Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-15
ECLI:NL:RBZWB:2025:9845
Civiel recht
Bodemzaak
14,756 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:9845 text/xml public 2026-04-28T14:22:29 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-10-15 C/02/431229 / HA ZA 25-53 (T) Uitspraak Bodemzaak NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9845 text/html public 2026-04-24T16:02:32 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:9845 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-10-2025 / C/02/431229 / HA ZA 25-53 (T) Tussenvonnis. Vergunninghouder heeft vergunning niet overgedragen aan een ander. De gemeente had de kraam van eiseres bij de locatie niet mogen wegsturen en is aansprakelijk voor de misgelopen winst. Omdat eiseres in haar schadeberkening uitgaat van andere uitgangspunten dan waar de rechtbank toe komt, mag zij haar schadebegroting bij akte nader onderbouwen. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Cluster II Handelszaken Breda Zaaknummer / rolnummer: C/02/431229 / HA ZA 25-53 Vonnis van 15 oktober 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INDO FUSION B.V. , gevestigd te Teteringen, eiseres, hierna te noemen: Indo Fusion, advocaat: mr. M.S. Smit, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE BREDA , gedaagde partij, hierna te noemen: de Gemeente, advocaten mrs. L.W. Feenstra en N. Boulhrir. 1 De zaak in het kort 1.1. Indo Fusion heeft een vergunning gekregen van de gemeente Breda voor het hebben van een horecakraam voor de verkoop van snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen aan [locatie 1] tijdens het zomerseizoen van 2022. In de vergunning staat als voorwaarde dat deze persoonsgebonden en niet overdraagbaar is. De Gemeente vindt dat Indo Fusion feitelijk de vergunning heeft overgedragen aan [cafetaria] en dus deze voorwaarde heeft overtreden. De Gemeente heeft de door Indo Fusion gehuurde frietkraam daarom weggestuurd en Indo Fusion een boete opgelegd, die later door de kantonrechter is vernietigd. Indo Fusion betwist dat zij de vergunning heeft overgedragen en stelt dat zij door het handelen van de Gemeente de rest van het zomerseizoen geen gebruik heeft kunnen maken van haar vergunning. In deze procedure stelt Indo Fusion de Gemeente aansprakelijk voor de door haar misgelopen winst. De rechtbank komt tot het oordeel dat Indo Fusion de vergunning niet heeft overgedragen aan [cafetaria] . De Gemeente had Indo Fusion dan ook niet mogen wegsturen. Het ligt voor de hand dat Indo Fusion hierdoor schade heeft geleden, welke schade de Gemeente moet vergoeden. Indo Fusion kan echter niet worden gevolgd in haar schadeberekening, waarbij zij uit is gegaan van de verkoop van friet en gefrituurde snacks. Hier had Indo Fusion namelijk geen vergunning voor. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 7 mei 2025; - de akte houdende productie 12 van de Gemeente; - de akte uitlaten verzoek rechtbank tevens akte houdende producties 20 tot en met 25 van Indo Fusion; - de mondelinge behandeling van 3 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de daar door Indo Fusion voorgedragen spreekaantekeningen. 2.2. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting besloten dat dit vonnis er zou komen. 3 De feiten 3.1. Indo Fusion is een cateringbedrijf. Lera Invest B.V. (hierna: Lera) is de enige aandeelhouder en bestuurder van Indo Fusion. De heer [naam 1] is op zijn beurt de enige aandeelhouder en bestuurder van Lera. 3.2. Op 24 maart 2022 heeft Indo Fusion zich ingeschreven bij de Gemeente voor de verloting van standplaatsen aan [locatie 1] . Op haar aanvraagformulier heeft Indo Fusion ingevuld een vergunning te verzoeken ter verkoop van ijs/ snoep/ frisdrank/ overige. Op 7 april 2022 heeft de loting plaatsgevonden, waarbij Indo Fusion één van de drie te verlenen vergunningen toegewezen heeft verkregen. Lera heeft één van de andere vergunningen toegewezen gekregen. 3.3. Op 13 april 2022 is Indo Fusion de vergunning toegezonden voor [nummer 1] . In de vergunning staat, onder andere: “Ons besluit Wij hebben besloten de vergunning te verlenen vanuit : verkoopkraam, afmeting 4,5 m x 3 m ter verkoop/aanbieding van : ijs, snoep, frisdrank en aanverwante artikelen locatie: : [locatie 1] (…) datum/tijdstip : van d.d. 13 april 2022 tot en met d.d. 30 september 2022 van 08.00 uur tot zonsondergang. (…) Aan deze vergunning verbinden wij de volgende voorschriften: (…) 6. U bent verplicht deze vergunning op eerste vordering ter inzage te verstrekken aan een ambtenaar van de politie, de brandweer of de Gemeente Breda. (…) 8. De te verlenen vergunning is persoonsgebonden en niet overdraagbaar.” 3.4. Indo Fusion heeft op 11 april 2022 een inleen- en huurovereenkomst gesloten met [cafetaria] , op basis waarvan zij een frietkar huurde en personeel inleende. In deze overeenkomst staat onder andere: “ [cafetaria] zal volledig op verzoek en verantwoordelijkheid van Indo Fusion BV een Frietkar ter beschikking stellen op [locatie 1] te weten [nummer 1] Tevens zal er los van de frietkar, personeel gedetacheerd worden die per uur verloond worden voor de produktie. Dit zal geschieden geheel onder de vergunning en verantwoordelijkheid van Indo Fusion BV, [cafetaria] kan dan ook geen enkele aanspraak hierop maken. Ter verduidelijking : Indo Fusion BV behoud de vergunning op eigen naam en huurt de frietkar. met personeel.” In de overeenkomst is opgenomen dat Indo Fusion een huurbedrag voor de frietkar zou betalen van € 150,00 per dag en dat voor de gedetacheerde medewerkers een uurtarief verschuldigd is van € 17,45 per uur. Verder is opgenomen dat Indo Fusion aan de regels als opgenomen in de vergunning moet voldoen, en dat de [cafetaria] verplicht is om zich aan deze voorwaarden te houden. 