Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-28
ECLI:NL:RBZWB:2026:1303
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,830 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1303 text/xml public 2026-03-05T10:11:46 2026-02-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-28 C/02/443629 / JE RK 26-4 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1303 text/html public 2026-03-05T10:11:21 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1303 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-01-2026 / C/02/443629 / JE RK 26-4 (opvolgende) machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van twee maanden. Overstap naar open setting is nu te vroeg. Tegelijkertijd is het bieden van perspectief van belang. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443629 / JE RK 26-4 Datum uitspraak: 28 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] , advocaat: mr. A. Koop-van Vliet uit Breda. De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan: [minderjarige] , voornoemd, [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Duitsland, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg uit Breda. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 januari 2026; het op 12 januari 2026 ontvangen bericht van de GI, met bijlage; het op 26 januari 2026 ontvangen bericht van de GI, met bijlage. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Bij die zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank gehoord: [minderjarige] , die ook apart is gehoord, bijgestaan door mr. Koop-van Vliet; de vader, bijgestaan door mr. J.A. van Essen (als waarnemend advocaat); de moeder; een vertegenwoordigster namens de GI. De kinderrechter heeft daarnaast, met instemming van alle aanwezigen, bijzondere toestemming verleend aan mevrouw [naam] , werkzaam als 1-op-1 begeleidster van [minderjarige] vanuit [zorgorganisatie 1] , om de zitting als toehoorder bij te wonen. 1.3. Bij aanvang van de zitting constateert de kinderrechter dat de moeder niet is verschenen. Omdat de moeder in deze procedure is aangemerkt als belanghebbende, dient de kinderrechter te controleren of de moeder correct is opgeroepen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder tijdig en zowel per gewone als aangetekende post is opgeroepen voor de zitting op het bij de rechtbank bekende adres van de moeder in Duitsland. Gelet hierop stelt de kinderrechter vast dat de moeder correct is opgeroepen voor de zitting. De kinderrechter heeft daarom de zitting buiten aanwezigheid van de moeder voortgezet. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 25 maart 2025 is deze maatregel voor het laatst verlengd tot 29 april 2026. 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 22 juli 2025 is een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 29 november 2025. 2.4. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 november 2025 is een (aansluitende) machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 29 januari 2026. 2.5. Op basis van voormelde machtiging is [minderjarige] opgenomen en verblijft zij momenteel bij [zorginstelling 2] in [plaats 1] , in een gesloten setting. 3 Het verzoek van de GI en de onderbouwing daarvan 3.1. De GI verzoekt om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling van [minderjarige] , dus voor de duur van drie maanden, met ingang van 29 januari 2026 en tot 29 april 2026. 3.2. De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Op basis van de huidige machtiging gesloten jeugdhulp verbleef [minderjarige] op de hybride groep van [zorginstelling 2] in [plaats 2] . Na de vorige zitting in november 2025 vertoonde [minderjarige] echter in toenemende mate zelfbepalend en ander negatief gedrag zoals de hele dag op bed liggen en het verzamelen en gebruiken van de ADHD-medicatie van een groepsgenoot. Op een gegeven moment is de situatie op de groep geëscaleerd, waarbij [minderjarige] haar deur heeft gebarricadeerd en zij fysieke agressie heeft getoond, met als gevolg dat de politie is gealarmeerd. Het verblijf van [minderjarige] op de hybride groep is toen onhoudbaar geworden; de veiligheid van [minderjarige] op de groep en dat van haar groepsgenoten kon niet langer gewaarborgd worden. [minderjarige] is daarom teruggeplaatst naar de gesloten groep van [zorginstelling 2] in [plaats 1] . Gezien wordt dat zij gedijt bij de op die groep geboden duidelijkheid, regels en structuur. [minderjarige] heeft vooralsnog geen