Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-22
ECLI:NL:RBZWB:2026:1048
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
2,037 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1048 text/xml public 2026-02-27T08:52:51 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-22 C/02/442244 FA RK 25-625 Uitspraak Kort geding NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1048 text/html public 2026-02-27T08:52:10 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1048 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-01-2026 / C/02/442244 FA RK 25-625 Vordering lijfsdwang afgewezen. Vonnis waarvan tenuitvoerlegging met lijfsdwang wordt gevorderd, is vernietigd en de oorspronkelijke vorderingen van de vrouw zijn opnieuw rechtdoende afgewezen. vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda zaaknummer: C/02/442244 KG ZA 25-625 Vonnis in kort geding van 22 januari 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats 1] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri, tegen [de man] , wonende te [plaats 1] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat: mr. B.P.A. van Beers. Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 december 2025 met producties; - de door mr. Hashem Jawaheri op 21 december 2025 ingebrachte producties; - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties; - de zitting op 8 januari 2026. 1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste. 1.3. Tijdens de zitting zijn verschenen de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten, waarbij mr. Hashem Jawaheri via een Teams-verbinding aanwezig was. Voor de vrouw was tevens een tolk aanwezig. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn op [datum 1] 2008 te [plaats 2] (Iran) met elkaar gehuwd. Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank bij beschikking van [datum 2] 2017 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op [datum 3] 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag. Naar Islamitisch recht zijn partijen tot op heden nog met elkaar gehuwd. 2.2. Bij vonnis in kort geding van 7 juli 2025 is, voor zover nu van belang: - verstek verleend tegen de man; - de man veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met geestelijke, de heer [persoon] , en het inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te ’s-Gravenhage; - de man veroordeeld om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,= per dag of dagdeel dat hij niet aan de hierboven uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,= is bereikt; - de man veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op dat moment begroot op € 949,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis als deze kosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan; - het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - het meer of anders gevorderde afgewezen. 2.3. De man is bij dagvaarding van 10 december 2025 in verzet gekomen tegen voornoemd vonnis. Die procedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/442507 KG ZA 25-646 en is, voorafgaand aan de onderhavige zaak, op de zitting van 8 januari 2026 behandeld. 3 Het geschil in conventie en reconventie 3.1. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad: 1. dat zolang de man niet voldoet aan de veroordelingen als genoemd in 5.1 en 5.2 van het dictum van het vonnis van 7 juli 2025, de tenuitvoerlegging van het vonnis bij lijfsdwang toe te staan, met lijfsdwang voor een periode van één jaar; 2. in de kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis, wettelijke rente is verschuldigd. 3.2. Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. Het vonnis in kort geding van 7 juli 2025 heeft de man niet doen bewegen om zijn medewerking te verlenen aan de Iraanse echtscheiding. Aangenomen moet worden dat de man zijn medewerking nog steeds weigert en het vonnis niet heeft nageleefd. Voorts is de vrouw gebleken dat de opgelegde dwangsommen de man niet tot nakoming hebben bewogen. Haar belang en haar recht om niet meer in huwelijksgevangenschap gehouden te worden, dient zwaarder te wegen dan de belangen die worden gediend bij het niet toepassen van lijfsdwang. Zij heeft spoedeisend belang bij een spoedige medewerking van de man bij het realiseren van de Iraanse scheiding. Zij wordt nu belemmerd in haar vrijheid om, onder andere, naar Iran te reizen omdat er een gevaar bestaat dat de man haar een uitreisverbod zal opleggen of haar zal dwingen te gehoorzamen wanneer zij in Iran is. Ook kan de vrouw geen nieuwe partner officieel hebben zolang zij gehuwd is met de man. 3.3. De man voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen. De man vordert in reconventie bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen van het verstekvonnis in kort geding van 7 juli 2025, met kenmerk C/02/435618 KG ZA 25-238, totdat in kort geding althans in een eventueel daaropvolgend hoger beroep onherroepelijk is beslist over de medewerking van de man aan de Islamitische echtscheiding. De man vordert in conventie en in reconventie: - de vrouw te veroordelen in de proceskosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van die kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot en met de dag der algehele voldoening. 3.4. Ter onderbouwing van zijn verweer en vorderingen heeft de man onder meer verwezen naar zijn stellingen in zijn verzetdagvaarding en verzocht die als hier herhaald en ingevoegd te beschouwen. 3.5. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. In het vonnis van 7 juli 2025 is ambtshalve vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is. Dit geldt tevens voor deze procedure. 4.2. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.3. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Gelet op de beslissing van heden in de procedure met zaaknummer C/02/442507 KG ZA 25-646 ligt de vordering van de vrouw in conventie voor afwijzing gereed. Het vonnis van 7 juli 2025 waarvan tenuitvoerlegging met lijfsdwang wordt gevorderd is immers vernietigd en de oorspronkelijke vorderingen van de vrouw zijn opnieuw rechtdoende afgewezen. De reconventionele vordering van de man was ingesteld onder de voorwaarde dat het verzet in voornoemde zaak ongegrond zou worden verklaard. Nu aan deze voorwaarde niet is voldaan, wordt aan de bespreking daarvan niet toegekomen. Ook deze vordering zal voor zover nodig worden afgewezen. 4.4. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen van de vrouw en van de man af; 5.2. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.