Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:1043
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/1836 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen [eisers] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. R. Wouters), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg , het college. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 6 februari 2026 (bestreden besluit) waarin het college het bezwaar van eisers ongegrond heeft verklaard. Het bezwaar was gericht tegen het besluit van 22 augustus 2024 (primaire besluit) waarin het college een door eisers ingediende aanvraag voor een tegemoetkoming in planschade (planschadeverzoek) heeft afgewezen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het planschadeverzoek heeft mogen afwijzen . Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 20 april 2023 hebben eisers een planschadeverzoek ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen. Met het bestreden besluit heeft het college de afwijzing in stand gelaten. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en [naam] . Namens het college waren aanwezig [vertegenwoordiger] en mr. I.M.A.M. de Looij (SAOZ). 2.3. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. Eisers zijn vanaf 1 september 2011 eigenaars van de woning en bijbehorende percelen aan de [adres 1] (de woning). Op 3 december 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor een gezondheidscentrum op het naast de woning gelegen perceel aan de [adres 2] (het gezondheidscentrum). Deze omgevingsvergunning is op 31 januari 2020 onherroepelijk geworden. Het perceel van eisers ligt direct naast de parkeerplaats van het gezondheidscentrum. 3.1. De gemeenteraad heeft het perceel waarop het gezondheidscentrum uiteindelijk is gerealiseerd, op 18 januari 2010 nog aangewezen als ‘reservelocatie woningbouw’ in de ‘Kwaliteitsatlas gemeente Middelburg 2010’ (Kwaliteitsatlas). Dit is vervolgens verder uitgewerkt in de gebiedsoptimalisatie ‘Middelburg Ramsburg’ (Gebiedsoptimalisatie) van 7 februari 2011. Hieruit blijkt dat vijf woonkavels met een oppervlak van 700 m² waren uitgedacht. 3.2. Bij het planschadeverzoek hebben eisers een Rapport Planschade en een Taxatierapport meegestuurd dat is opgesteld door [naam] op 12 april 2023 (Rapport [naam] ). 3.3. Met het primaire besluit heeft het college het verzoek om vergoeding van planschade afgewezen omdat eisers door de realisatie van het gezondheidscentrum niet in een nadeligere positie zijn gekomen. Daarbij heeft het college het advies van de SAOZ van 14 mei 2024 overgenomen. Tegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend. Het bestreden besluit 4. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van het planschadeverzoek in stand gelaten. Omdat de ontwikkeling voor vijf woningen in de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie meer omvattender is dan het oude bestemmingsplan en de beheersverordening, vindt het college dat de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie moeten worden vergeleken met de omgevingsvergunning voor het gezondheidscentrum. Uit de vergelijking tussen deze ontwikkelingen blijkt vervolgens dat eisers niet in een planologisch nadeligere situa Eiseres heeft tijdens de zitting het standpunt ingenomen dat het college ten onrechte een planologische vergelijking heeft gemaakt tussen de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie aan de ene kant en de omgevingsvergunning aan de andere kant. De Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie zijn namelijk niet het oude regime. Pas na de vergelijking tussen het oude regime en het nieuwe regime kan het college toekomen aan de beoordeling van de voorzienbaarheid. 7.1. Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van de SAOZ verduidelijkt dat de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie in haar advies niet zijn aangemerkt als het oude planologische regime, maar als de voorzienbare ontwikkeling ten tijde van de aankoop. In zoverre klopt dus niet wat in het door het college overgenomen advies van de bezwaarschriftencommissie staat over dat de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie samen zijn aangemerkt als het oude planologische regime. De SAOZ heeft geen vergelijking gemaakt tussen het oude planologische regime en het nieuwe planologische regime. Het college betoogt dat in dit geval geen planologische vergelijking hoeft te worden gemaakt tussen het oorspronkelijke planologische regime dat wordt gevormd door het bestemmingsplan van 19 december 2011 en de beheersverordening van 24 juni 2013 en het nieuwe planologische regime, omdat in dit geval sprake is van een nadeligere voorzienbare ontwikkeling die bestond vóór het oorspronkelijke planologische regime. Die nadeligere voorzienbare ontwikkeling is het plan voor de bouw van vijf woningen in de Kwaliteitsatlas en de Gebiedsoptimalisatie. Het college verwijst hierbij naar twee uitspraken van de ABRvS van 5 juni 2013 en 29 april 2015. 8. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid het advies van de SAOZ heeft mogen overnemen waarin de SAOZ de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie als de voorzienbare ontwikkeling heeft vergeleken met de omgevingsvergunning als het nieuwe planologische regime. In dit geval kan het college in redelijkheid met deze vergelijking volstaan en hoefde het college niet ook een vergelijking te maken tussen het oude planologische regime en het nieuwe planologische regime. 8.1. De rechtbank constateert dat het college niet de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak zelf bedoelt, maar de voorzienbaarheid van een concept plan dat bestond vóór de schadeoorzaak dat was uitgewerkt in de Kwaliteitsatlas en de Gebiedsoptimalisatie. De rechtbank volgt het college dat zowel de Kwaliteitsatlas als de Gebiedsoptimalisatie voor eisers voorzienbaar waren. De Kwaliteitsatlas is immers voor een ieder gepubliceerd. Uit de stukken en uit het dossier en gelet op wat tijdens de zitting is besproken blijkt dat eisers in deze planschadeprocedure zelf hebben gewezen op het plan voor vijf woningen. 8.2. In dit concrete geval acht de rechtbank de vergelijking tussen de voorzienbare ontwikkeling en het nieuwe planologische regime praktisch en pragmatisch. Het college heeft namelijk toegelicht dat het plan in de Kwaliteitsatlas en de Gebiedsoptimalisatie nadeliger is dan de mogelijkheden van het oude planologische regime en de rechtbank volgt dit. Eisers hebben hiertegen alleen aangevoerd dat woningbouw (op deze locatie) geen negatieve effecten heeft en juist waarde verhogend werkt omdat dit beter zou aansluiten op de bestaande bouw. De rechtbank gaat hier niet in mee, aangezien planschadeverzoeken tegen woningbouw niet ongebruikelijk zijn en bij deze verzoeken spelen bijvoorbeeld de (mogelijk) nadelige gevolgen voor uitzicht, schaduw, karakter van de bestemming, privacy en hinder. Omdat is gebleken dat de voorzienbare ontwikkeling nadeliger is dan het oude planologische regime, zal een vergelijking tussen het oude planologische regime en het nieuwe planologische regime geen inhoudelijk verschil maken voor de beoordeling van het planschadeverzoek. Bovendien constateert de rechtbank dat eisers het feitelijk ermee eens zijn dat het college de voorzienbare ontwikkeling heeft vergeleken met Op de aanvrager rust in beginsel de bewijslast als hij een op een advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige gebaseerd oordeel van het bestuursorgaan omtrent het bestaan (of ontbreken) van schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro bestrijdt. Op het college rust in beginsel de bewijslast voor de feiten op grond waarvan geoordeeld wordt dat de schade redelijkerwijs, geheel of gedeeltelijk, voor rekening van de aanvrager behoort te blijven, of op grond waarvan geoordeeld wordt dat de tegemoetkoming voldoende anderszins verzekerd is. 10.2. De rechtbank stelt gelet op de behandeling van de zitting vast dat partijen het eens zijn over dat het advies van de SAOZ volledig is met betrekking tot welke aspecten zijn meegewogen. Getoetst is aan: het karakter van de bestemming, hinder, uitzicht, privacy en schaduw. Partijen verschillen wel van mening in hoe zwaar de aspecten (geluids)overlast en privacy zijn meegewogen. De rechtbank erkent dat eisers nadeel ondervinden van het gezondheidscentrum en het parkeerterrein. Het college heeft echter op grond van het advies van de SAOZ in redelijkheid kunnen stellen dat deze negatieve effecten worden gecompenseerd na verrekening met de positieve effecten waardoor per saldo geen sprake is van negatieve effecten. Het gezondheidscentrum staat op een afstand van 44 meter vanaf de woning van eisers en dus op een grotere afstand dan de vijf woningen die er zouden komen volgens de Kwaliteitsatlas en de Gebiedsoptimalisatie waardoor minder sprake is van de aantasting van de privacy als gevolg van zicht op het perceel van eisers. De rechtbank is ook met het college van mening dat het parkeerterrein gelet op de impact op privacy en overlast niet nadeliger is dan het plan voor de vijf woningen. Hoewel een parkeerterrein toegankelijk is voor meer mensen dan een woning, volgt uit (de ruimtelijke onderbouwing van) de omgevingsvergunning dat het parkeerterrein alleen overdag in gebruik is voor bezoekers van het gezondheidscentrum en dat het gedeelte van het parkeerterrein dat ligt langs de woning van eisers in de nacht wordt afgesloten met een slagboom. Alleen overlast die inherent is aan het planologisch gebruik kan worden meegewogen. Overlast als gevolg van het niet naleven van wettelijke voorschriften of mogelijke uitwassen komt ook niet in aanmerking. 