3.5. Op 16 juli 2022 heeft Indo Fusion voor het eerst de frietkraam laten wegzetten op [nummer 1] . Op 18 juli 2022 hebben verschillende (gemeentelijke) toezichthouders een controle verricht naar de standplaatsvergunningen. Hierbij troffen zij de door Indo Fusion gehuurde frietkar, zoals hieronder weergegeven op de foto, met daarin personeel van [cafetaria] . Op een krijtbord stond een menu met de vermelding: “ [cafetaria] ”. Ook stond hierop: “ Frietwagen huren? Bel of app ” met daarbij het nummer van [cafetaria] . 3.6. In een document van waarneming schrijft één van de BOA’s onder andere: “ [cafetaria] zou hier moeten staan. Meneer is ingehuurd. Meneer mag hier dus niet staan. Er moet iemand van dat [cafetaria] staan. Meneer gaf aan zzp er te zijn en te zijn ingehuurd door de eigenaar van [cafetaria] . (…) Meneer kon ons wel de vergunning tonen. Al snel zagen we dat er iets niet klopt. Meneer heeft na ons gesprek alles op moeten ruimen en zijn kar meegenomen. Wij hebben de vergunning onder ons genomen.” In een op 16 augustus 2022 opgesteld proces-verbaal staat, onder andere: “Op maandag 18 juli omstreeks 13:17 uur was ik belast met controle op de algemene regels aan [locatie 1] gemeente Breda. Ik was hier voor een controle voor de standplaatsvergunningen. (…) Ik zag dat er naast de frietkraam ook 2 stoelen stonden waar twee personen op zaten. (…) Ik hoorde mijn college zeggen: “als je een werknemer bent, wat is dan de naam van je “bedrijf?” Hierop hoorde ik de persoon antwoorden :” [cafetaria] . Hierop deelde mijn collega de persoon mede dat hij dus een ZZP’er is. De persoon antwoorden hierop : ” Nee hoor ik ben een werknemer.” (…) Mijn collega deelde de persoon mede dat er telefonisch contact is geweest met de afdeling juridische zaken, en dat hij niet onder een werknemer valt maar in strijd met de vergunningsvoorwaarden. Mijn collega heeft de persoon medegedeeld dat de vergunning onder ons wordt gehouden en dat wij op kantoor alles uit gaan zoeken. Na dit gesprek moest hij de frietkraam gelijk van ons weghalen. (…) De heer [naam 1] , de vergunninghouder was het niet eens omdat hij vindt dat een ZZP-er ook onder een werknemer valt. Hij huurde zijn werknemer in om voor hem te werken. (...) (…) Indo Fusion (…) Ik heb deze rechtspersoon als overtreder aangemerkt.” 3.7. Op 2 augustus 2022 heeft de Gemeente een nieuwe standplaatsvergunning afgegeven voor het aangrenzende [nummer 2] .
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:9845 text/xml public 2026-04-28T14:22:29 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-10-15 C/02/431229 / HA ZA 25-53 (T) Uitspraak Bodemzaak NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9845 text/html public 2026-04-24T16:02:32 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:9845 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-10-2025 / C/02/431229 / HA ZA 25-53 (T) Tussenvonnis. Vergunninghouder heeft vergunning niet overgedragen aan een ander. De gemeente had de kraam van eiseres bij de locatie niet mogen wegsturen en is aansprakelijk voor de misgelopen winst. Omdat eiseres in haar schadeberkening uitgaat van andere uitgangspunten dan waar de rechtbank toe komt, mag zij haar schadebegroting bij akte nader onderbouwen. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Cluster II Handelszaken Breda Zaaknummer / rolnummer: C/02/431229 / HA ZA 25-53 Vonnis van 15 oktober 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INDO FUSION B.V. , gevestigd te Teteringen, eiseres, hierna te noemen: Indo Fusion, advocaat: mr. M.S. Smit, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE BREDA , gedaagde partij, hierna te noemen: de Gemeente, advocaten mrs. L.W. Feenstra en N. Boulhrir. 1 De zaak in het kort 1.1. Indo Fusion heeft een vergunning gekregen van de gemeente Breda voor het hebben van een horecakraam voor de verkoop van snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen aan [locatie 1] tijdens het zomerseizoen van 2022. In de vergunning staat als voorwaarde dat deze persoonsgebonden en niet overdraagbaar is. De Gemeente vindt dat Indo Fusion feitelijk de vergunning heeft overgedragen aan [cafetaria] en dus deze voorwaarde heeft overtreden. De Gemeente heeft de door Indo Fusion gehuurde frietkraam daarom weggestuurd en Indo Fusion een boete opgelegd, die later door de kantonrechter is vernietigd. Indo Fusion betwist dat zij de vergunning heeft overgedragen en stelt dat zij door het handelen van de Gemeente de rest van het zomerseizoen geen gebruik heeft kunnen maken van haar vergunning. In deze procedure stelt Indo Fusion de Gemeente aansprakelijk voor de door haar misgelopen winst. De rechtbank komt tot het oordeel dat Indo Fusion de vergunning niet heeft overgedragen aan [cafetaria] . De Gemeente had Indo Fusion dan ook niet mogen wegsturen. Het ligt voor de hand dat Indo Fusion hierdoor schade heeft geleden, welke schade de Gemeente moet vergoeden. Indo Fusion kan echter niet worden gevolgd in haar schadeberekening, waarbij zij uit is gegaan van de verkoop van friet en gefrituurde snacks. Hier had Indo Fusion namelijk geen vergunning voor. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 7 mei 2025; - de akte houdende productie 12 van de Gemeente; - de akte uitlaten verzoek rechtbank tevens akte houdende producties 20 tot en met 25 van Indo Fusion; - de mondelinge behandeling van 3 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de daar door Indo Fusion voorgedragen spreekaantekeningen. 2.2. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting besloten dat dit vonnis er zou komen. 3 De feiten 3.1. Indo Fusion is een cateringbedrijf. Lera Invest B.V. (hierna: Lera) is de enige aandeelhouder en bestuurder van Indo Fusion. De heer [naam 1] is op zijn beurt de enige aandeelhouder en bestuurder van Lera. 3.2. Op 24 maart 2022 heeft Indo Fusion zich ingeschreven bij de Gemeente voor de verloting van standplaatsen aan [locatie 1] . Op haar aanvraagformulier heeft Indo Fusion ingevuld een vergunning te verzoeken ter verkoop van ijs/ snoep/ frisdrank/ overige. Op 7 april 2022 heeft de loting plaatsgevonden, waarbij Indo Fusion één van de drie te verlenen vergunningen toegewezen heeft verkregen. Lera heeft één van de andere vergunningen toegewezen gekregen. 3.3. Op 13 april 2022 is Indo Fusion de vergunning toegezonden voor [nummer 1] . In de vergunning staat, onder andere: “Ons besluit Wij hebben besloten de vergunning te verlenen vanuit : verkoopkraam, afmeting 4,5 m x 3 m ter verkoop/aanbieding van : ijs, snoep, frisdrank en aanverwante artikelen locatie: : [locatie 1] (…) datum/tijdstip : van d.d. 13 april 2022 tot en met d.d. 30 september 2022 van 08.00 uur tot zonsondergang. (…) Aan deze vergunning verbinden wij de volgende voorschriften: (…) 6. U bent verplicht deze vergunning op eerste vordering ter inzage te verstrekken aan een ambtenaar van de politie, de brandweer of de Gemeente Breda. (…) 8. De te verlenen vergunning is persoonsgebonden en niet overdraagbaar.” 3.4. Indo Fusion heeft op 11 april 2022 een inleen- en huurovereenkomst gesloten met [cafetaria] , op basis waarvan zij een frietkar huurde en personeel inleende. In deze overeenkomst staat onder andere: “ [cafetaria] zal volledig op verzoek en verantwoordelijkheid van Indo Fusion BV een Frietkar ter beschikking stellen op [locatie 1] te weten [nummer 1] Tevens zal er los van de frietkar, personeel gedetacheerd worden die per uur verloond worden voor de produktie. Dit zal geschieden geheel onder de vergunning en verantwoordelijkheid van Indo Fusion BV, [cafetaria] kan dan ook geen enkele aanspraak hierop maken. Ter verduidelijking : Indo Fusion BV behoud de vergunning op eigen naam en huurt de frietkar. met personeel.” In de overeenkomst is opgenomen dat Indo Fusion een huurbedrag voor de frietkar zou betalen van € 150,00 per dag en dat voor de gedetacheerde medewerkers een uurtarief verschuldigd is van € 17,45 per uur. Verder is opgenomen dat Indo Fusion aan de regels als opgenomen in de vergunning moet voldoen, en dat de [cafetaria] verplicht is om zich aan deze voorwaarden te houden. 3.5. Op 16 juli 2022 heeft Indo Fusion voor het eerst de frietkraam laten wegzetten op [nummer 1] . Op 18 juli 2022 hebben verschillende (gemeentelijke) toezichthouders een controle verricht naar de standplaatsvergunningen. Hierbij troffen zij de door Indo Fusion gehuurde frietkar, zoals hieronder weergegeven op de foto, met daarin personeel van [cafetaria] . Op een krijtbord stond een menu met de vermelding: “ [cafetaria] ”. Ook stond hierop: “ Frietwagen huren? Bel of app ” met daarbij het nummer van [cafetaria] . 3.6. In een document van waarneming schrijft één van de BOA’s onder andere: “ [cafetaria] zou hier moeten staan. Meneer is ingehuurd. Meneer mag hier dus niet staan. Er moet iemand van dat [cafetaria] staan. Meneer gaf aan zzp er te zijn en te zijn ingehuurd door de eigenaar van [cafetaria] . (…) Meneer kon ons wel de vergunning tonen. Al snel zagen we dat er iets niet klopt. Meneer heeft na ons gesprek alles op moeten ruimen en zijn kar meegenomen. Wij hebben de vergunning onder ons genomen.” In een op 16 augustus 2022 opgesteld proces-verbaal staat, onder andere: “Op maandag 18 juli omstreeks 13:17 uur was ik belast met controle op de algemene regels aan [locatie 1] gemeente Breda. Ik was hier voor een controle voor de standplaatsvergunningen. (…) Ik zag dat er naast de frietkraam ook 2 stoelen stonden waar twee personen op zaten. (…) Ik hoorde mijn college zeggen: “als je een werknemer bent, wat is dan de naam van je “bedrijf?” Hierop hoorde ik de persoon antwoorden :” [cafetaria] . Hierop deelde mijn collega de persoon mede dat hij dus een ZZP’er is. De persoon antwoorden hierop : ” Nee hoor ik ben een werknemer.” (…) Mijn collega deelde de persoon mede dat er telefonisch contact is geweest met de afdeling juridische zaken, en dat hij niet onder een werknemer valt maar in strijd met de vergunningsvoorwaarden. Mijn collega heeft de persoon medegedeeld dat de vergunning onder ons wordt gehouden en dat wij op kantoor alles uit gaan zoeken. Na dit gesprek moest hij de frietkraam gelijk van ons weghalen. (…) De heer [naam 1] , de vergunninghouder was het niet eens omdat hij vindt dat een ZZP-er ook onder een werknemer valt. Hij huurde zijn werknemer in om voor hem te werken. (...) (…) Indo Fusion (…) Ik heb deze rechtspersoon als overtreder aangemerkt.” 3.7. Op 2 augustus 2022 heeft de Gemeente een nieuwe standplaatsvergunning afgegeven voor het aangrenzende [nummer 2] .
