Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:1042
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,069 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1042 text/xml public 2026-03-06T09:14:08 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-20 24/7887 en 25/194 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1042 text/html public 2026-03-05T10:16:51 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1042 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-02-2026 / 24/7887 en 25/194 Bekendmaken van een van rechtswege verleende terrasvergunning. Het college heeft niet binnnen de termijn een belissing genomen op een aanvraag voor een terrasvergunning. Het college vindt dat daarom een vergunning is verleend van rechtswege. Een van de eisers is het hiermee niet eens omdat door de inwerkingtreding van de Omgevingswet geen vergunning van rechtswege (meer) kan ontstaan. De rechtbank oordeelt dat artikel 2:10 van de APV buiten het bereik van de Omgevingswet valt en dat een vergunning van rechtswege is ontstaan. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: BRE 24/7887 en 25/194 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen [persoon 1] en [persoon 2] , uit [plaats 1] , eiser 1 (zaaknummer BRE 24/7887) (gemachtigde: mr. M. Busse), [persoon 3] h.o.d.n. [bedrijf 1] , uit [plaats 1] , eiser 2 (zaaknummer BRE 25/194) (gemachtigde: mr. G.T. van de Weerdt), samen: eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland (gemachtigde: mr. J. Mohuddy). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder 1] h.o.d.n. [bedrijf 2] , uit [plaats 1] (vergunninghouder) (gemachtigde: [persoon 4] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een van rechtswege verleende terrasvergunning die op 31 oktober 2024 bekend is gemaakt. Het college had aanvankelijk de door vergunninghouder aangevraagde terrasvergunning geweigerd, maar heeft het bezwaar van vergunninghouder tegen deze weigering met de beslissing op bezwaar van 31 oktober 2024 gegrond verklaard waarna de van rechtswege verleende vergunning alsnog bekend is gemaakt. De terrasvergunning en de beslissing op bezwaar vormen samen het bestreden besluit. Eisers zijn het niet eens met de terrasvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de van rechtswege verleende terrasvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft geconstateerd dat sprake is van een van terrasvergunning van rechtswege en dat het college in redelijkheid heeft kunnen stellen dat geen weigeringsgronden zich voordoen . Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 24 januari 2024 heeft het college een aanvraag van vergunninghouder ontvangen voor een terrasvergunning op de straat tegenover haar horecazaak. Het college heeft deze aanvraag op 18 april 2024 afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 31 oktober 2024 heeft het college het bezwaar van vergunninghouder tegen deze afwijzing gegrond verklaard, de afwijzing herroepen en besloten om de van rechtswege verleende terrasvergunning bekend te maken. Op dezelfde dag heeft het college ook de van rechtswege verleende terrasvergunning verzonden aan vergunninghouder. 2.1. Eisers hebben elk afzonderlijk beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en de van rechtswege verleende terrasvergunning. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.2. Eiser 1 heeft ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 16 juni 2025 afgewezen. 2.3. De rechtbank heeft de beroepen op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] en zijn gemachtigde, [persoon 3] en zijn gemachtigde en namens het college mr. D. Al-Zubaidi (kantoorgenoot van mr. J. Mohuddy) en [vergunninghouder 2] . Vergunninghouder en haar gemachtigde zijn ook verschenen. 2.4. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank [bedrijf 3] 3. Vergunninghouder exploiteert horecagelegenheid ‘ [bedrijf 2] ’ op het adres [adres 1] (gemeente Noord-Beveland). Het college heeft van vergunninghouder op 24 januari 2024 een aanvraag ontvangen voor een terrasvergunning op drie parkeerplaatsen aan de overkant van de [locatie] . Het college heeft deze terrasvergunning geweigerd op 18 april 2024 op grond van artikel 2:10, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Noord-Beveland (APV) in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Vergunninghouder heeft bezwaar gemaakt tegen deze weigering. 3.1. Met de beslissing op bezwaar van 31 oktober 2024 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, het weigeringsbesluit herroepen en besloten om de van rechtswege verleende vergunning alsnog bekend te maken. Op dezelfde dag heeft het college ook de rechtswege verleende vergunning verzonden aan vergunninghouder. De verleende terrasvergunning geldt voor de maanden juli en augustus. 3.2. Op 12 november 2024 heeft eiser 1 een beroepschrift ingediend. Eiser 1 woont aan de [adres 2] . De tuin van eiser 1 ligt direct naast de drie parkeerplaatsen waarop het terras van vergunninghouder wordt gerealiseerd. 