Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:1188
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,316 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1188 text/xml public 2026-03-20T03:02:20 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-17 C/02/433845 / FA RK 25-1738 Uitspraak Rekestprocedure Beschikking NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1188 text/html public 2026-03-03T11:23:57 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1188 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-02-2026 / C/02/433845 / FA RK 25-1738 aanhouden bs tav hoofdverblijf en zorgregeling in afwachting ontwikkelingen ots en zicht op situatie vrouw in België beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/433845 / FA RK 25-1738 datum uitspraak: 17 februari 2026 Nadere beschikking van de meervoudige kamer betreffende vervangende toestemming wijziging hoofdverblijf, vervangende toestemming inschrijving school en wijziging zorgregeling in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats 1] (België), advocaat: mr. M. Gruiters te Nieuwegein, tegen [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. Q. van Mossevelde te Terneuzen . Ouders van de thans nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017; - [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2018. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer van de rechtbank over de verzoeken te adviseren. 1 Het nadere procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond de navolgende stukken: - de beschikking van 3 juli 2025 en de daarin vermelde stukken; - de beschikking van 8 augustus 2025 en de daarin vermelde stukken; - het F9-formulier van mr. Gruiters d.d. 19 augustus 2025; - het F9-formulier van mr. Gruiters d.d. 20 augustus 2025; - het op 30 december 2025 ingekomen raadsrapport d.d. 23 december 2025; - het op 12 januari 2025 door mr. Gruiters ingediende verweerschrift. 1.2 De verzoeken zijn nader door de meervoudige kamer van deze rechtbank mondeling behandeld op 15 januari 2026, gelijktijdig met het verzoek van de Raad strekkende tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (zaaknr. C/02/443406 / JE RK 25-2302 ). Bij die behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een tweetal vertegenwoordigsters van de Raad en een tweetal vertegenwoordig(st)ers van de GI. 1.3 Ten aanzien van het verzoek van de Raad is op 17 februari 2026 bij separate beschikking beslist. 1.4 De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt. 2 De nadere beoordeling 2.1. De rechtbank verwijst naar de door haar eerder gegeven tussenbeschikkingen van 3 juli 2025 en 8 augustus 2025. Bij beschikking van 3 juli 2025 heeft de rechtbank een verdeling van de zomervakantie 2025 bepaald, rekening houdend met de zomerschool van de minderjarigen, en waarbij het wisselmoment telkens plaatsvindt om 17:00 uur: Week 1: Zondag 6 juli tot en met woensdag 9 juli bij de vrouw; Woensdag 9 juli en vrijdag 11 juli bij de man (in verband met zomerschool); Vrijdag 11 juli en zondag 13 juli bij de vrouw; Week 2: Zondag 13 juli tot en met zondag 20 juli bij de man; Week 3: Zondag 20 juli tot en met vrijdag 25 juli bij de man; Vrijdag 25 juli en zondag 27 juli bij de vrouw (twee dagen compensatie in verband met zomerschool op donderdag 10 en 11 juli); Week 4: Zondag 27 juli tot en met zondag 3 augustus bij de vrouw; Week 5: Zondag 3 augustus tot en met zondag 10 augustus bij de vrouw; Week 6: Zondag 10 augustus tot en met zondag 17 augustus bij de man; Week 7: Zondag 17 augustus tot en met zondag 24 augustus bij de vrouw; Week 8: Zondag 24 augustus tot en met 31 augustus bij de man. 2.2. Voorts heeft de rechtbank bij beschikking van 8 augustus 2025 de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in de beschikking vermelde vragen met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling en om daarover te rapporteren en te adviseren. De rechtbank heeft de behandeling van de verzoeken aangehouden in afwachting van het rapport en de bevindingen van de Raad. 2.3 Op 30 december 2025 heeft de rechtbank het rapport met bijbehorend advies van de Raad ontvangen. Uit dit rapport volgt dat de Raad de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk acht. De Raad verzoekt dit te doen voor de duur van een jaar alsmede om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen bij de grootouders vaderszijde voor de duur van zes maanden. De Raad adviseert de rechtbank om de beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling aan te houden voor de duur van de ondertoezichtstelling. Daarbij adviseert de Raad een voorlopige zorgregeling te bepalen, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een weekend per veertien dagen bij de moeder verblijven van vrijdag 19:00 uur tot zondag 17:00 uur en een weekend per veertien dagen bij de vader van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur en daarnaast de helft van de vakanties en feestdagen. Op basis van de uitkomsten van de ondertoezichtstelling kan de rechtbank alsdan een beslissing nemen ten aanzien van het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders. Indien te zijner tijd een nadere zitting wordt bepaald, kan de Raad op basis van de informatie die verkregen wordt vanuit de GI en de visie van ouders de rechtbank ter zitting adviseren. 2.4 Op 12 januari 2026 heeft de rechtbank van mr. Gruiters een verweerschrift ontvangen. Namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder verzoekt deze verzoeken af te wijzen en haar inleidende (gewijzigde) verzoeken toe te wijzen. De verzoeken van de moeder luiden na wijziging als volgt: de beschikking van 9 september 2024 en het ouderschapsplan van juni 2024 te wijzigen en te bepalen dat alle drie de kinderen van partijen vanaf 4 april 2026 hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw; de vrouw vervangende toestemming te verlenen om de kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , per 4 april 2026 in te schrijven op haar adres in de registers van de burgelijke stand aldaar; te verklaren voor recht dat de vrouw vanaf 4 april 2026 gerechtigd zal zijn tot de kinderbijslag (althans het Belgische alternatief) voor alle drie de kinderen van partijen; e vrouw vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] per 4 april 2026 in te schrijven op de [basisschool] ; te bepalen dat de kinderen om de week een weekend bij de man zullen zijn van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur, waarbij de ouder bij wie de kinderen zullen gaan verblijven de kinderen ophaalt bij de andere ouder; subsidiair: indien de kinderen in Nederland wonen: te bepalen dat de kinderen om de week een weekend bij de vrouw zijn van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur, waarbij de ouder bij wie de kinderen zullen gaan verblijven de kinderen op haalt bij de andere ouder. de vakanties te verdelen conform punt 48 tot 53 van het verweerschrift, waarbij de ouder bij wie de kinderen zullen gaan verblijven de kinderen ophaalt bij de andere ouder; te bepalen dat iedere wissel van de kinderen dient plaats te vinden op het thuisadres van de betreffende ouder. 2.5 De rechtbank overweegt als volgt.