Volledig
Deze vergunning is verstrekt aan [bedrijf ] voor de verkoop van friet, snacks, broodjes, frisdrank en slush/ijs. Meerdere partijen, waaronder de heer [naam 1] , zijn in bezwaar gegaan tegen deze beslissing. Namens het college van Burgemeester en Wethouders (hierna: het college van B&W) is gereageerd op de gemaakte bezwaren. In de reactie staat, onder andere: “Tijdens een van deze controles op 18 juli 2022 is er geconstateerd door de boa’s van een van de drie vergunninghouders, niet voldeed aan de voorwaarde die gesteld zijn bij de vergunningsvoorschriften. Hierop hebben de boa’s de papierenvergunning ingenomen en vergunninghouder mondeling medegedeeld dat er geen gebruik gemaakt meer mag worden van de verleende vergunning. (…)” In het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften staat, onder andere: “Namens het college is toegelicht dat medio juli 2022 een vergunninghouder een standplaats [nummer 1] aan [locatie 1] niet langer mocht innemen, wegens het niet voldoen aan de bij de vergunning gestelde voorwaarden. Vervolgens is op een aanvraag van 2 augustus 2022 een tijdelijke vergunning voor een standplaats op de [locatie 2] afgegeven aan vergunninghouder, voor de periode 3 augustus 2022 tot en met 30 september 2022. (…) Het college heeft snel willen handelen, vanwege omstandigheden als de aanhoudende hitte, de zeer grote drukte en de toegenomen vraag naar etenswaren, het wegvallen van het aanbod op standplaats [nummer 1] , en de ontstane wens voor uitbreiding van het aanbod van warme snacks. Het college wenst te voorkomen dat recreanten op eigen gelegenheid gaan barbecue-en. (…)” 3.8. Op 3 augustus 2022 heeft Indo Fusion telefonisch contact gehad met een medewerker vergunningen van de Gemeente (mevrouw [naam 2] ), die haar vertelde dat de vergunning (nog) niet formeel was ingetrokken en dat Indo Fusion hier nog wel gebruik van kon maken. 3.9. Op 15 augustus 2022 heeft Indo Fusion een Woo-verzoek ingediend bij de Gemeente, waarbij zij onder andere heeft verzocht om inzage in alle documenten en vormen van communicatie met betrekking tot de ingetrokken vergunning. 3.10. Op 22 augustus 2022 ontving Indo Fusion een bestuurlijke boete van de Gemeente, omdat Indo Fusion – kort gezegd – de vergunning in strijd met de daaraan verbonden voorschriften zou hebben overgedragen. 3.11. Op 6 september 2022 heeft de Gemeente informatie aan Indo Fusion vertrekt, naar aanleiding van een door haar gedaan Woo-verzoek. De Gemeente schreef in haar begeleidende brief dat Indo Fusion nog steeds de vergunninghouder is voor het innemen van de standplaats op [nummer 1] . 3.12. Indo Fusion is tegen de haar opgelegde bestuurlijke boete in bezwaar gegaan. Dit bezwaar is bij besluit van 18 oktober 2022 ongegrond verklaard. Hierbij overwoog het college van B&W, onder andere: “Uit de rapportage van de toezichthouder blijkt dat een andere verkoopwagen dan een verkoopwagen van Indo Fusion een standplaats in de [straat] in Breda innam. Dit is een overtreding van artikel 1:3 lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018. (…) Uit de rapportage van de toezichthouder blijkt dat op de standplaats op de [straat] een verkoopwagen stond die niet aan u toebehoort. Degene die met deze verkoopwagen de standplaats innam, is ook niet bij u in dienst. U heeft zelf immers toegelicht dat u geen personeel in dienst heeft maar dat u verkoopwagens met personeel inhuurt. Dit is een overtreding van de voorschriften die verbonden zijn aan de standplaatsvergunning. (…)” 3.13. Indo Fusion is in beroep gegaan tegen de beslissing op bezwaar ten aanzien van de boete. Zij is bij beschikking van 29 september 2023 in het gelijk gesteld door de kantonrechter, omdat – kort gezegd – de wettelijke grondslag voor het opleggen van de boete ontbrak. De kantonrechter overwoog verder: “Los van het voorgaande oordeelt de kantonrechter daarnaast dat het nog maar de vraag is of de in casu gebruikte constructie, te weten de inleen- en huurovereenkomst, is aan te merken als een overtreding van vergunningvoorschrift 8. Indo Fusion B.V. huurde de verkoopwagen en het personeel in, maar was zelf verantwoordelijk voor de inkoop, productie en bevoorrading, hetgeen ook expliciet volgt uit de gesloten inleen- en huurovereenkomst. Uit de gegeven feiten en omstandigheden volgt vooralsnog niet dat de vergunning is overgedragen. Door de gemeente is bovendien gesteld dat de verkoopwagens eigendom moeten zijn van de vergunninghouder, maar onduidelijk is waar dit vereiste op is gebaseerd. (…) Dat lijkt dan echter weer haaks te staan op het eveneens ter zitting verkondigde standpunt dat sprake moet zijn van eigen personeel in plaats van ingehuurd personeel. Ook dit standpunt kan de kantonrechter niet volgen.” 3.14. De advocaat van Indo Fusion heeft de Gemeente bij brief van 18 april 2023 aansprakelijk gesteld en dit nogmaals gedaan op 15 november 2023 toen iedere inhoudelijke reactie uitbleef. Op 11 juli 2024 heeft Indo Fusion aankondiging gedaan van deze procedure. Ook daarop is niet gereageerd door de Gemeente of haar verzekeraar. 3.15. Indo Fusion heeft [deskundige 1] (hierna: [deskundige 1] ) verzocht haar schade te begroten. In haar rapport van 15 januari 2025 heeft [deskundige 1] de schade over de zomervakantie voor de regio zuid van 6 weken berekend. Zij is uitgegaan van een gemiddeld aantal bezoekers per dag van 4.500, waarvan 42 – 48% iets zou afnemen bij Indo Fusion als enige verkoper van friet en snacks. 