3.3. Op 19 december 2024 heeft het college het bezwaarschrift van eiser 2 tegen de van rechtswege verleende terrasvergunning doorgezonden naar de rechtbank met het verzoek om dit te behandelen als beroepschrift. Eiser 2 is eigenaar van [bedrijf 1] aan de [adres 3] . Het terras van [bedrijf 1] ligt direct naast de drie parkeerplaatsen waarop het terras van vergunninghouder wordt gerealiseerd. Het bestreden besluit 4. Het bestreden besluit wordt gevormd door de beslissing op bezwaar en de van rechtswege verleende terrasvergunning. Het college heeft het bezwaar gegrond verklaard omdat de terrasvergunning op 11 maart 2024 van rechtswege is ontstaan, waardoor het college op 18 april 2024 niet meer bevoegd was om op de aanvraag te beslissen. Het weigeringsbesluit is om die reden herroepen. Het college heeft ook de beslissing genomen om de van rechtswege verleende terrasvergunning openbaar te maken. Het college heeft bepaald dat de van rechtswege verleende terrasvergunning alleen geldt voor de maanden juli en augustus. Het college heeft geen belangenafweging gemaakt, omdat het college niet meer bevoegd was om een beslissing op de aanvraag te nemen. Toetsingskader 5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Als voor de inwerkingtreding van de Ow een aanvraag om een besluit is ingediend dan volgt uit artikel 4.3 van de Iw Ow dat het oude recht van toepassing blijft, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De aanvraag is van 24 januari 2024, dus deze bepaling van het overgangsrecht is niet van toepassing. 5.1. Artikel 2:10, eerste lid, van de APV bepaalt dat het verboden is om zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Hiervan is in ieder geval sprake bij gebruik van de weg of een weggedeelte ten behoeve van een terras. 5.2. Artikel 2:10, achtste lid, van de APV verklaart paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing op een aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning. 5.3. In Artikel 4:20b van de Awb bepaalt dat als niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven. Volgens Artikel 4:20c van de Awb maakt het bestuursorgaan de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven.
Volledig
Bij de bekendmaking wordt vermeld dat de beschikking van rechtswege is gegeven. 5.4. Artikel 1:2, eerste lid, van de APV bepaalt dat het bevoegde bestuursorgaan binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing. Niet in geschil 6. Partijen zijn het eens dat een terrasvergunning is vereist op grond van artikel 2:10, eerste lid, van de APV. Ook zijn zij het eens dat het college geen beslissing heeft genomen op de aanvraag binnen de beslistermijn van acht weken zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de APV. Verder is niet in geschil dat artikel 2:10, achtste lid, van de APV het systeem van de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen als bedoeld in afdeling 4.1.3.3 van de Awb van toepassing heeft verklaard op aanvragen voor een terrasvergunning. 6.1. Partijen verschillen wel van mening of het gevolg van het niet halen van deze beslistermijn kan zijn dat op grond van artikel 2:10, achtste lid in samenhang met artikel 4:20b, van de Awb van rechtswege een vergunning is verleend. Daarnaast zijn eisers het ook inhoudelijk niet eens met de van rechtswege verleende terrasvergunning omdat zij vinden dat weigeringsgronden aan de orde zijn. Is van rechtswege een terrasvergunning verleend? 7. Eiser 1 stelt dat door de inwerkingtreding van de Ow geen vergunning van rechtswege (meer) kan ontstaan op grond van de APV. Een vergunning in de zin van artikel 2:10 van de APV is namelijk een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in de zin van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Dit volgt uit artikel 22.8 van de Ow. Voor omgevingsplanactiviteiten (of andere omgevingsvergunningen in de zin van de Ow) geldt geen regeling voor een vergunning van rechtswege. De vergunning van rechtswege vanwege niet tijdig beslissen was immers geregeld in artikel 3.9, derde lid, van de Wabo, maar dit artikel is komen te vervallen en staat niet meer in de Ow. De APV is bovendien nog niet in overeenstemming met de Ow, omdat dit artikel nog verwijst naar de Wabo. Artikel 2:10 van de APV is daarom in strijd met de Ow en is daarom onverbindend. 7.1. De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geconcludeerd dat hij op 18 april 2024 niet meer bevoegd was om een beslissing te nemen op de aanvraag omdat op dat moment een vergunning van rechtswege was ontstaan op grond van artikel 4:20b van de Awb. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld onder overweging 6, staat niet ter discussie dat het college heeft nagelaten om binnen de beslistermijn een beslissing te nemen op de aanvraag. Ook zijn partijen het eens dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (en dus ook artikel 4:20b van de Awb) van toepassing is verklaard. In wat eiser 1 heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (toch) niet van toepassing zou zijn op de terrasvergunning. De rechtbank volgt het betoog van eiser 1 namelijk niet dat de verwijzing van artikel 2:10, achtste lid, van de APV in strijd is met de Ow en daardoor onverbindend zou zijn. In dit geval is namelijk niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 22.8 van de Ow zodat geen sprake is van een omgevingsplanactiviteit in de zin van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Artikel 22.8 van Ow bepaalt immers dat een vergunning in een APV-bepaling geldt als een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, als het gaat om een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Ow alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. In artikel 2.7, eerste lid, van de Ow staat dat in het Omgevingsbesluit (Ob) gevallen worden aangewezen waarin regels over de fysieke leefomgeving alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Dat betekent dat decentrale regels behorende tot die aan te wijzen gevallen, niet in een (autonome) lokale verordening (zoals de APV) mogen worden opgenomen. Artikel 2.1, eerste lid, van het Ob bevat de aanwijzing van gevallen. In die bepaling staat dat regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de Ow alleen in het omgevingsplan opgenomen worden. Onder het ‘wijzigen van de fysieke leefomgeving’ wordt in de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet verstaan: regels over activiteiten die direct ingrijpen in de fysieke leefomgeving en die een ‘tastbare’ en ‘blijvende’ verandering in de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben, zowel boven- als ondergronds. Als voorbeelden worden genoemd bouwen en slopen, kappen van bomen, enzovoort. Een terrasvergunning enkel ten behoeve van het plaatsen van het terras, is naar oordeel van de rechtbank geen wijziging van de fysieke leefomgeving omdat dit geen blijvende ingreep is. Bovendien staat in de nota van toelichting dat bij ‘gebruik van de fysieke leefomgeving dat de fysieke leefomgeving niet wijzigt’, bijvoorbeeld kan worden gedacht aan traditioneel schieten, het maken van muziek in de openbare ruimte, het plaatsen van terrasmeubilair, het aanbieden van vuilnis in rolcontainers, het anders benutten van een gebouw zonder dat daarvoor bouwactiviteiten nodig zijn (bijvoorbeeld anti-kraak) of het gebruik van een park als tijdelijke evenementenlocatie. Om deze reden valt artikel 2:10 van de APV buiten het bereik van de Ow en is dus ook geen sprake van een omgevingsplanactiviteit. 7.2. Omdat is gebleken dat een vergunning van rechtswege is ontstaan, was het college na afloop van de wettelijke termijn ook niet meer bevoegd om alsnog een reëel besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank zal ten behoeve van de effectieve rechtsbescherming hieronder de inhoudelijke gronden tegen de van rechtswege verleende terrasvergunning behandelen. De inhoudelijke gronden van eisers zijn immers niet eerder in de bezwaarfase behandeld omdat de terrasvergunning oorspronkelijk was geweigerd. Is sprake van een weigeringsgrond? 8. Eiser 1 stelt dat de aanvraag moet worden geweigerd omdat sprake is van gevaar voor de bruikbaarheid van de weg en doelmatig en veilig gebruik daarvan. Tussen het terras en de horecazaak van vergunninghouder ligt de [locatie] . Personeel en klanten moeten daardoor regelmatig deze weg oversteken. Eiser 1 verwijst daarbij naar een rapportage van [persoon 5] van januari 2025. Deze rapportage is een reactie op een in opdracht van het college opgestelde rapportage van 18 december 2024 van [bedrijf 4] B.V. (rapportage [bedrijf 4] ). De huidige inrichting van de [locatie] is volgens [persoon 5] niet veilig voor een terras omdat dit geen verkeersluwe normale erftoegangsweg is, maar een drukke gebiedsontsluitingsweg waarover ook een stadsbus rijdt. Het college moet motiveren welke maatregelen worden genomen om de veiligheid van het terras te waarborgen. Ten tweede ervaart eiser 1 geluidsoverlast in de zomer tot in de nacht en ligt regelmatig afval in de tuin. Bovendien heeft in 2024 een schietincident plaatsgevonden nabij de horecazaak van vergunninghouder waarbij is geschoten op het windscherm van het vergunde terras. Daardoor heeft eiser 1 al een onveilig gevoel en het terras versterkt dit alleen maar. Eiser 2 betoogt dat de terrasvergunning moet worden geweigerd want hij ervaart omzetverlies omdat het terras van vergunninghouder aansluit op zijn eigen terras. Dit is verwarrend voor bezoekers want zij denken dat de terrassen bij elkaar horen. Bovendien worden drie parkeerplaatsen opgeofferd, waardoor sprake is van een belemmering voor het doelmatig beheer van de weg. Ook eiser 2 betoogt dat het terras leidt tot onveilige verkeerssituaties door overstekende bezoekers en personeel. 8.1. De rechtbank oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 2:10, derde lid, van de APV (of artikel 1:8, eerste lid, van de APV). Allereerst is niet gebleken dat door het terras een zodanig verkeersonveilige situatie is ontstaan zodat sprake is van een gevaar voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg zoals bedoeld in artikel 2:10, derde lid, onder a, van de APV.
