Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-18
ECLI:NL:RBZWB:2026:1132
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
5,660 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1132 text/xml public 2026-03-05T13:44:20 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-18 434699 HA ZA 25-257 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Breda Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1132 text/html public 2026-03-04T15:23:49 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1132 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-02-2026 / 434699 HA ZA 25-257 (E) De vraag die beantwoord is, is of de betalingen die zijn gedaan tijdens de affectieve relatie kwalificeren als een geldlening. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/434699 / HA ZA 25-257 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. R.T.P. Tielemans, tegen [gedaagde] , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. I. Oztas. 1 De zaak in het kort [eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. [eiser] heeft geldbedragen overgemaakt op de bankrekening van [gedaagde] . Er is ook een aantal bedragen overgemaakt op de bankrekening van de broer van [gedaagde] . Partijen discussiëren over de vraag of sprake is van een geldlening met terugbetalingsverplichting. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een geldlening met terugbetalingsverplichting als het gaat om de bedragen die zijn overgemaakt op de bankrekening van [gedaagde] en wijst dit gedeelte van de vordering toe. Voor de bedragen die aan de broer van [gedaagde] zijn betaald staat onvoldoende vast dat die betalingen kunnen worden aangemerkt als een geldlening van [eiser] aan [gedaagde] . Dit gedeelte van de vordering wijst de rechtbank af. De rechtbank licht haar oordeel hieronder toe. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 10 september 2025 - akte overleggen nadere producties namens [eiser] van 8 december 2025, met de producties 14 tot en met 36 - de mondelinge behandeling van 8 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de tijdens de mondelinge behandeling namens [gedaagde] voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Oztas - akte uitlaten producties namens [gedaagde] van 7 januari 2026. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [gedaagde] had op dat moment een partner, zodat de relatie tussen [eiser] en [gedaagde] geheim was. 3.2. [eiser] heeft in de periode maart 2023 tot en met maart 2024 diverse bedragen overgemaakt op de bankrekening van [gedaagde] en op de bankrekening van [persoon] . [persoon] is de broer van [gedaagde] . 3.3. [eiser] heeft in de genoemde periode een bedrag van €,19.270,00 overgemaakt op de bankrekening van [gedaagde] . Op de bankrekening van [persoon] is in genoemde periode een bedrag van € 7.100,00 overgemaakt. Bij een aantal betalingen heeft [eiser] een omschrijving geplaatst. Bij andere betalingen staat niets vermeld. 3.4. De volgende betalingen hebben plaatsgevonden: Datum Bedrag Omschrijving Ontvanger 16 maart 2023 € 2.000,00 [gedaagde] 19 maart 2023 € 2.200,00 [gedaagde] 16 mei 2023 € 200,00 [gedaagde] 27 juni 2023 € 1.000,00 Lening [gedaagde] 19 juli 2023 € 5.000,00 [gedaagde] 27 september 2023 € 800,00 Auto [gedaagde] 22 november 2023 € 220,00 [gedaagde] 1 december 2023 € 450,00 [gedaagde] 15 december 2023 € 600,00 [naam] [persoon] 21 december 2023 € 400,00 [gedaagde] 5 januari 2024 € 500,00 [gedaagde] 9 januari 2024 € 6.000,00 Borg [gedaagde] 18 februari 2024 € 2.000,00 Borg [naam] [persoon] 22 februari 2024 € 500,00 [persoon] 5 maart 2024 € 500,00 [gedaagde] 8 maart 2024 € 4.000,00 Borg [naam] [persoon] Totaal € 26.370,00 3.5. [gedaagde] heeft erkend dat de betalingen van 27 juni 2023 en 27 september 2023, van in het totaal € 1.800,00, een geldlening waren. 