3.16. De Gemeente heeft een eigen deskundige ( [deskundige 2] ) gevraagd naar het schaderapport te kijken. [deskundige 2] meent dat informatie mist om de schade goed te kunnen begroten. Ook concludeert [deskundige 2] dat de uitgangspunten waarop [deskundige 1] zich heeft gebaseerd onvoldoende zijn onderbouwd, en dat de veronderstelde capaciteit van de frietkar onwaarschijnlijk is. 4 Het geschil 4.1. Info Fusion vordert - samengevat - veroordeling van de Gemeente tot betaling van een hoofdsom van € 495.000,00, vermeerderd met rente en incasso- en deskundigenkosten. 4.2. De Gemeente voert verweer en vindt dat de vorderingen van Indo Fusion moeten worden afgewezen. 4.3. De rechtbank gaat hierna bij haar beoordeling, voor zover nodig, in op de stellingen van partijen. 5 De beoordeling 5.1. Indo Fusion stelt dat de Gemeente het recht van Indo Fusion op het exploiteren van de vergunning heeft gefrustreerd, belemmerd en feitelijk onmogelijk heeft gemaakt. Allereerst door, zonder grond, de frietkar weg te sturen. De Gemeente meent echter dat sprake was van een overtreding van artikel 8 van de vergunningvoorschriften en van het gelijkluidende artikel 1.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Breda (hierna: het voorschrift), zodat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld door de frietkar weg te sturen. 5.2. De rechtbank geeft Indo Fusion gelijk. Onvoldoende is gebleken dat Indo Fusion de vergunning (feitelijk) zou hebben overgedragen aan [cafetaria] . De Gemeente had dan ook geen grond om het Indo Fusion te verbieden gebruik te maken van de vergunning zoals zij dit deed. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. 5.3. In het voorschrift staat dat de vergunning persoonsgebonden en niet overdraagbaar is. Een verdere toelichting hierop wordt niet gegeven. Naar algemeen taalgebruik wordt onder het ‘overdragen’ van een vergunning begrepen het in eigendom overdragen daarvan. Partijen zijn het er echter over eens dat hier geen sprake van is. 5.4. De Gemeente heeft richting deze rechtbank en richting Indo Fusion wisselende standpunten ingenomen ten aanzien van de vraag waarom toch sprake zou zijn van een overtreding van het voorschrift. De handhavers van de Gemeente hebben, zo blijkt uit hun verslaglegging, in eerste instantie namelijk verklaard dat er geen ingehuurd personeel mocht worden gebruikt. Er mocht in ieder geval geen ‘ZZP’er’ staan, zo hebben zij richting Indo Fusion aangegeven, maar alleen een werknemer van Indo Fusion (zie rechtsoverweging 3.6).
Volledig
Deze vergunning is verstrekt aan [bedrijf ] voor de verkoop van friet, snacks, broodjes, frisdrank en slush/ijs. Meerdere partijen, waaronder de heer [naam 1] , zijn in bezwaar gegaan tegen deze beslissing. Namens het college van Burgemeester en Wethouders (hierna: het college van B&W) is gereageerd op de gemaakte bezwaren. In de reactie staat, onder andere: “Tijdens een van deze controles op 18 juli 2022 is er geconstateerd door de boa’s van een van de drie vergunninghouders, niet voldeed aan de voorwaarde die gesteld zijn bij de vergunningsvoorschriften. Hierop hebben de boa’s de papierenvergunning ingenomen en vergunninghouder mondeling medegedeeld dat er geen gebruik gemaakt meer mag worden van de verleende vergunning. (…)” In het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften staat, onder andere: “Namens het college is toegelicht dat medio juli 2022 een vergunninghouder een standplaats [nummer 1] aan [locatie 1] niet langer mocht innemen, wegens het niet voldoen aan de bij de vergunning gestelde voorwaarden. Vervolgens is op een aanvraag van 2 augustus 2022 een tijdelijke vergunning voor een standplaats op de [locatie 2] afgegeven aan vergunninghouder, voor de periode 3 augustus 2022 tot en met 30 september 2022. (…) Het college heeft snel willen handelen, vanwege omstandigheden als de aanhoudende hitte, de zeer grote drukte en de toegenomen vraag naar etenswaren, het wegvallen van het aanbod op standplaats [nummer 1] , en de ontstane wens voor uitbreiding van het aanbod van warme snacks. Het college wenst te voorkomen dat recreanten op eigen gelegenheid gaan barbecue-en. (…)” 3.8. Op 3 augustus 2022 heeft Indo Fusion telefonisch contact gehad met een medewerker vergunningen van de Gemeente (mevrouw [naam 2] ), die haar vertelde dat de vergunning (nog) niet formeel was ingetrokken en dat Indo Fusion hier nog wel gebruik van kon maken. 3.9. Op 15 augustus 2022 heeft Indo Fusion een Woo-verzoek ingediend bij de Gemeente, waarbij zij onder andere heeft verzocht om inzage in alle documenten en vormen van communicatie met betrekking tot de ingetrokken vergunning. 3.10. Op 22 augustus 2022 ontving Indo Fusion een bestuurlijke boete van de Gemeente, omdat Indo Fusion – kort gezegd – de vergunning in strijd met de daaraan verbonden voorschriften zou hebben overgedragen. 3.11. Op 6 september 2022 heeft de Gemeente informatie aan Indo Fusion vertrekt, naar aanleiding van een door haar gedaan Woo-verzoek. De Gemeente schreef in haar begeleidende brief dat Indo Fusion nog steeds de vergunninghouder is voor het innemen van de standplaats op [nummer 1] . 