Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-29
ECLI:NL:RBZWB:2026:1090
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
3,494 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1090 text/xml public 2026-03-05T13:41:46 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-29 C/02/442164 / KG ZA 25-616 Uitspraak Kort geding NL Breda Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1090 text/html public 2026-03-04T14:53:24 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1090 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-01-2026 / C/02/442164 / KG ZA 25-616 Kort geding. Vordering ingesteld tegen beschermingsbewindvoerder. Ontruiming woning. Huurder woont op basis van een huurzorgovereenkomst. Die is gekoppeld aan een woonbegeleidingsovereenkomst tussen huurder en een zorginstelling. Bij het eindigen van de woonbegeleidingsovereenkomst eindigt ook de huurzorgovereenkomst. Geen huurbescherming. Verhuurder stelt dat huurder tekort schiet (overlast door regelmatig schreeuwen en gebruik van flakka) en vordert ontruiming binnen 3 dagen. De voorzieningenrechter veroordeelt tot ontruiming tegen het einde van de looptijd van de woonbegeleidingsovereenkomst. Dat is 4 weken nadat vonnis is gewezen. De proceskosten worden vastgesteld naar de bedragen in een procedure bij de kantonrechter. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/442164 / KG ZA 25-616 Vonnis in kort geding van 29 januari 2026 in de zaak van vereniging Laurentius gevestigd te Breda eisende partij hierna te noemen: Laurentius advocaat: mr. I.M.M. Versloot tegen [gedaagde] q.q. in haar hoedanigheid van bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:435 BW, belast met het beheer van de goederen van de [rechthebbende] gevestigd te [plaats 1] gedaagde partij hierna te noemen: de bewindvoerder advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens De zaak in het kort In deze zaak heeft een woningcoöperatie de beschermingsbewindvoerder van een van haar huurders gedagvaard. Zij wil dat een door haar verhuurde woning op korte termijn wordt ontruimd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de mondelinge behandeling ter zitting van 15 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 2 De feiten 2.1. Laurentius verhuurt op basis van een zogenoemde huurzorgovereenkomst de woning aan het [adres] te [plaats 2] aan [rechthebbende] . Op deze huurzorgovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden van Laurentius van toepassing. 2.2. De duur van de huurzorgovereenkomst is afhankelijk gesteld van de duur van de gelijktijdig tussen [zorginstelling] e.o. en [rechthebbende] gesloten woonbegeleidings-overeenkomst. 2.3. De woonbegeleidingsovereenkomst is met ingang van 28 februari 2024 voor de duur van maximaal 24 maanden aangegaan en eindigt uiterlijk op 27 februari 2026. 2.4. De goederen van [rechthebbende] zijn door de kantonrechter onder bewind gesteld; [gedaagde] is benoemd tot bewindvoerder. 3 Het geschil 3.1. Laurentius vordert in dit kort geding, vooruitlopend op de ontbinding van de huurzorgovereenkomst door de rechter, ontruiming van de woning aan het [adres] te [plaats 2] , en wel binnen drie dagen na betekening van het vonnis, althans op 27 februari 2026. 3.2. Samengevat legt Laurentius aan die vordering het volgende ten grondslag. De huurzorgovereenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten is een gemengde overeenkomst zoals bedoeld in artikel 6:215 BW. Aan die overeenkomst is de woon-begeleidingsovereenkomst gekoppeld. Samen vormen zij een onlosmakelijk geheel, waarbij het element ‘zorg’ prevaleert boven het element ‘huur’. [rechthebbende] heeft geen aanspraak op wettelijke huurbescherming. [rechthebbende] schiet ernstig tekort in de nakoming van de huurzorg-overeenkomst en toepasselijke algemene voorwaarden doordat zij in de woning in strijd handelt met de Opiumwet en zij overlast voor omwonenden veroorzaakt. [rechthebbende] is meerdere keren door zowel Laurentius , als door haar begeleiding vergeefs op haar overlast-gevende gedrag aangesproken. Laurentius heeft eerder de huurzorgovereenkomst opgezegd. Daardoor was [rechthebbende] verplicht om de woning op 18 december 2025 op te leveren. Dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat [rechthebbende] vanaf die datum zonder recht of titel in de woning verblijft. Indien dit standpunt niet wordt aanvaard geldt dat de woonbegeleidings-overeenkomst uiterlijk op 27 februari 2026 eindigt, waardoor ook de huurzorgovereenkomst eindigt. [rechthebbende] is verplicht om dan de woning te ontruimen. 