3.6. In de maanden mei en november 2023 zijn twee bedragen kort na overboeking weer terugbetaald (€ 200,00 en € 220,00). In juni tot en met oktober 2024 en in december 2024 heeft [gedaagde] maandelijks een bedrag terugbetaald aan [eiser] . In het totaal is toen een bedrag van € 950,00 terugbetaald. Daarna is [gedaagde] gestopt met betalen. 3.7. In een brief van 7 maart 2025 heeft [eiser] aanspraak gemaakt op (terug)betaling van een bedrag van € 25.000,00. 3.8. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan. 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot (terug)betaling van een bedrag van € 25.000,00, vermeerderd met rente en kosten. 4.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en subsidiair, voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat er wel sprake was van een geldlening, tot afwijzing van de vorderingen voor zover die betrekking hebben op de betalingen aan [persoon] . In beide gevallen vordert [gedaagde] een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling De standpunten van partijen 5.1. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat zij in de periode maart 2023 tot en met maart 2024 meerdere bedragen aan [gedaagde] heeft geleend. Zij heeft in de dagvaarding en ter zitting per betaling de redenen daarvoor toegelicht. Door het betalen van die bedragen gaf [eiser] [gedaagde] onder meer de mogelijkheid om andere schulden af te kunnen lossen, een auto aan te kunnen schaffen en op meerdere momenten borg te kunnen betalen. Een gedeelte van de betalingen is gedaan op de bankrekening van [gedaagde] . Een ander gedeelte is overgemaakt naar een bankrekening van [persoon] , maar deze betalingen zijn volgens [eiser] gedaan ten behoeve van [gedaagde] , waardoor deze bedragen moeten worden gezien als een geldlening aan [gedaagde] en waardoor hij deze bedragen moet terugbetalen. [eiser] heeft op meerdere momenten, via e-mail en whatsapp, gevraagd om terugbetaling van de verschillende aan [gedaagde] betaalde bedragen. [gedaagde] heeft in die correspondentie meerdere malen aangegeven dat hij zou gaan terugbetalen. [gedaagde] heeft in 2024, in termijnen, een bedrag van € 950,00 terugbetaald. Nadat [gedaagde] is opgehouden met terugbetaling van de geleende bedragen heeft [eiser] de restant geldlening van € 25.000,00 in een brief van 7 maart 2025 opgeëist. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan, zodat hij volgens [eiser] in verzuim is. [gedaagde] is daardoor naast de hoofdsom ook de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente verschuldigd. 5.2. [gedaagde] erkent dat hij meerdere geldbedragen heeft ontvangen van [eiser] , maar hij betwist dat sprake is van een geldlening en dat hij [eiser] nog geld verschuldigd is. Alleen de betalingen die hebben plaatsgevonden op 27 juni 2023 en 27 september 2023, beiden bestemd voor de aankoop van een auto, waren een geldlening. Het gaat dan om een bedrag van € 1.800,00. Hij heeft daarop een bedrag van € 950,00 afgelost. [gedaagde] heeft de overige betalingen opgevat als vrijwillige bijdragen voortvloeiend uit de persoonlijke band tussen partijen. Hij wijst er daarbij op dat het niet ongebruikelijk is dat in een affectieve relatie door de ene partner geld wordt overgemaakt aan de andere partner, zonder dat sprake is van een geldlening. Volgens [gedaagde] was er sprake van schenkingen. [eiser] zou pas zijn gaan vragen om terugbetaling van de bedragen nadat de relatie was verbroken, wat volgens [gedaagde] rond oktober/november 2024 was. Verder merkt [gedaagde] op dat een aantal bedragen niet op zijn bankrekening is overgemaakt maar op de bankrekening van [persoon] , zodat voor die bedragen in ieder geval geen sprake is van een geldlening aan hem. [gedaagde] zegt bij deze transacties niet betrokken te zijn geweest. In de e-mail- en whatsapp-correspondentie die tussen hem en [eiser] is gevoerd is hij door [eiser] onder druk gezet om de geldbedragen terug te betalen. Hij heeft daarop in algemene bewoordingen aangegeven dat hij de ontvangen bedragen terug zou betalen.
