Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:1033
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg Parketnummer: 02-146809-23 Beslissing van de meervoudige kamer van 19 februari 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van: [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1965, thans verblijvende te PI [locatie] , hierna: betrokkene, raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg. 1 Inleiding Bij vonnis van deze rechtbank van 4 januari 2024 is de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van betrokkene gelast en is zijn verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) bevolen. De tbs is gelast ter zake van brandstichting. De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De ingangsdatum van de tbs was 11 februari 2024. Betrokkene verblijft nog steeds in de PI en behandeling is nog niet aangevangen. 2 Procesverloop De rechtbank heeft op 18 december 2025 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs met dwangverpleging met twee jaar. De vordering is op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026 behandeld. De officier van justitie mr. M.C. Fimerius is gehoord. Daarnaast is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsman.Verder is als deskundige gehoord [persoon], GZ-psycholoog en regiebehandelaar bij [tbs-instelling] (hierna: de tbs-instelling). 3 Adviezen 3.1. Advies tbs-instelling De tbs-instelling heeft in het rapport van 11 december 2025 geadviseerd de tbs te verlengen met twee jaar en heeft daartoe in haar advies, samengevat, het volgende vermeld. Betrokkene is bekend met een licht verstandelijke beperking en een schizofreniespectrumstoornis dan wel schizofrenie. Uit de voorgeschiedenis van betrokkene blijkt dat sprake is geweest van herhaaldelijk agressief en zelfbeschadigend gedrag. Hij is bekend met het stichten van brand. Vanuit zijn onveranderbare verstandelijke beperking begrijpt betrokkene onvolledig dat hij zijn geld en rookwaar niet in eigen beheer mag hebben voor de veiligheid van hemzelf en anderen en raakt hierover toenemend gefrustreerd. Als voor betrokkene de maat vol is, sticht hij brand vanuit een vertrekwens. Bij dergelijk recidiverend gedrag handelt hij dusdanig gevaarlijk voor zichzelf en/of voor zijn omgeving, dat hij (gedeeltelijk) krijgt wat hij wenst (zoals uitplaatsing). Vanwege zijn beperkte leervermogen heeft betrokkene tot op heden niet geleerd om deze conditionering te doorbreken. Verder is bekend dat wanneer hij wordt overvraagd, dit voor directe spanningsverhoging zorgt en het hem ontbreekt aan adequate copingvaardigheden en voldoende frustratietolerantie om hiermee om te gaan. Toenemende stress leidt bij hem tot instabiliteit in stemming, cognities en gedrag en dan neemt ook het risico op psychiatrische ontregeling met achterdocht en vijandigheid toe, waarbij er een hoog risico ontstaat op controleverlies over impulsen, resulterend in geweld, zoals brandstichting of fysieke agressie. Bij gebruik van antipsychotica ervaart betrokkene zelf meer rust in zijn hoofd en is hij minder dwingend en beter te begeleiden. De problematiek van betrokkene is pervasief en persisterend. Bij een hoge spanning is er sprake van een ontoereikende frustratietolerantie en rigiditeit van het denken, waarbij negatieve gedachten de overhand kunnen nemen. Het is van belang het gedragspatroon te doorbreken. Hij moet zich meer bewust worden van de impact en gevaarlijkheid van zijn handelen. Ondanks zijn beperkte leerbaarheid zal de strakke structuur en begeleiding naar verwachting wel effect kunnen hebben op het probleemgedrag. De behandelprognose wordt ingeschat als matig. Wat betreft het behandeladvies wordt een langdurige behandeling gericht op het voorkomen van delictgedrag als de enige mogelijkheid gezien. Betrokkene zal moeten leren dat zijn gedrag niet acceptabel is in deze maatschappij en zo mogelijk wat de gevolgen ervan zijn voor zowel zichzelf als anderen. Gezien het persisterende hoge recidi Op basis van artikel 6.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg geschiedt de plaatsing van een ter beschikking gestelde in een instelling binnen een termijn van vier maanden na aanvang van de termijn van de tbs. Op basis van het tweede lid van dat artikel is Onze Minister bevoegd om ter beschikking gestelden gedurende een termijn van maximaal één jaar te plaatsen in een instelling die als organisatorisch verband deel uitmaakt van een penitentiaire inrichting, zolang de opname van de ter beschikking gestelden in een voor hen bestemde plaats niet mogelijk is. Artikel 12, eerste lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden bepaalt dat de plaatsing van een ter beschikking gestelde geschiedt voordat de termijn van terbeschikkingstelling zes maanden heeft gelopen. Een passantentermijn van zes maanden of meer, waar in dit geval sprake van is, is verder in strijd met artikel 5, eerste lid, van het EVRM. Verlenging van de passantentermijn zou in strijd zijn met het recht. Ook is er sprake van strijd met artikel 15 van de Grondwet. De verdediging verzoekt subsidiair om de tbs met maximaal één jaar te verlengen, zodat wordt voorkomen dat betrokkene over één jaar nog steeds niet in een tbs-instelling zit. Op die manier kan de rechtbank een tussentijds toetsmoment inbouwen, zodat kan worden bekeken of er al sprake is van een plaatsing van betrokkene in een tbs-instelling of dat er nog steeds geen zicht is op een plaatsing. 5 Beoordeling De rechtbank is bevoegd om van de vordering kennis te nemen, omdat zij in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de tbs is gelast. De vordering tot verlenging van de tbs is tijdig, dat wil zeggen niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de tbs door tijdsverloop zal eindigen, ingediend. Wanneer er sprake is van tbs met dwangverpleging bepaalt artikel 6:6:12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering welke documenten bij een verlengingsvordering van de officier van justitie moeten worden overgelegd. Het gaat dan om (1) een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd of de directeur van de inrichting (hierna: verlengingsadvies) en (2) een afschrift van de aantekeningen over de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de tbs-gestelde (hierna: wettelijke aantekeningen). In deze zaak is een recent opgemaakt verlengingsadvies verstrekt, opgesteld door het hoofd van de tbs-instelling. Betrokkene staat op de wachtlijst voor plaatsing in de tbs-instelling. Betrokkene is voor de totstandkoming van dit verlengingsadvies niet gesproken. Daarnaast heeft de deskundige ter zitting een nadere toelichting gegeven op het advies. Voorafgaand aan de zitting heeft hij betrokkene gesproken. De rechtbank is van oordeel dat dit verlengingsadvies voldoet aan de wettelijke vereisten, te meer nu dit wordt bevestigd door de verklaring van de deskundige ter zitting. Voor de rechtbank is voldoende aannemelijk dat betrokkene in de tbs-instelling zal worden opgenomen zodra daar plaats is voor hem. Onder die omstandigheid kan het hoofd van de tbs-instelling worden beschouwd als de meest voor de hand liggende partij om het wettelijk vereiste verlengingsadvies op te stellen, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Deze situatie is in de wet niet voorzien, maar er is geen aanleiding om in de wettekst een verbod te lezen voor een dergelijke oplossing. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke aantekeningen ontbreken. In zoverre is niet aan de wettelijke vereisten van artikel 6:6:12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering voldaan. De rechtbank zal aan dit verzuim echter geen gevolgen verbinden. Wettelijke aantekeningen worden opgemaakt door het personeel in een tbs-instelling, maar omdat betrokkene niet in een tbs-instelling verblijft, zijn die wettelijke aantekeningen er niet. Als de rechtbank, wegens het ontbreken van de wettelijke aantekeningen, de officier van justitie niet-ontvankelijk zou v