Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:1198
Civiel recht
Kort geding
3,864 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1198 text/xml public 2026-03-24T09:26:06 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-17 C/02/444083 / KG ZA 26-20 Uitspraak Kort geding Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1198 text/html public 2026-03-23T15:58:06 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1198 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-02-2026 / C/02/444083 / KG ZA 26-20 afwijzing vorderingen vanwege gemaakte tijdelijke afspraken en verwijzing uha vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg zaaknummer / rolnummer: C/02/444083 / KG ZA 26-20 Vonnis in kort geding van 17 februari 2026 in de zaak van [de man] , wonende te [plaats 1] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat: mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken te Breda, tegen [de vrouw] , wonende te [plaats 2] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. M. Leimena te Dordrecht. Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord met producties, tevens eis in reconventie; - het e-mailbericht van mr. Leimena d.d. 28 januari 2026 met producties; - de mondelinge behandeling op 5 februari 2026. 1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten, waarbij mr. Van Berckel-van der Rijken is waargenomen door kantoorgenoot mr. F. Huisman. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023. 2.2. De man heeft [minderjarige] erkend. 2.3. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.4 Partijen hebben op 30 augustus 2024 een ouderschapsplan ondertekend. Hieruit volgt dat partijen overeengekomen zijn dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw is en dat de zorg- en opvoedingstaken evenredig tussen partijen worden verdeeld in de vorm van co-ouderschap, inhoudende dat: [minderjarige] één keer per veertien dagen van woensdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij de vrouw en de vrouw [minderjarige] ophaalt bij de man; [minderjarige] één keer per veertien dagen van woensdag 17:00 uur tot vrijdag 17:00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij de vrouw en de vrouw [minderjarige] ophaalt bij de man; [minderjarige] zit op maandag en dinsdag op het kinderdagverblijf in [plaats 2] en op donderdag op het kinderdagverblijf in [plaats 1] ; De vakanties en feestdagen zullen in onderling overleg worden verdeeld. 2.5 Op 2 juni 2025 heeft de man een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/436442 / FA RK 25-2992 ) strekkende tot de inschrijving GBA en de zorgregeling. 2.6 De vrouw heeft de Poolse nationaliteit, de man en [minderjarige] de Nederlandse. 3 Het geschil in conventie en reconventie 3.1. De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I de vrouw te verplichten haar medewerking te verlenen aan het hervatten van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] : Primair conform het voorstel van de man, inhoudende de overdracht via het kinderdagverblijf, inhoudende: - in de oneven weken haalt de man [minderjarige] op dinsdag op van het kinderdagverblijf in [plaats 2] , de vrouw haalt op donderdag [minderjarige] op van het kinderdagverblijf in [plaats 1] . In de even weken brengt de vrouw [minderjarige] op donderdag naar het kinderdagverblijf in [plaats 1] en de man haalt hem daar op. Op maandag brengt de man [minderjarige] naar het kinderdagverblijf in [plaats 2] ; Subsidiair conform de regeling die in het ouderschapsplan is opgenomen, dan wel een andere contactregeling op te leggen die de rechtbank passend en in het belang van [minderjarige] acht; II aan bovenstaande verplichtingen tot nakoming van de omgangsregeling een dwangsom te koppelen van € 200,- per keer dat de vrouw nalaat zich aan de beslissing van de rechtbank te houden. 3.2 De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen. In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, - te bepalen dat het halen en brengen van [minderjarige] voorlopig als volgt plaatsvindt, dat [minderjarige] op de woensdagen door de grootouders vaderszijde bij oma moederszijde wordt opgehaald, (geen van de partijen is daarbij aanwezig, stiefvader mag binnen zijn, maar houdt zich afzijdig) en oma moederszijde [minderjarige] bij de grootouders vaderszijde ophaalt (geen van de partijen is daarbij aanwezig), althans een regeling voor het halen en brengen door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1 De voorzieningenrechter constateert dat de vrouw de Poolse nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de voorzieningenrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de voorzieningenrechter het toepasselijk recht te bepalen. 4.2 Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. 4.3 Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast. Inhoudelijke beoordeling 4.4 Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. 