Volledig
Het ging daarbij slechts om vrijblijvende en voorwaardelijke toezeggingen, niet om een verplichting omdat er bij het merendeel van de betalingen geen afspraken zijn gemaakt over (verplichte) terugbetaling, rente, aflossingstermijnen of andere kenmerken die kenmerkend zijn voor een geldleningsovereenkomst. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een geldlening tussen [eiser] en [gedaagde] 5.3. Uit de wet volgt dat sprake is van een overeenkomst van geldlening wanneer de ene partij, de uitlener (in deze zaak [eiser] ), zich verbindt aan de andere partij, de lener (in deze zaak [gedaagde] ), een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat op de bankrekening van [gedaagde] en op de bankrekening van [persoon] een aantal geldbedragen is overgemaakt tot een (restant) totaalbedrag van € 25.000,00. Er bestaat wel discussie over de vraag of [gedaagde] zich heeft verbonden aan [eiser] om dit bedrag terug te betalen. Dit wordt door [gedaagde] betwist. 5.4. De rechtbank overweegt dat het gedurende een affectieve relatie niet ongebruikelijk is dat over en weer betalingen worden gedaan. Na beëindiging van de relatie leidt dat, zoals terecht opgemerkt door [gedaagde] , niet automatisch tot een financiële afrekening. Het enkele feit dat gedurende een relatie de ene partner iets voor of aan de ander heeft betaald, brengt dus niet met zich mee dat, na het verbreken van die relatie, een terugbetalingsverbintenis ontstaat. Dat is alleen anders, indien daarover andersluidende afspraken zijn gemaakt of uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mocht worden afgeleid dat de voor of aan de ander gedane betalingen moeten worden terugbetaald. Nu de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van een geldleningsovereenkomst rusten op [eiser] omdat zij zich op de rechtsgevolgen (te weten terugbetaling) die uit een geldleningsovereenkomst voortvloeien beroept, moet [eiser] voldoende stellen en bij betwisting bewijzen waaruit blijkt dat de door haar verstrekte bedragen aan [gedaagde] een geldlening waren. 5.5. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat [eiser] aan [gedaagde] geld heeft geleend onder de voorwaarde dat hij dat geld terug zou betalen. Hoewel geen sprake is van een schriftelijke geldleningsovereenkomst en ook een duidelijke mondelinge overeenkomst tussen partijen niet is komen vast te staan, blijkt uit de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat voor partijen duidelijk was dat betaalde/ontvangen bedragen zouden moeten worden terugbetaald. 5.6. [eiser] onderbouwt haar stellingen door te verwijzen naar een zeer uitvoerige e-mail- en whatsappcorrespondentie (hierna de overgelegde correspondentie) tussen haarzelf en [gedaagde] . Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat terugbetaling van de bedragen al van het begin af aan onderwerp van gesprek is geweest. Zo wijst [eiser] erop dat zij op 27 maart 2023 aan [gedaagde] schrijft: Ik wil uiterlijk op de dag van eind mijn € 4.200,00 terug hebben op mijn rekening. Hoe je het bij elkaar krijgt interesseert mij niet. Je regelt het maar . [gedaagde] schrijft [eiser] op 11 april 2023 aan [eiser] Tuurlijk neem ik jou daar serieus in babe zoals ik zij ik ben je echt dankbaar en ik ga jou daar ook voor terug betalen normaal . In een bericht van 19 augustus 2023 zegt [gedaagde] (o.a.) ik betaal alles netjes terug en in een bericht van 24 augustus 2023 schrijft hij K begin vanaf volgende maand jou met afbetalen als me traject klaar is en ik ga verdienen betaal ik je in grote delen terug want we kunne wel zegge met me salaris maar dat gaat lang duren k betaal je van a tot z af . Op 28 augustus 2023 schrijft [gedaagde] Omdat ik het niet heb dus beter dat ik het straks wel heb en je in grote delen snel kan afbetalen dan jaren wachten en Dat klopt maar maak je daar niet druk over, tot de laatste cent krijg je alles terug . De rechtbank stelt op basis van bovenstaande correspondentie vast dat na de eerste twee betalingen in maart 2023 door [gedaagde] al wordt gezegd dat hij alles zal terugbetalen. Ook na de betalingen van juni en juli 2023 geeft [gedaagde] aan dat hij alles zal terugbetalen. Voor [gedaagde] was naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat sprake was van een geldlening en de verplichting om deze terug te betalen. 