 11 februari 2025 tot 11 februari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI heeft in haar verzoekschrift van 29 december 2025 verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting heeft de GI haar verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] voor wat betreft de verzochte duur van de ondertoezichtstelling gewijzigd, en verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten [geboortedag 1] 2027. 4 De standpunten 4.1. De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat na het uitspreken van de ondertoezichtstelling per 11 februari 2025 niet direct een jeugdzorgwerker kon starten. In april 2025 is een jeugdzorgwerker betrokken geraakt, waarna aan de volgende doelen is gewerkt: - [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verwerken de ingrijpende gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt; - [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten weer goed in hun vel en kunnen hun emoties en gevoelens bij iemand kwijt; - [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan weer volledig naar school; - [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben onbelast en prettig contact met de vader; - Er is geen sprake van fysiek en verbaal geweld in de thuissituaties van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; - De ouders communiceren met elkaar in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; - Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt er duidelijkheid over hun toekomstperspectief. Deze doelen zijn nog niet behaald. Het gezin is voor diverse hulpverlening aangemeld, waaronder gezinsbehandeling, een kindercoach voor beide minderjarigen, PMT en EMDR. Deze hulpverlening is nog niet gestart. Wel heeft er recent een intakegesprek plaatsgevonden bij de moeder thuis met [zorgorganisatie] (hierna: [zorgorganisatie] ) voor een kindercoach voor beide minderjarigen. Zij werken ambulant, en kunnen de minderjarigen thuis bezoeken. De kindercoaches starten op korte termijn. PMT gaat op locatie plaatsvinden. Er wordt op dit moment gezocht naar een locatie dichterbij de woning van de moeder. EMDR is tijdelijk on hold gezet. Belangrijk is om eerst goed zicht te hebben op wat er bij de minderjarigen speelt. De aanmelding voor gezinsbehandeling loopt. Beide minderjarigen gaan op dit moment niet naar school. [minderjarige 2] sinds januari 2025 niet meer, en [minderjarige 1] - met tussenpozen - sinds oktober 2025. [minderjarige 2] is na de zomervakantie in 2025 gestart bij [zorgboerderij] . De planning was dat [minderjarige 2] hier naar toe zou gaan op maandagochtend, dinsdag de hele dag, woensdagochtend en donderdag de hele dag, maar zij gaat momenteel slechts één tot twee dagen per week vanwege vervoersproblemen. [zorgboerderij] biedt zelf geen vervoer aan, de gemeente financiert het niet en de moeder heeft beperkte mogelijkheden om [minderjarige 2] te brengen en te halen. Het is te ver voor [minderjarige 2] om te fietsen. Er wordt onderzocht of de schoolgang van [minderjarige 2] gecontinueerd kan worden bij haar huidige [school] of dat [minderjarige 2] eerst naar een bovenschool voorziening gaat. [minderjarige 2] geeft zelf aan dat zij naar een andere school wil. Daarvoor is aandacht. De overstap naar school of een bovenschoolse voorziening is op dit moment echter nog niet aan de orde. Er wordt nog gewerkt aan het dagritme van [minderjarige 2] , en het vergroten van haar vertrouwen en energie om naar school te kunnen gaan. [zorgboerderij] geeft aan dat planning en structuur erg belangrijk zijn voor [minderjarige 2] . Zij wordt anders onrustig en kan paniek krijgen. [minderjarige 1] is vaak ziek, waardoor in maart 2025 een aanmelding is gedaan bij de GGD. Aan de hand van het consult met de GGD en een gesprek met de leerplichtambtenaar is er samen met [minderjarige 1] een opbouwschema gemaakt. De moeder heeft direct aangegeven dat het volgen van school, naast twee stagedagen, teveel voor [minderjarige 1] is, waarna [minderjarige 1] enkel stage is gaan lopen. Vanaf 19 augustus 2025 is er met [minderjarige 1] afgesproken dat hij, naast de twee stagedagen in de week, op de maandagen het [vak] gaat volgen. De moeder geeft aan dat het emotioneel en fysiek slecht gaat met [minderjarige 1] , terwijl [minderjarige 1] op 22 