Volledig
De rechtbank volgt het betoog van eisers niet dat een terras niet zou passen op deze locatie. Zoals volgt uit de rapportage [bedrijf 4] is sprake van een erftoegangsweg waar meer de nadruk ligt op het ontsluiten van de erven en verblijven dan op het doorstromen of ontsluiten van verkeer en zijn op deze locatie al terrassen aanwezig. Het college heeft bovendien gereageerd op de tegenrapportage van [persoon 5] met een aanvullende rapportage van verkeerskundige [persoon 6] van 26 augustus 2026. Deze rapportage bevat een beoordeling ter plaatse waaruit volgt dat de [locatie] wordt gedomineerd door fietsers en voetgangers. Uit een analyse van de snelheidsgegevens blijkt bovendien dat de meerderheid van weggebruikers langzamer rijdt dan de toegestane 30 km per uur. De [locatie] is daarom veilig voor bedienend personeel en gasten om over te steken. De buslijn wordt inderdaad gesignaleerd als een veiligheidsrisico, maar dat komt vooral omdat de bus door de grote draaicirkel zorgt voor oponthoud. Het veiligheidsrisico door de buslijn heeft dus niet zozeer te maken met het terras zelf. Bovendien wordt deze buslijn per 2026 omgeleid. Verder zijn in de periode 2014-2015 drie ongevallen geregistreerd op de [locatie] en drie ongevallen op de [straat] . Ook dat duidt niet op een verkeersonveilige situatie. Ten tweede heeft het college in redelijkheid kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige geluidsoverlast zodat sprake is van een belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak zoals bedoeld in artikel 2:10, derde lid onder c, van de APV. De rechtbank kan zich voorstellen dat eisers last hebben van het geluid afkomstig van het terras, maar acht dit niet onredelijk. De locatie ligt immers in de (toeristische) kern van [plaats 1] en het terras mag uitsluitend tijdens de zomermaanden juli en augustus worden gebruikt tot 10 uur in de avond. Uit de stukken is verder niet gebleken van een connectie tussen het schietincident en het vergunde terras. Het betoog van eiser 2 dat sprake zou zijn van omzetverlies door verwarde klanten kan verder tot niets leiden omdat dit niet ziet op een van de weigeringsgronden. Dit is bovendien praktisch op te lossen door de terrassen verschillend in te richten zodat voor bezoekers duidelijk is welk terras bij welke horecazaak hoort. Conclusie en gevolgen 9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 20 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:20b Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven. De verlening van rechtswege geldt als een beschikking. In afwijking van artikel 3:40 treedt de beschikking in werking op de derde dag na afloop van de beslistermijn. Artikel 4:20c Het bestuursorgaan maakt de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven. Bij de bekendmaking en mededeling van de beschikking wordt vermeld dat de beschikking van rechtswege is gegeven. Algemene plaatselijke verordening Noord-Beveland 2023 Artikel 1:2 Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 1:8, eerste lid Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; e bescherming van het milieu. Artikel 2:10 Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Hiervan is in ieder geval sprake bij gebruik van de weg of een weggedeelte ten behoeve van een terras. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Van een belemmering van de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. Omgevingswet Artikel 2.7 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin regels over de fysieke leefomgeving alleen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening mogen worden opgenomen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin regels over de fysieke leefomgeving niet in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening mogen worden opgenomen. Artikel 22.8 Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a. Omgevingsbesluit Artikel 2.1, eerste lid Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in het omgevingsplan opgenomen.