Volledig
2.5.1 De rechtbank verwijst naar haar separate beslissing van heden, waarin zij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht heeft gesteld van de GI voor de duur van een jaar met als doel dat de ouders onder regie van de GI hulpverlening gaan aanvaarden ter verbetering van het gezinssysteem waarin de kinderen opgroeien en dat daarbij in de komende periode onderzocht wordt waar de kinderen vervolgens het beste kunnen opgroeien. De rechtbank heeft daarbij besloten om de huidige bestaande situatie, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hoofdzakelijk bij de grootouders vaderszijde wonen, te bevriezen totdat meer duidelijkheid is verkregen over het perspectief van de kinderen. Om de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders vaderszijde te kunnen borgen, heeft de rechtbank een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van zes maanden. 2.5.2 Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een beslissing op de verzoeken die voorliggen in de onderhavige procedure nog niet aangewezen. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar overweging in de separate beschikking, waarin zij oordeelt dat er meer zicht moet komen op de situatie van de moeder in België om te kunnen bepalen welke opvoedsituatie (en daarmee de bepaling van het hoofdverblijf en de zorgregeling met de andere ouder) het meest tegemoet komt aan de belangen van de kinderen. De rechtbank vindt overeenkomstig het advies van de Raad dat de ontwikkelingen die bereikt worden onder regie van de GI afgewacht moeten worden. Dit betekent dat de rechtbank de verzoeken die thans voorliggen zal aanhouden. Omdat het verblijf van de kinderen bij grootouders inmiddels is geborgd en de kinderen dus het komende halfjaar woonachtig blijven in Nederland, acht de rechtbank het aangewezen dat er duidelijke afspraken liggen ten aanzien van het contact met hun ouders om zodoende discussies hierover te vermijden. Nu tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beide partijen zich hierin kunnen vinden, zal de rechtbank, overeenkomstig het advies van de Raad en het verzoek van de vrouw, een voorlopige zorgregeling bepalen, waarbij de kinderen om het weekend bij de vrouw zijn van vrijdag tot zondag en het andere weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man. Beide partijen zijn het er over eens dat het weekend van de vrouw aanvangt op vrijdag 17:00 uur in plaats van 19:00 uur, op zondag is voor beide ouders de eindtijd 17:00 uur. De ouder bij wie de kinderen zullen gaan verblijven haalt hen op op het woonadres van de andere ouder. Ten aanzien van de vakanties stelt de rechtbank vast dat het partijen gelukt is om afspraken te maken: - voorjaarsvakantie: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de man van 13 februari 2026 09:00 uur tot 18 februari 2026 14:00 uur; - meivakantie: omdat er geen overlap is tussen de schoolvakanties in België en Nederland zal de weekendregeling doorlopen; - zomervakantie (aanvang 4 juli 2026): week 1, 2 en 3 zullen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man verblijven, week 4 (wissel op zaterdag 25 juli 2026), 5 en 6 bij de vrouw, week 7 bij de man en week 8 bij de vrouw; - de herfstvakantie en kerstvakantie zullen in nader overleg bij helfte worden verdeeld. De rechtbank zal deze afspraken meenemen in de voorlopige zorgregeling. 2.5.3 Zoals voornoemd zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf, de school en de definitieve zorgregeling aanhouden tot 21 juli 2026 PRO FORMA . Partijen worden alsdan verzocht om de rechtbank te voorzien van een update en om zich daarbij uit te laten over het door hen gewenste verdere procesverloop. De meervoudige kamer van deze rechtbank kondigt alvast aan de zaak aan zich te houden, als blijkt dat een nadere zitting door partijen gewenst is. 2.5.4 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1 bepaalt als voorlopige zorgregeling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week van vrijdag 17:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de vrouw verblijven en het andere weekend bij de man van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de ouder bij wie de kinderen gaan verblijven de kinderen ophaalt bij de andere ouder en waarbij iedere wissel plaatsvindt op het woonadres van de betreffende ouder; de vakanties zullen worden verdeeld conform de regeling zoals onder r.o. 2.5.2 is opgenomen; 3.2 verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.3 houdt in afwachting van de ontwikkelingen en het door partijen gewenste procesverloop de behandeling van deze zaak ten aanzien van het hoofdverblijf en de definitieve zorgregeling aan tot 21 juli 2026 PRO FORMA; 3.4 houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, voorzitter en kinderrechter, mrs. Dijkman en Hendriks, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.