september 2025 zelf aangeeft dat hij graag meer naar school wil. Sinds 1 oktober 2015 is [minderjarige 1] volledig ziekgemeld. Volgens de moeder is [minderjarige 1] oververmoeid, heeft hij de griep, een lage bloeddruk en een maagzweer. Op 3 november 2025 is [minderjarige 1] voor een gesprek met de leerlingencoördinator en de jeugdzorgwerker naar school gekomen. De aanwezigheid van [minderjarige 1] was onverwachts gezien het ziektebeeld dat de moeder van [minderjarige 1] schetste. [minderjarige 1] gaf tijdens het gesprek aan zich niet heel slecht te voelen en was veel positiever dan de moeder. Op 17 november 2025 is tussen de leerlingencoördinator, de jeugdzorgwerker, de moeder en [minderjarige 1] besproken dat het voor [minderjarige 1] weer goed zou zijn als hij weer naar school komt. De moeder remde dit in het gesprek direct af. Naar aanleiding van het gesprek heeft de school van [minderjarige 1] een afspraak gemaakt bij de jeugdarts van de GGD, die psychologische hulpverlening voor [minderjarige 1] heeft geadviseerd. [minderjarige 1] is inmiddels zijn stageplaats verloren. Er is nog geen sprake van een onbelast en prettig contact tussen de minderjarigen en de vader. [minderjarige 2] heeft meermaals bij de jeugdzorgwerker aangegeven dat zij geen contact wil met de vader. [minderjarige 1] heeft sporadisch contact met de vader, maar is niet meer bij de vader geweest sinds dat de moeder heeft aangegeven dat [minderjarige 1] ziek is.
Volledig
De vader wil heel graag contact met de minderjarigen, maar hij vraagt zich af hoe hij contact met de minderjarigen kan krijgen. Het is de hulpverlening en de scholen opgevallen dat de moeder en [minderjarige 2] negatief over de vader spreken op momenten die niet passend zijn en zonder dat daarvoor aanleiding bestaat. De grootste zorg van de GI is dat het vermoeden bestaat dat de moeder de minderjarigen klein houdt en/of ziekte aanpraat. De scholen en de GI hebben de vraag in hoeverre [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wel of niet belastbaar zijn. Het lijkt erop dat de minderjarigen meer aan kunnen dan zij nu laten zien. De moeder spreekt in gesprekken met school, de hulpverlening en de GI vooral uit wat de minderjarigen niet kunnen in plaats van wat zij wel kunnen. Hierdoor worden de minderjarigen geremd en stagneren zij in hun ontwikkeling. Het resultaat is dat de minderjarigen niet naar school gaan en zij zich in een sociaal isolement bevinden. Daarnaast wordt er negatief over de vader gesproken door de moeder. Dit maakt het lastig, mede in verband met het loyaliteitsconflict waarin de minderjarigen zich bevinden, om te werken aan onbelast contact tussen de vader en de minderjarigen. Gelet op het voorgaande is de GI van mening dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Belangrijk is dat er verder wordt gewerkt aan de doelen zoals die bij aanvang van de ondertoezichtstelling zijn gesteld om er zorg voor te dragen dat de minderjarigen voldoende aan hun ontwikkelingskansen toekomen. De problematiek is dusdanig complex dat het voor nu niet haalbaar is om de hulpverlening plaats te laten vinden in het vrijwillig kader. Een verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen is nodig om de ontwikkelingsbedreigingen weg te nemen. 4.2. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij het afgelopen jaar als een teleurstelling heeft ervaren. Aanvankelijk is er geen uitvoering gegeven aan de ondertoezichtstelling omdat er geen jeugdzorgwerker beschikbaar was. De jeugdzorgwerker die uiteindelijk betrokken raakte, heeft vervolgens niets gedaan met hetgeen de minderjarigen aangaven. Dit bracht veel spanningen voor de minderjarigen met zich en heeft ertoe geleid dat het met de minderjarigen alleen maar slechter ging. Zij verloren hun vertrouwen in de mensen om hun heen en ook de moed dat de situatie voor hen zou verbeteren, mede omdat belangrijke zaken stagneerde. De moeder heeft een veel positiever gevoel bij de huidige jeugdzorgwerker, die recent is aangesteld. Zij voelt zich door de huidige jeugdzorgwerker in gesprekken wel gehoord. Zaken worden genoteerd, en lijken te worden opgepakt. 