dagbesteding, maar dit zal in de komende periode worden opgebouwd. Hoewel zij momenteel wel intensieve 1-op-1 begeleiding krijgt, is het de bedoeling om dit in de komende periode af te bouwen. De 1-op-1 begeleiding is namelijk niet bedoeld voor een langere tijd. De realiteit is dat [minderjarige] kampt met complexe problematiek en dat de overstap naar de (meer) open setting van de hybride groep in de afgelopen periode is mislukt. Dit maakt dat het aantal passende vervolgplekken voor [minderjarige] schaars is en dat er nu voldoende tijd en ruimte nodig is om de vervolgstappen te bepalen. Het persoonlijke onderzoek naar [minderjarige] alsmede het onderzoek van de Raad naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel is momenteel in de afrondende fase. De bedoeling is om deze informatie te zijner tijd in te brengen bij het Regionaal Expertiseteam (RET) teneinde het perspectief van [minderjarige] te bepalen. De GI vindt een terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader niet in haar belang vanwege de onveiligheid die zij in het verleden bij hem heeft ervaren en de (opvoed)situatie van de vader nog onvoldoende is veranderd. 4 De standpunten 4.1. [minderjarige] heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] vindt de gesloten instelling van [zorginstelling 2] een goede plek om te verblijven, maar zij houdt het op de meidengroep waar zij momenteel verblijft ( [afdeling 1] ) niet nog veel langer vol. [minderjarige] wil graag worden overgeplaatst naar de gemixte groep op het terrein van [zorginstelling 2] ( [afdeling 2] ). [minderjarige] vindt dat zij op de huidige groep momenteel niets leert. Zo komt zij dan ook niet verder. De huidige groep lokt bovendien bij haar agressie uit. [minderjarige] kan instemmen met een nieuwe machtiging gesloten jeugdhulp voor een korte duur. Het liefste wil [minderjarige] in de komende periode stapsgewijs, met wenmomenten, bij haar vader worden teruggeplaatst, om van daaruit door te stromen naar begeleid wonen. 4.2. De advocaat heeft, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Doordat [minderjarige] al langere tijd geen duidelijk perspectief heeft en zij momenteel geen dagbesteding heeft, is haar situatie uitzichtloos. De advocaat vindt het ook zorgelijk dat de 1-op-1 begeleiding wordt afgebouwd, mede omdat deze begeleiding meedenkt in het bepalen van het perspectief van [minderjarige] . De advocaat vindt het dan ook des te knapper dat [minderjarige] in de afgelopen periode in geslotenheid positieve stappen heeft laten zien. Aangezien [minderjarige] richting haar meerderjarigheid gaat, is het geen optie om haar nog veel langer in geslotenheid te laten verblijven. De advocaat pleit daarom voor een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] voor een korte periode om de overstap naar een (meer) open setting op een goede manier te kunnen inzetten.
Volledig
De advocaat heeft in dat verband de mogelijkheid genoemd om [minderjarige] te plaatsen in de onlangs geopende open setting van [zorgorganisatie 2] in [plaats 3] voor begeleid wonen met intensieve begeleiding. Van daaruit zal er moeten worden ingezet op een terugkeer van [minderjarige] naar haar vader. 4.3. Namens en door de vader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vader staat achter wat [minderjarige] zelf graag wil. Het liefste wil de vader dat [minderjarige] per direct bij hem wordt teruggeplaatst. De vader herkent zich niet in het negatieve beeld dat de GI over zijn (opvoed)situatie schetst. Namens de vader is daarom gepleit tot afwijzing van het verzoek. 5 De beoordeling 5.1. In artikel 6.1.2. van de Jeugdwet staat dat de kinderrechter op verzoek een machtiging kan verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter: jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren; de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen. 5.2. Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, blijkt dat [minderjarige] kampt met ernstige opvoed- en opgroeiproblematiek en dat zij zich in het verleden heeft onttrokken aan de zorg die nodig is om deze problematiek weg te nemen dan wel (verergering daarvan) te voorkomen. [minderjarige] heeft ook al veel wisselende verblijfplaatsen gehad. Zij heeft thuis gewoond, zij is uit huis geplaatst geweest in een open setting, zij heeft al eerder in een gesloten setting verbleven en in de afgelopen periode heeft zij op de hybride groep verbleven van [zorginstelling 2] in [plaats 2] . Het verblijf van [minderjarige] op die hybride groep is echter niet goed gegaan. Daar vertoonde zij in toenemende mate zelfbepalend en ander negatief gedrag, waardoor de situatie op een gegeven moment is geëscaleerd en haar verblijf op die groep onhoudbaar is geworden. [minderjarige] is daarom teruggeplaatst naar een gesloten groep van [zorginstelling 2] in [plaats 1] . Momenteel heeft [minderjarige] geen passende dagbesteding. Dat [minderjarige] zelf het gevoel heeft dat zij momenteel niets leert op de gesloten groep en dat zij daar niet beter van wordt, is dan ook begrijpelijk. Tegelijkertijd wordt door de betrokken jeugdprofessionals gezien dat zij baat heeft bij de geboden duidelijkheid, regels en structuur op de gesloten groep en dat zij positieve stappen maakt. Ook zal de dagbesteding op korte termijn starten, zo heeft de GI aangegeven. 5.3. Hoewel [minderjarige] al gedurende meerdere periodes in haar leven en in totaal een lange tijd in geslotenheid heeft verbleven, is er recentelijk nog geprobeerd om haar over te plaatsen naar een (meer) open setting, namelijk de hybride groep, maar dit is dus niet goed gegaan. De huidige positieve ontwikkelingen in de gesloten setting zijn nog pril en kwetsbaar. Van belang is dat de volgende overstap naar een meer open setting goed zal gaan en dat wordt voorkomen dat de overstap opnieuw misgaat, waardoor zij wordt geconfronteerd met een teleurstelling en een verlieservaring en waarbij de huidige positieve ontwikkelingen tenietgedaan worden. Gezien de complexe persoonlijke problematiek en voorgeschiedenis van [minderjarige] , zal de volgende overstap dus op een goede en verantwoorde manier moeten worden ingezet. Gelet hierop vindt de kinderrechter het voorstel van [minderjarige] en haar advocaat om haar per direct dan wel op korte termijn bij de vader te plaatsen, geen goed voorstel. Er zijn ook geen open groepen waar [minderjarige] per direct op een goede en verantwoorde manier terecht kan. De kinderrechter wil [minderjarige] ook geen valse verwachtingen geven. Daar staat tegenover dat het niet goed is dat [minderjarige] momenteel perspectief mist en dat zij het gevoel heeft dat zij stilstaat in het leven. Dit is ook niet in haar belang. De kinderrechter zal daarom deels meegaan in het standpunt van de advocaat en een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verlenen voor een kortere duur dan is verzocht, namelijk voor de duur van twee maanden, dus met ingang van 29 januari 2026 tot 29 maart 2026. De beslissing over het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de zitting op [datum] 2026 om [tijdstip] . Deze datum en tijdstip is na afloop in overleg met de advocaten en met het oog op de verhinderdagen die de jeugdbeschermer bij het verzoekschrift heeft doorgegeven, bepaald. 5.4. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij verantwoord maar ook voortvarend zal blijven handelen bij haar pogingen om duidelijkheid te verschaffen over het perspectief van [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] staat hierbij voorop. De kinderrechter geeft hierbij aan de GI ter overweging mee de mogelijkheid te onderzoeken om [minderjarige] te plaatsen bij [zorgorganisatie 2] , zoals door de advocaat is voorgesteld. Tegelijkertijd is het van belang dat [minderjarige] de positieve stappen zal blijven doorzetten en dat zij zal blijven meewerken met de GI en de betrokken hulpverlening. Zonder de inzet en de medewerking van [minderjarige] zal het naar verwachting niet lukken om haar op een korte termijn op een passende, meer open vervolgplek te plaatsen. De kinderrechter spreekt het vertrouwen uit dat haar dit zal gaan lukken. 5.5. De kinderrechter merkt tot slot op dat zij niet gaat over de vraag op welke groep [minderjarige] dient te worden geplaatst. [minderjarige] kan hierover samen met haar advocaat in gesprek gaan met de GI en [zorginstelling 2] . Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 29 januari 2026 tot 29 maart 2026; 6.2. houdt de beslissing over het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting op [datum] 2026 om [tijdstip] , bij mr. Van de Kraats als kinderrechter in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda , aan de Stationslaan 10, 4815 GW; 6.3. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor [minderjarige] , haar advocaat, de GI, de vader en de moeder; 6.4. behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 11 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.