3.12. Indo Fusion is tegen de haar opgelegde bestuurlijke boete in bezwaar gegaan. Dit bezwaar is bij besluit van 18 oktober 2022 ongegrond verklaard. Hierbij overwoog het college van B&W, onder andere: “Uit de rapportage van de toezichthouder blijkt dat een andere verkoopwagen dan een verkoopwagen van Indo Fusion een standplaats in de [straat] in Breda innam. Dit is een overtreding van artikel 1:3 lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018. (…) Uit de rapportage van de toezichthouder blijkt dat op de standplaats op de [straat] een verkoopwagen stond die niet aan u toebehoort. Degene die met deze verkoopwagen de standplaats innam, is ook niet bij u in dienst. U heeft zelf immers toegelicht dat u geen personeel in dienst heeft maar dat u verkoopwagens met personeel inhuurt. Dit is een overtreding van de voorschriften die verbonden zijn aan de standplaatsvergunning. (…)” 3.13. Indo Fusion is in beroep gegaan tegen de beslissing op bezwaar ten aanzien van de boete. Zij is bij beschikking van 29 september 2023 in het gelijk gesteld door de kantonrechter, omdat – kort gezegd – de wettelijke grondslag voor het opleggen van de boete ontbrak. De kantonrechter overwoog verder: “Los van het voorgaande oordeelt de kantonrechter daarnaast dat het nog maar de vraag is of de in casu gebruikte constructie, te weten de inleen- en huurovereenkomst, is aan te merken als een overtreding van vergunningvoorschrift 8. Indo Fusion B.V. huurde de verkoopwagen en het personeel in, maar was zelf verantwoordelijk voor de inkoop, productie en bevoorrading, hetgeen ook expliciet volgt uit de gesloten inleen- en huurovereenkomst. Uit de gegeven feiten en omstandigheden volgt vooralsnog niet dat de vergunning is overgedragen. Door de gemeente is bovendien gesteld dat de verkoopwagens eigendom moeten zijn van de vergunninghouder, maar onduidelijk is waar dit vereiste op is gebaseerd. (…) Dat lijkt dan echter weer haaks te staan op het eveneens ter zitting verkondigde standpunt dat sprake moet zijn van eigen personeel in plaats van ingehuurd personeel. Ook dit standpunt kan de kantonrechter niet volgen.” 3.14. De advocaat van Indo Fusion heeft de Gemeente bij brief van 18 april 2023 aansprakelijk gesteld en dit nogmaals gedaan op 15 november 2023 toen iedere inhoudelijke reactie uitbleef. Op 11 juli 2024 heeft Indo Fusion aankondiging gedaan van deze procedure. Ook daarop is niet gereageerd door de Gemeente of haar verzekeraar. 3.15. Indo Fusion heeft [deskundige 1] (hierna: [deskundige 1] ) verzocht haar schade te begroten. In haar rapport van 15 januari 2025 heeft [deskundige 1] de schade over de zomervakantie voor de regio zuid van 6 weken berekend. Zij is uitgegaan van een gemiddeld aantal bezoekers per dag van 4.500, waarvan 42 – 48% iets zou afnemen bij Indo Fusion als enige verkoper van friet en snacks. 3.16. De Gemeente heeft een eigen deskundige ( [deskundige 2] ) gevraagd naar het schaderapport te kijken. [deskundige 2] meent dat informatie mist om de schade goed te kunnen begroten. Ook concludeert [deskundige 2] dat de uitgangspunten waarop [deskundige 1] zich heeft gebaseerd onvoldoende zijn onderbouwd, en dat de veronderstelde capaciteit van de frietkar onwaarschijnlijk is. 4 Het geschil 4.1. Info Fusion vordert - samengevat - veroordeling van de Gemeente tot betaling van een hoofdsom van € 495.000,00, vermeerderd met rente en incasso- en deskundigenkosten. 4.2. De Gemeente voert verweer en vindt dat de vorderingen van Indo Fusion moeten worden afgewezen. 4.3. De rechtbank gaat hierna bij haar beoordeling, voor zover nodig, in op de stellingen van partijen. 5 De beoordeling 5.1. Indo Fusion stelt dat de Gemeente het recht van Indo Fusion op het exploiteren van de vergunning heeft gefrustreerd, belemmerd en feitelijk onmogelijk heeft gemaakt. Allereerst door, zonder grond, de frietkar weg te sturen. De Gemeente meent echter dat sprake was van een overtreding van artikel 8 van de vergunningvoorschriften en van het gelijkluidende artikel 1.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Breda (hierna: het voorschrift), zodat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld door de frietkar weg te sturen. 5.2. De rechtbank geeft Indo Fusion gelijk. Onvoldoende is gebleken dat Indo Fusion de vergunning (feitelijk) zou hebben overgedragen aan [cafetaria] . De Gemeente had dan ook geen grond om het Indo Fusion te verbieden gebruik te maken van de vergunning zoals zij dit deed. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. 5.3. In het voorschrift staat dat de vergunning persoonsgebonden en niet overdraagbaar is. Een verdere toelichting hierop wordt niet gegeven. Naar algemeen taalgebruik wordt onder het ‘overdragen’ van een vergunning begrepen het in eigendom overdragen daarvan. Partijen zijn het er echter over eens dat hier geen sprake van is. 5.4. De Gemeente heeft richting deze rechtbank en richting Indo Fusion wisselende standpunten ingenomen ten aanzien van de vraag waarom toch sprake zou zijn van een overtreding van het voorschrift. De handhavers van de Gemeente hebben, zo blijkt uit hun verslaglegging, in eerste instantie namelijk verklaard dat er geen ingehuurd personeel mocht worden gebruikt. Er mocht in ieder geval geen ‘ZZP’er’ staan, zo hebben zij richting Indo Fusion aangegeven, maar alleen een werknemer van Indo Fusion (zie rechtsoverweging 3.6).