3.3. De bewindvoerder voert verweer en concludeert tot afwijzing van zowel de primaire, als de subsidiaire vordering. Zij voert aan dat Laurentius geen spoedeisend belang bij haar vordering heeft. In oktober en november 2025 ontving Laurentius minder meldingen van overlast. Het gaat bij die meldingen steeds om schreeuwen. [rechthebbende] doet dat niet moedwillig, het wordt veroorzaakt door een psychische stoornis. Ze is echter niet gevaarlijk voor haar omgeving: haar geschreeuw richt zich niet tegen anderen, ze bedreigt niemand en vernielt niets. Thans is de overlast niet zodanig ernstig dat [rechthebbende] niet tot 27 februari 2026 in de woning kan blijven. Op dit moment wordt er gezocht naar andere woonruimte voor [rechthebbende] . Wanneer zij binnen drie dagen de woning moet ontruimen komt zij op straat. In dat geval raakt zij ook uit beeld van de hulpverlening. Bij de daklozen-opvang kan zij niet terecht omdat zij drugs (flakka) gebruikt. De bewindvoerder voert verder nog aan dat Laurentius de zaak nodeloos bij de rechtbank heeft aangebracht. Volgens haar is de huurzorgovereenkomst de primaire overeenkomst en is het zorgelement ondersteunend. De vordering had daarom ook aan de kantonrechter kunnen worden voorgelegd. De bewindvoerder verzoekt om daarmee rekening te houden bij de vaststelling van de proceskosten. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Allereerst moet daarom worden beoordeeld of Laurentius bij het verkrijgen van die voorziening een spoedeisend belang heeft. In het geval dat het antwoord op die vraag bevestigend luidt moet worden beoordeeld of haar vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevorderde voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. 4.2. Geoordeeld wordt dat het spoedeisend belang bij de gevorderde voorlopige voorziening aanwezig is. Niet weersproken is dat [rechthebbende] door haar gedrag overlast aan omwonenden veroorzaakt. Bij brief van 30 oktober 2025 heeft Laurentius aan de bewindvoerder verzocht om de tijdelijke huurovereenkomst op te zeggen. In een volgende brief van 18 november 2025 aan de bewindvoerder heeft Laurentius zelf de huurzorg-overeenkomst opgezegd. Daarbij merkte Laurentius op dat de bewindvoerder niet op de eerdere brief heeft gereageerd en tevens dat het Laurentius bekend was dat de betrokken zorgpartij aan [rechthebbende] heeft geadviseerd om de woning niet vrijwillig te verlaten. Omdat niet is gesteld of gebleken dat [rechthebbende] op korte termijn uit eigen beweging de woning zal verlaten en ter beschikking van Laurentius zal stellen, terwijl de huurzorgovereenkomst door Laurentius is opgezegd, althans deze binnen afzienbare termijn door tijdsverloop eindigt, heeft Laurentius wel degelijk belang bij een vonnis waarmee zij een spoedige ontruiming kan bewerkstelligen. 4.3. De vordering van Laurentius om de bewindvoerder te veroordelen de betreffende woning te ontruimen zal worden toegewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.4. Vast staat dat gelijktijdig twee overeenkomsten zijn gesloten. Daarbij is de uitvoering van de huurzorgovereenkomst afhankelijk gesteld van het bestaan en de uitvoering van de woonbegeleidingsovereenkomst. In de huurzorgovereenkomst is namelijk het volgende opgenomen: “● Verhuurder verhuurt de woning niet aan de huurder als reguliere huurder, maar als cliënt van de zorginstelling met een indicatie voor zorg, begeleiding en/of behandeling met als doel om in de toekomst elders volledig zelfstandig te kunnen wonen.