5.7. Dit beeld wordt bevestigd in de latere correspondentie die tussen partijen heeft plaatsgevonden. In de overgelegde correspondentie, die uit de periode maart tot en met augustus 2024 is, wordt door [gedaagde] op meerdere momenten aangeven dat hij de bedragen aan [eiser] zal terugbetalen. De rechtbank leest dit (zonder een volledige weergave te willen doen) onder andere in de meer dan 80 pagina’s aan whatsappgesprekken uit de periode maart 2024 tot en met augustus 2024 die onderdeel zijn van de overgelegde correspondentie. Zo schrijft [eiser] op pagina 1 (25 maart 2024) En ook die € 500 die je in mei van vakantiegeld krijgt, hoe wil jij die aan mij geven als je vast zit . [gedaagde] reageert met Regel k via me broertje schat dont worry . Op pagina 4 in een whatsappbericht van 27 maart 2024 schrijft [eiser] Het enige vervelende is gewoon dat we financieel nog wel gebonden zijn aan elkaar, en dat wil ok ook gewoon het liefste snel achter de rug hebben . [gedaagde] reageert met Ja klopt daarom ga ik er snel achteraan. Op pagina 15 (27 maart 2024) schrijft [eiser] Vanaf komende maand [naam] wil ik elke maand een bedrag op mijn rekening zien, het interesseert me helemaal niks of je 6 banen moet gaan aannemen of 24/7 moet gaan werken of bij anderen moet gaan smeken om geld om mij terug te betalen, mijn jij betaald vanaf komende maand april mij elke maand een bedrag, je slaat geen maand over, en kom niet met smoesjes en verhalen waarom het een maand niet zou lukken, ik ben elke eind van de maand je eerst prioriteit aan wie jij moet betalen (…) Want ik ben veels te goed voor jou geweest en heb veels te lang een spelletje met me laten spelen, en dat is nu gewoon klaar. De reactie van [gedaagde] is Ik ga me best doen en Dus k ga er alles aan doen. Op pagina 23 (29 maart 2024) schrijft [eiser] [naam] het gaat erom dat jij geld geleend hebt bij mij . De reactie van [gedaagde] is Ik weet en En k ga me best doen . Op pagina 26 (29 maart 2024) schrijft [gedaagde] Mr k heb een schuld aan jou . En op pagina 49 (22 april 2024): Schat k ga je sowieso betalen en K ga er alles aan doen . Op pagina 60 (2 juni 2024) schrijft [eiser] Jij hebt geen €25.000 aan iemand geleend voor problemen en hulp. De reactie van [gedaagde] : K breng je niet bewust in de problemen. Op pagina 63/64 (3 juni 2024) schrijft [gedaagde] K heb bij je aangeklopt ja. 5.8. De rechtbank oordeelt dat de overgelegde correspondentie de stelling van [eiser] dat sprake is van een geldlening voldoende ondersteunt, nu [gedaagde] daarin zelf meermalen aangeeft dat hij het geld zal (terug)betalen, dat sprake is van een schuld of lening, dat er afspraken zijn gemaakt over het moment van terugbetalen etc. Daarbij weegt voor de rechtbank zwaar mee dat in de overgelegde correspondentie door [gedaagde] niet één keer ontkend is dat sprake is van een geldlening of dat er een terugbetalingsverplichting is. Hij heeft ook nergens opgemerkt dat alleen de bedragen die zagen op de aanschaf van een auto (juni en september 2023, totaal € 1.800,00) een geldlening waren, zelfs niet op het moment dat door [eiser] het bedrag van € 25.000,00 is genoemd. Ook het feit dat [gedaagde] afbetalingen heeft gedaan, weegt de rechtbank mee. Ten aanzien van de aflossingen is door [gedaagde] ook niet aangegeven dat die aflossingen enkel zagen op het bedrag van € 1.800,00. 5.9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] tegenover de gemotiveerde stellingen van [eiser] onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van zijn verweer dat geen sprake was van een geldlening maar van een schenking.