Volledig
In het kader van de procedure omtrent de bestuurlijke boete heeft de Gemeente voor de kantonrechter herhaald dat sprake moet zijn van eigen personeel in plaats van ingehuurd personeel en hieraan toegevoegd dat de verkoopwagens eigendom moeten zijn van de vergunninghouder (rechtsoverwegingen 3.12 en 3.13). Net zoals de kantonrechter kan de rechtbank deze standpunten niet volgen, nu onduidelijk is waar deze vereisten op zijn gebaseerd. 5.5. In het kader van deze procedure heeft de Gemeente erkend dat het Indo Fusion wel degelijk vrij stond om een kraam te huren en personeel in te schakelen om namens haar op te treden, en dat dit op zichzelf geen overtreding van het voorschrift oplevert. Volgens de Gemeente is echter sprake van een overtreding omdat, zo blijkt ook uit de conclusie van antwoord, sprake was van een situatie die feitelijk gelijk staat aan overdracht van de standplaatsvergunning. 5.6. Meer concreet bepleit de Gemeente dat [cafetaria] de vergunning gebruikte en de standplaats exploiteerde en niet Indo Fusion. De Gemeente komt tot deze conclusie omdat (1) de aanwezige frietkraam van [cafetaria] was, (2) op een zwart krijtbord duidelijk ‘ [cafetaria] ’ met telefoonnummer stond vermeld terwijl iedere vermelding of verwijzing naar de naam ‘Indo Fusion’ ontbrak en er (3) alleen personeel van [cafetaria] aanwezig was. Bovendien (4) blijkt uit de huur- en inleenovereenkomst dat het de bedoeling was dat [cafetaria] gebruik zou maken van de standplaatsvergunning, nu daarin is opgenomen dat [cafetaria] verplicht is om zich aan de gestelde vergunningsvoorwaarden te houden. Ter zitting heeft de Gemeente hier nog aan toegevoegd dat (5) er geen financiële lijn was tussen de exploitatie ter plaatse en Indo Fusion. 5.7. Indo Fusion heeft op zichzelf niet betwist dat de bedoeling achter het voorschrift erin is gelegen dat alleen de vergunninghouder de vergunning mag gebruiken en hiervan mag profiteren en niet iemand anders. De rechtbank kan de Gemeente in zoverre dan ook volgen in haar standpunt dat het in strijd is met het voorschrift wanneer een toestand zou worden gecreëerd die feitelijk gelijk staat aan de overdracht van de vergunning. Dit zou ook in strijd zijn met het persoonsgebonden karakter daarvan. De eerste vier door de Gemeente genoemde omstandigheden brengen echter nog niet met zich dat hier sprake van is. 5.8. Zoals hiervoor al overwogen stond het Indo Fusion vrij personeel in te schakelen, anders dan via een arbeidsovereenkomst. Dit is ook logisch, nu een rechtspersoon zelf fysiek geen eten en drinken kan verkopen en daarvoor nu eenmaal afhankelijk is van daartoe ingeschakeld personeel. Daarmee is nog geen sprake van overdracht van de vergunning. Ook mocht Indo Fusion de frietkraam huren. Deze kraam hoefde niet juridisch in haar bezit te zijn om door haar te worden gebruikt. Indo Fusion maakt dan immers nog steeds gebruik van haar vergunning, door eten en drinken te verkopen via ingeleend personeel en via een gehuurde kraam. Uit het feit dat het personeel en de kraam werden ingehuurd van [cafetaria] kan dan ook niet worden afgeleid dat de vergunning door haar werd ‘gebruikt’, in plaats van door Indo Fusion. Integendeel, de huur- en inleenovereenkomst duidt er juist op dat Indo Fusion degene was die gebruik maakte van de vergunning, en wel door een kraam en personeel in te huren. Weliswaar zou (het personeel van) [cafetaria] de feitelijke werkzaamheden verrichten, maar daarbij zou zij op grond van de overeenkomst optreden ten behoeve van Indo Fusion. In dit kader vindt de rechtbank het niet meer dan vanzelfsprekend dat in de overeenkomst is opgenomen dat Indo Fusion aan de regels als opgenomen in de vergunning moet voldoen, en dat [cafetaria] – als degene wiens personeel werkzaamheden voor Indo Fusion zou gaan verrichten – ook verplicht is om zich aan deze voorwaarden te houden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat de vermelding van de naam van [cafetaria] vraagtekens opriep bij de handhavers, brengt ook dit nog niet met zich dat de vergunning zou zijn overgedragen. Daarvoor is deze naamsvermelding onvoldoende. Hierbij weegt mee dat niet als voorwaarde is gesteld dat de handelsnaam van Indo Fusion ergens zichtbaar moest zijn. Als de Gemeente het van belang vond dat de naam van de vergunninghouder op de kraam werd gevoerd, had zij dat als voorwaarde moeten stellen. 5.9. Dit alles kan echter anders liggen, indien de opbrengsten van de verkoop aan [cafetaria] toe zouden komen, zoals de Gemeente stelt. Dit kan immers duiden op een economische overdracht van de vergunning. Indo Fusion betwist echter dat dit het geval was. Zij heeft ter zitting verklaard dat het de bedoeling was dat alle opbrengsten bij haar terecht zouden komen. Zij zou [cafetaria] betalen voor de huur van de kraam en het personeel, zoals overeengekomen in de huur- en inleenovereenkomst. Tijdens het eerste weekend van 16 juli was het mobiele betaalkastje (de pinterminal) echter nog niet gekoppeld aan de bankrekening van Indo Fusion. Deze eerste dagen verliepen de betalingen daarom nog via de bankrekening van [cafetaria] . De omzet over deze dagen heeft Indo Fusion uiteindelijk niet van [cafetaria] gevorderd. Indo Fusion moest [cafetaria] namelijk het bedrag van € 450,00 voor drie dagen huur betalen (16, 17 en 18 juli) en de personeelskosten. Zij had pas € 350,00 als voorschot betaald. Indo Fusion heeft er toen voor gekozen het erbij te laten zitten en de opbrengsten van de eerste twee dagen (16 en 17 juli) niet van [cafetaria] te vragen, ook omdat de huur- en inleenovereenkomst zo plots moest eindigen. Indo Fusion schatte daarbij in dat de opbrengst over deze dagen vrij laag was, omdat de zomervakantie nog niet begonnen was en dit het opstartweekend betrof. 