Volledig
● De essentie van de verhuur wordt gevormd door behandeling, zorg en/of begeleiding, advisering en ondersteuning van huurder door de zorginstelling c.q. door de zorginstelling ingeschakelde andere zorgpartijen. Het bieden van huisvesting is daaraan ondergeschikt. (…) ● Zodra de woonbegeleidingsovereenkomst (…) eindigt (om welke reden dan ook) eindigt ook deze huurzorgovereenkomst van rechtswege en dient huurder de woning onmiddellijk te verlaten. ” In de woonbegeleidingsovereenkomst is onder meer opgenomen: “ In aanmerking nemende dat: ● Laurentius (…) uitsluitend om de woonbegeleiding, gericht op sociale resocialisatie en een zo zelfstandig mogelijk bestaan aangaande wonen, werken en welzijn, mogelijk te maken een woning aan cliënt ter beschikking stelt op basis van huurzorgovereenkomst, waarbij het zorgelement overheerst en cliënt dus geen huurbescherming geniet. ” En verder: “ 3.1 De woonbegeleiding heeft een tijdelijk karakter. Deze overeenkomst is met ingang van 28 februari 2024 aangegaan voor een periode van maximaal 24 maanden en eindigt daarom van rechtswege -als de begeleiding niet reeds eerder een einde heeft genomen- op 27 februari 2026. ” Uit de combinatie van de beide overeenkomsten blijkt dat het verlenen van zorg het overheersende element is, niet het verschaffen van huurgenot. Uit de huurzorgovereenkomst volgt ook dat geen sprake is van reguliere huur waarvoor de bepalingen in Titel 7.4 BW onverkort gelden. Met Laurentius is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat aan [rechthebbende] geen huurbescherming toekomt. Zij zal de woning daarom uiterlijk op 27 februari 2026 moeten verlaten. Aannemelijk is dat de rechter aan wie dit in een eventuele bodem-procedure wordt voorgelegd tot hetzelfde oordeel komt. 4.5. Laurentius vordert primair dat de woning eerder dan die datum wordt ontruimd en verlaten, en wel binnen drie dagen nadat dit vonnis door een deurwaarder is betekend. Echter, aangezien nog slechts zo’n vier weken resteren tussen de dag waarop dit vonnis is uitgesproken en de dag waarop de woonbegeleidingsovereenkomst eindigt, en dit vonnis naar verwachting niet al binnen enkele dagen na vandaag zal worden betekend, wordt de datum waarop de woning moet zijn ontruimd bepaald op 27 februari 2026, zoals door Laurentius subsidiair is gevorderd. 4.6. Gelet op deze uitkomst van het geding behoeft niet worden geoordeeld over de door Laurentius primair aan haar vordering ten grondslag gelegde tekortkoming in de nakoming van de huurzorgovereenkomst door [rechthebbende] . Dat zou namelijk niet tot een andere beslissing leiden. 4.7. [rechthebbende] heeft niet doen blijken dat zij vrijwillig de woning zal verlaten. Na de opzegging van de huurzorgovereenkomst door Laurentius tegen 18 december 2025 heeft zij dat niet gedaan en ook de mededeling van Laurentius aan de bewindvoerder dat Laurentius een kort gedingprocedure zou gaan voeren hebben [rechthebbende] noch de bewindvoerder in beweging gebracht. Niet is gesteld of gebleken dat door [rechthebbende] of door de bewindvoerder is toegezegd dat [rechthebbende] de woning zal ontruimen en verlaten. Het is daardoor aan [rechthebbende] c.q. de bewindvoerder te wijten dat Laurentius deze procedure is begonnen. Gezien de uitkomst behoren de kosten daarvan ten laste van de bewindvoerder te komen. Die zal dan ook in de proceskosten worden veroordeeld, met dien verstande dat de vergoeding voor het griffierecht en die voor het salaris van de advocaat van Laurentius wordt bepaald naar de tarieven die van toepassing zijn in het geval de kantonrechter als voorzieningenrechter om een beslissing zou zijn gevraagd. Het voorliggende geschil had namelijk ook bij de kamer voor kantonzaken kunnen worden aangebracht, in welk geval een lager griffierecht zou zijn opgelegd en ook het salaris van de gemachtigde op een lager forfaitair bedrag zou zijn bepaald. 4.8. Aldus worden de ten laste van de bewindvoerder komende proceskosten vastgesteld op: - kosten van de dagvaarding € 153,02 - griffierecht € 139,00 - salaris advocaat € 543,00 Totaal € 835,02 4.9. De in de dagvaarding begrepen kosten wegens ‘DBR’ komen niet voor vergoeding in aanmerking nu daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Niet valt in te zien dat kosten in verband met (het raadplegen van) het digitaal beslagregister waarvoor onder de noemer verschotten een vergoeding wordt gevorderd, noodzakelijk zijn gemaakt voor de goede verrichting van de betreffende ambtshandeling, in casu het uitbrengen van de dagvaarding, zoals bedoeld in artikel 9 lid 1, onder a van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. 4.10. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.11. Tot slot, en wellicht ten overvloede, wordt overwogen dat [gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder (q.q.) wordt veroordeeld om aan dit vonnis te voldoen. Dit betekent dat de uitvoering van het vonnis feitelijk ten laste van het vermogen van [rechthebbende] zal komen en dat [rechthebbende] in persoon aan de verplichting tot ontruiming zal moeten voldoen. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] q.q. om uiterlijk op 27 februari 2026 de woning aan het [adres] te [plaats 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Laurentius zijn, en die woning, onder afgifte van de sleutels, ter vrije en algehele beschikking van Laurentius te stellen; 5.2. veroordeelt [gedaagde] q.q. in de proceskosten van € 835,02, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 29 januari 2026 tot aan de dag van de algehele betaling; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.