Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-18
ECLI:NL:RBZWB:2026:1208
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,040 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1208 text/xml public 2026-03-06T12:53:16 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-18 11904331 \ CV EXPL 25-3244 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Breda Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1208 text/html public 2026-03-06T11:41:16 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1208 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-02-2026 / 11904331 \ CV EXPL 25-3244 (E) Deze zaak gaat in de kern over de ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en de ontruiming van de door huurder gehuurde woning wegens een huurachterstand. De kantonrechter zal de vorderingen van verhuurder toewijzen. Hierna legt de kantonrechter dit oordeel uit. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 11904331 \ CV EXPL 25-3244 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van STICHTING BEWARING WONINGFONDS XII , te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: Woningfonds, gemachtigde: G.J. Timmermans, tegen [huurder] , te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [huurder], procederend in persoon. De zaak in het kort Deze zaak gaat in de kern over de ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en de ontruiming van de door [huurder] gehuurde woning wegens een huurachterstand. De kantonrechter zal de vorderingen van Woningfonds toewijzen. Hierna legt de kantonrechter dit oordeel uit. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de akte van Woningfonds - de akte van [huurder] - de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Woningfonds verhuurt aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 1.401,12 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing. 2.2. [huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Woningfonds heeft [huurder] aangemaand op 6 augustus 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. 2.3. Woningfonds heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Woningfonds heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering. 3 Het geschil 3.1. Woningfonds vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 31.240,64 aan huurachterstand met nevenvorderingen. 3.2. Woningfonds legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Woningfonds de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. 3.3. [huurder] voert verweer. [huurder] erkent de huurachterstand, maar voert aan dat zijn belangen en de omstandigheden van het geval meebrengen dat de gevorderde ontbinding en ontruiming afgewezen dienen te worden. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. [huurder] heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met 31 januari 2026 berekend is op een bedrag van € 31.240,64. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen. 4.2. [huurder] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen. 4.3. Woningfonds vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [huurder] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Woningfonds heeft aan [huurder] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 1.230,99 worden toegewezen. 4.4. De kantonrechter heeft vastgesteld dat Woningfonds heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. 4.5. Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. 4.6. Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand circa 17 maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels circa 22 maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. [huurder] heeft nog omstandigheden aangevoerd, maar die leiden niet tot een ander oordeel. Zo heeft [huurder] meerdere malen beterschap beloofd, maar hij heeft dat niet in de praktijk kunnen brengen. Verder wijst [huurder] erop dat Woningfonds geen betalingsregeling wil(de) treffen, maar zij is daartoe ook niet verplicht. Bovendien had dat [huurder] er niet van hoeven te weerhouden om desondanks (deel)betalingen te doen. [huurder] heeft echter al bijna twee jaar geen enkele (huur)betaling gedaan. 4.7. De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind de belangen van kinderen een eerste overweging moeten vormen. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn. Dat is in de zaak van [huurder] niet aan de orde. Weliswaar verblijven zijn minderjarige kinderen regelmatig bij hem, maar zij hebben ook huisvesting bij hun moeder op een ander adres. 4.8. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [huurder] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen. 4.9. Woningfonds wil ook dat [huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 1.401,12, of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging is toegelaten, te rekenen vanaf de maand februari 2026 tot het moment dat [huurder] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurder] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen. 4.10.