4.5 Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de verstandhouding en communicatie tussen partijen dringend verbetering behoeft. Hoewel de zorgregeling niet tussen hen ter discussie staat, lukt het partijen niet om de overdracht van [minderjarige] zonder spanningen te laten verlopen. Om confrontaties te voorkomen wilde de vrouw niet langer een directe overdracht van [minderjarige] tussen partijen, maar via haar stiefvader. Na een escalatie tussen de stiefvader en de man zijn partijen overeengekomen dat de ouders van de man voortaan aanwezig zouden zijn bij de overdracht. Ook dit heeft geleid tot een escalatie, waarna de vrouw heeft besloten om niet langer haar medewerking te verlenen aan de omgang tussen de man en [minderjarige] en met als gevolg dat de man [minderjarige] sinds medio januari niet meer gezien heeft. Het lukt partijen niet om in onderling overleg tot nadere afspraken ten aanzien van de overdracht te komen. Lastig is daarbij dat de vrouw na de relatiebreuk van partijen is verhuisd naar [plaats 2] . [minderjarige] gaat zowel bij de man als de vrouw naar een ander kinderdagverblijf. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw uitgesproken het belang van het contact tussen [minderjarige] en de man te erkennen en dat zij zich erin kan vinden dat dit zo spoedig mogelijk wordt hervat.
Volledig
Gezien de angst van de vrouw voor de man dient er een manier gevonden te worden waarbij contact tussen partijen wordt vermeden. Tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling is het partijen gelukt om afspraken te maken hierover, die tijdelijk zullen gelden tot dat de verzoeken die voorliggen in de bodemprocedure op 11 maart 2026 ter zitting worden behandeld. Partijen hebben afgesproken dat tot die tijd de overdracht van [minderjarige] zal plaatsvinden op het kinderdagverblijf in [plaats 1] . Er zal zolang een week-op-week-af-regeling gelden met de donderdag als wisseldag, waarbij de vrouw in de even weken [minderjarige] op donderdag naar het kinderdagverblijf in [plaats 1] zal brengen en in de oneven weken hem daar zal ophalen. Op de maandag en dinsdag zal [minderjarige] zoals gebruikelijk naar het kinderdagverblijf in [plaats 2] blijven gaan. De man zal [minderjarige] in zijn week ook hiervoor zorgdragen. Tenslotte hebben partijen aangegeven dat zij zich ervan bewust zijn dat hun onderlinge verstandhouding en communicatie verbetering behoeft en dat zij bereid zijn hiervoor hulpverlening aan te gaan. 4.6 Nu partijen tot tijdelijke afspraken zijn gekomen voor de periode tot aan de mondelinge behandeling van de verzoeken die voorliggen in de bodemprocedure op 11 maart 2026 alsmede ten aanzien van de verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod, behoeven de vorderingen die in dit kort geding voorliggen geen verder inhoudelijk oordeel. De afspraken die zijn gemaakt zullen als voorlopige zorgregeling bij vonnis worden vastgelegd, waarbij de vorderingen voor het overige zullen worden afgewezen. 4.7 De voorzieningenrechter vindt het met de Raad nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Zoals voornoemd hebben ouders tijdens de mondelinge behandeling hiermee ingestemd dat de voorzieningenrechter hen en hun minderjarige kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 3 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Dit vonnis geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 4.8 Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 4.9 Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de voorzieningenrechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie); - het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie). De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1). Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 4.10 Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/436442 / FA RK 25-2992. 4.11 Gelet hierop verzoekt de voorzieningenrechter het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum , of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. 4.12 Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot het kind. 4.13 Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de voorzieningenrechter het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 4.14 Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 4.15 Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de voorzieningenrechter de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/436442 / FA RK 25-2992 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ? - Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden? 4.16 Dit vonnis is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk acht. 4.17 Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop. 4.18 De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd. 4.19 Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter in conventie en in reconventie: 5.1 bepaalt dat er een voorlopige verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen partijen zal gelden conform de afspraken zoals opgenomen onder r.o. 4.5 van dit vonnis; 5.2 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3 verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West.