4.3. De vader heeft aangevoerd dat hij kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Hij hoopt op een verbetering van de situatie over een jaar, maar vraagt zich wel af of in de schoolgang van beide minderjarigen positieve verandering gaat komen. Dit vormt namelijk al jaren een probleem. De vader wenst het beste voor de minderjarigen. 5 De beoordeling Wat zegt de wet? 5.1. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen. Inhoudelijke beoordeling 5.3. De kinderrechter is op basis van de overgelegde stukken en datgene dat tijdens de zitting naar voren is gebracht van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. In de beschikking van 11 februari 2025, waarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verleend tot 11 februari 2026, heeft de kinderrechter overwogen dat er gewerkt moet worden aan doelen ten behoeve van de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en aan doelen ten behoeve van de opvoedingsomgeving. Gebleken is dat deze doelen nog niet zijn behaald. 5.4. Het heeft langere tijd geduurd voordat uitvoering is gegeven aan de ondertoezichtstelling, waardoor de noodzakelijk geachte hulpverlening tot op heden, mede gezien de wachtlijstproblematiek, nog niet is opgestart. Wel zal binnenkort gestart worden met een kindercoach-traject vanuit [zorgorganisatie] waar beide minderjarigen, zo is de kinderrechter gebleken in de gesprekken met hen, voor open staan. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat met de ondersteuning van de kindercoaches, en de overige hulpverlening waarvoor de minderjarigen en de ouders zijn aangemeld, verandering komt in de huidige situatie, in ieder geval ten aanzien van de schoolgang van de minderjarigen. Belangrijk is dat beide minderjarigen school weer op korte termijn gaan oppakken zowel voor hun cognitieve ontwikkeling als hun sociale ontwikkeling. De minderjarigen kampen, mede door alles wat zij hebben meegemaakt, met problematiek en daarvoor dient zeker aandacht te zijn. Belangrijk is echter ook dat de minderjarigen, gezien hun leeftijd, de mogelijkheid krijgen om de wereld te ontdekken, te onderzoeken wie zij zijn en (levens)ervaringen op te doen. Alleen dan worden zij namelijk in staat gesteld om zich te ontwikkelen tot evenwichtige volwassenen. Daarbij acht de kinderrechter het met de GI van belang dat de nadruk moet liggen op de mogelijkheden in plaats van de onmogelijkheden van de minderjarigen. Zij moeten in hun kracht worden gezet en gestimuleerd worden om de wijde wereld in te trekken. Dit zal met vallen en opstaan plaatsvinden en niet altijd even gemakkelijk voor de minderjarigen zijn, maar belangrijk is wel dat zij de ruimte voor ontwikkeling krijgen. Daarbij is het met name aan de moeder om de minderjarigen los te laten en te durven leren vertrouwen op de adviezen van de jeugdzorgwerker van de GI, de betrokken hulpverleners en de begeleiders van de scholen. 5.5. Gezien de huidige weerstand die de minderjarigen naar de vader ervaren, en dan met name [minderjarige 2] , is er op dit moment bij beide minderjarigen geen ruimte voor (structureel) contact met de vader. Hierdoor is het vooralsnog niet mogelijk om intensief in te zetten op contactherstel tussen de vader en de minderjarigen, hoe lastig ook voor de vader. Dit laat echter onverlet dat de vader onderwerp van gesprek dient te blijven, en dat onderzocht moet blijven worden wat in het contact tussen de vader en de minderjarigen, rekening houdend met de behoeften en mogelijkheden van de minderjarigen, eventueel wel mogelijk is. Het is aan de GI om dit, al dan niet met de betrokken hulpverlening, nader vorm te geven. Belangrijk is dat de moeder de minderjarigen erkent in de gevoelens die zij ten opzichte van de vader ervaren. Zij dient echter te stoppen met negatief praten over de vader richting de minderjarigen. Dit is voor de minderjarigen namelijk niet helpend, maar enkel belastend. 5.6. Gezien de ernst van de problematiek en de stappen die nog gezet moeten worden is het van belang dat de GI betrokken blijft. Dit om de voortgang van de reeds aangemelde hulpverlening te waarborgen, eventueel nadere hulpverlening voor de minderjarigen en/of de ouders te organiseren, regie te voeren ten aanzien van de doelen die voorliggen en om de ontwikkelingen in de komende maanden te monitoren. Door de huidige jeugdzorgwerker dient geïnvesteerd te worden in een goede samenwerkingsrelatie met beide ouders. 5.7.