Volledig
[gedaagde] heeft in zijn verweer ook nog gesteld dat [eiser] pas na het einde van de relatie zou zijn gaan vragen om terugbetaling van de betaalde bedragen. Dat is niet juist, zo blijkt uit bovenstaande weergave uit de overgelegde correspondentie. Ter zake van de overgelegde correspondentie stelt [gedaagde] in de processtukken dat die zich afspeelde in een sterk emotionele setting, waarin [eiser] [gedaagde] onder zware morele en religieuze druk zette. Verder zouden door [gedaagde] slechts algemene en vage bewoordingen zijn gebruikt in de overgelegde correspondentie zodat hieruit geen erkenning van een geldlening of toezegging tot terugbetaling mag worden gelezen. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in deze stellingen. De rechtbank heeft in de overgelegde correspondentie geen zware druk zoals door [gedaagde] beschreven kunnen constateren. Deze druk is verder door [gedaagde] niet onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van algemene en vage bewoordingen. Uit de door [gedaagde] geschreven teksten blijkt duidelijk dat de door hem ontvangen geldbedragen zouden worden terugbetaald aan [eiser] . 5.10. Ter zitting is door [gedaagde] nog aangevoerd dat hij met de term ‘terugbetaling’ doelde op terugbetaling in vorm van klusjes in het huis van [eiser] of iets doen voor/met de kinderen. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in deze stelling. Enerzijds duidt het woord terugbetaling in het normale spraakgebruik op betaling in geld. Anderzijds blijkt op geen enkele wijze dat bedoeld zou zijn terugbetaling door het verrichten van klusjes of iets dergelijks. De overgelegde correspondentie geeft voor dit standpunt geen enkel aanknopingspunt. Sterker nog, het niet (kunnen) terugbetalen wordt door [gedaagde] in de stukken veelal gekoppeld aan het niet hebben van geld of inkomen. 5.11. Gelet op al het bovenstaande heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een geldlening tussen [eiser] en [gedaagde] . De bedragen die [eiser] aan [persoon] heeft betaald hoeft [gedaagde] niet terug te betalen 5.12. Van het gevorderde bedrag van € 25.000,00 is € 7.100,00 betaald op de bankrekening van [persoon] . [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] deze bedragen moet terugbetalen omdat deze bedragen ten behoeve van [gedaagde] aan [persoon] zijn betaald. [gedaagde] heeft dit betwist en voert aan dat hij bij de transacties tussen [eiser] en [persoon] niet betrokken is geweest, dat hij niet om dat geld heeft gevraagd en dat hij dat geld niet heeft ontvangen. 5.13. De rechtbank volgt [eiser] niet in haar standpunt dat [gedaagde] het bedrag dat op de rekening van [persoon] is gestort moet terugbetalen. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gesteld en bewezen dat de betaalde bedragen daadwerkelijk ten behoeve van [gedaagde] zijn betaald en/of besteed. Andere feiten en omstandigheden waarom [gedaagde] deze bedragen zou moeten terugbetalen zijn door [eiser] niet gesteld. Dit gedeelte van de vordering van [eiser] wordt om die reden afgewezen. [gedaagde] moet de wettelijke rente betalen maar de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen 5.14. [eiser] vordert wettelijke rente vanaf 8 maart 2024. Naar het oordeel van de rechtbank was op dat moment nog geen sprake van verzuim. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 19 april 2025, zijnde zes weken na 7 maart 2025, het moment waarop de geldlening in een brief door [eiser] werd opgeëist . 5.15. [eiser] vordert verder nog vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat de sommatie in de brief van 7 maart 2025 niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 6:96 BW zoals die gelden vanaf 1 juli 2012. De tekst in de sommatiebrief is naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk en niet correct. Allereerst wordt gezegd dat buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn indien het openstaande bedrag niet binnen 15 dagen wordt voldaan. Uit de sommatie blijkt echter niet wanneer de looptijd van de 15 dagen aanvangt. Vervolgens wordt gesommeerd om de hoofdsom én de buitengerechtelijke kosten te betalen vóór 29 maart 2025, dit maakt de inhoud van de brief verwarrend en onduidelijk. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 5.16. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 1.374,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.014,45 5.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 april 2025, tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.014,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 9 8,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Broek en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026. artikel 7:129 lid 1 BW. Productie 15 bij akte overlegging nadere producties. Productie 14 bij akte overlegging nadere producties. Productie 16 bij akte overlegging nadere producties. Productie 17 bij akte overlegging nadere producties. Productie 19 bij akte overlegging nadere producties. Productie 31 bij akte overlegging nadere producties. Artikel 7:129e BW.