11. Eisers hebben ten slotte gesteld dat sprake is van een waardevermindering van € 90.000,- als gevolg van de nieuwe planologische situatie. De rechtbank komt niet toe aan een bespreking van het gestelde schadebedrag omdat volgens SAOZ en het college geen sprake is van een nadeligere positie. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 20 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet ruimtelijke ordening Artikel 6.1 van de Wro Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²; 3. een bouwwerk dat niet dieper wordt gebouwd dan 40 cm beneden het peil; 4. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm beneden het peil kan worden geplaatst; 5. een bouwwerk dat zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. […] Artikel 19 Algemene aanduidingsregels 19.1 Vrijwaringszone – molenbiotoop a. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" gelden de volgende regels: 1. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen nieuwe bebouwing opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; 2. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan, de uitkomst van de volgende formule H(x) = x /75 +(0,2*18,35), met dien verstande dat de uitkomst H(x) niet minder bedraagt dan het onderste punt van de verticaal staande wiek; Het bepaalde onder a is niet van toepassing op: 1. een bouwwerk dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte blijft binnen de hoogte en breedte van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht; 2. een bouwwerk ter vervanging van bestaande bebouwing dat voldoet aan het bepaalde op de verbeelding en in hoofdstuk 2. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a, indien de belangen van de molen niet onevenredig worden geschaad, zij wegen daarbij de belangen van de nieuw op te richten bebouwing af tegen de molenbelangen; alvorens de afwijking van het bestemmingsplan toe te passen vraagt het bevoegd gezag schriftelijk advies bij de molendeskundige (Vereniging Zeeuwse Molen). Indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge lid a, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2. Beheersverordening ‘Rijksweg N57’ Artikel 2 N57 2.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken de in het besluitvlak 'N57' gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik; bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie. 2.2 Aanvulling op lid 2.1 ten aanzien van het BOUWEN en GEBRUIK In aanvulling op lid 2.1 gelden ten aanzien van het bouwen en gebruik de voorschriften en kaarten zoals opgenomen in bijlage 1 en 2. […] Bijlage 2 – Regels N57 Artikel 5 Verkeersdoeleinden (V) Doeleindenomschrijving De gronden op de kaart aangewezen voor Verkeersdoeleinden zijn bestemd voor: verkeerswegen, parkeerplaatsen, fiets- en voetpaden; bermstroken, taluds en andere groenvoorzieningen; waterlopen en waterpartijen alsmede voor de waterbeheersing en het verkeer te water; […] Bouwvoorschriften 2. Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat hieronder ook worden verstaan kunstwerken zoals bruggen, viaducten, aquaducten en bijbehorende pompgebouwen alsmede geluidsafschermende voorzieningen. […] Artikel 12 Molenbeschermingszone Doeleindenomschrijving 1. De gronden op de kaart aangewezen voor Molenbeschermingszone zijn mede bestemd voor het behoud en / of herstel van de aanwezige landschappelijke en / of cultuurhistorische waarden van een molen. Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken. Volgens het advies van de SAOZ was nog sprake van gering voordeel. ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 4. Verwijzing naar: ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1864, r.o. 6 en ABRvS 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2575 r.o. 4. Verwijzing naar: ABRvS 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2026, r.o. 6 en ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:20