5.10. Uit het feit dat Indo Fusion ervoor gekozen heeft om, na het abrupt moeten beëindigen van de voorgenomen samenwerking voor de gehele zomer nadat de Gemeente de kraam had weggestuurd, de naar haar schatting lage opbrengsten van de eerste twee dagen weg te strepen tegen wat zij [cafetaria] nog moest betalen (waarbij partijen het er niet over eens zijn of Indo Fusion überhaupt al € 350,00 had betaald of nog niets) kan niet worden afgeleid dat bedoeld zou zijn dat [cafetaria] de omzet gedurende de gehele zomer zelf zou mogen houden en de gehele winst zou mogen opstrijken. Een dergelijke afspraak blijkt nergens uit, maar valt ook niet te rijmen met de huur- en inleenovereenkomst. Hieruit volgt immers dat Indo Fusion [cafetaria] juist moest betalen voor de huur van de kraam en het personeel. Wanneer [cafetaria] de gehele omzet ook nog eens zou mogen houden, zou Indo Fusion moeten betalen voor de winst van een ander en louter verlies draaien. Dit valt niet te volgen. De omstandigheden over deze eerste twee dagen zijn dan ook onvoldoende om te kunnen concluderen dat de vergunning feitelijk aan [cafetaria] zou zijn overgedragen. 5.11. De rechtbank concludeert, kortom, dat het weliswaar de bedoeling was dat het personeel van [cafetaria] feitelijk de frietkraam zou runnen, maar dat dit geschiedde in opdracht van Indo Fusion als eigenlijke vergunninghouder. Zij zou – middels het personeel van [cafetaria] en de gehuurde frietkraam – op deze wijze ‘gebruik’ maken van haar vergunning en de winst daarvan genieten. De door de Gemeente gemaakte verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8381, gaat niet op. In die zaak was wel expliciet als voorwaarde aan een standplaatsvergunning verbonden dat de vergunninghouder persoonlijk aanwezig moest zijn. Dat is hier niet het geval. Erkenning en eigen schuld 5.12. De Gemeente stelt tot slot nog dat uit het feit dat Indo Fusion de exploitatie van de standplaats nadat zij op 18 juli 2022 was weggestuurd niet opnieuw is aangevangen, erop duidt dat Indo Fusion zelf ook wel wist dat de constructie die zij met [cafetaria] had opgezet niet in overeenstemming was met de geldende regels en neerkwam op een oneigenlijk gebruik van de standplaatsvergunning. De rechtbank kan deze stelling niet volgen. Dat Indo Fusion de frietkraam niet heeft teruggeplaatst is te begrijpen en aan het handelen van de Gemeente te wijten.
Volledig
In het kader van de procedure omtrent de bestuurlijke boete heeft de Gemeente voor de kantonrechter herhaald dat sprake moet zijn van eigen personeel in plaats van ingehuurd personeel en hieraan toegevoegd dat de verkoopwagens eigendom moeten zijn van de vergunninghouder (rechtsoverwegingen 3.12 en 3.13). Net zoals de kantonrechter kan de rechtbank deze standpunten niet volgen, nu onduidelijk is waar deze vereisten op zijn gebaseerd. 5.5. In het kader van deze procedure heeft de Gemeente erkend dat het Indo Fusion wel degelijk vrij stond om een kraam te huren en personeel in te schakelen om namens haar op te treden, en dat dit op zichzelf geen overtreding van het voorschrift oplevert. Volgens de Gemeente is echter sprake van een overtreding omdat, zo blijkt ook uit de conclusie van antwoord, sprake was van een situatie die feitelijk gelijk staat aan overdracht van de standplaatsvergunning. 5.6. Meer concreet bepleit de Gemeente dat [cafetaria] de vergunning gebruikte en de standplaats exploiteerde en niet Indo Fusion. De Gemeente komt tot deze conclusie omdat (1) de aanwezige frietkraam van [cafetaria] was, (2) op een zwart krijtbord duidelijk ‘ [cafetaria] ’ met telefoonnummer stond vermeld terwijl iedere vermelding of verwijzing naar de naam ‘Indo Fusion’ ontbrak en er (3) alleen personeel van [cafetaria] aanwezig was. Bovendien (4) blijkt uit de huur- en inleenovereenkomst dat het de bedoeling was dat [cafetaria] gebruik zou maken van de standplaatsvergunning, nu daarin is opgenomen dat [cafetaria] verplicht is om zich aan de gestelde vergunningsvoorwaarden te houden. Ter zitting heeft de Gemeente hier nog aan toegevoegd dat (5) er geen financiële lijn was tussen de exploitatie ter plaatse en Indo Fusion. 5.7. Indo Fusion heeft op zichzelf niet betwist dat de bedoeling achter het voorschrift erin is gelegen dat alleen de vergunninghouder de vergunning mag gebruiken en hiervan mag profiteren en niet iemand anders. De rechtbank kan de Gemeente in zoverre dan ook volgen in haar standpunt dat het in strijd is met het voorschrift wanneer een toestand zou worden gecreëerd die feitelijk gelijk staat aan de overdracht van de vergunning. Dit zou ook in strijd zijn met het persoonsgebonden karakter daarvan. De eerste vier door de Gemeente genoemde omstandigheden brengen echter nog niet met zich dat hier sprake van is. 5.8. Zoals hiervoor al overwogen stond het Indo Fusion vrij personeel in te schakelen, anders dan via een arbeidsovereenkomst. Dit is ook logisch, nu een rechtspersoon zelf fysiek geen eten en drinken kan verkopen en daarvoor nu eenmaal afhankelijk is van daartoe ingeschakeld personeel. Daarmee is nog geen sprake van overdracht van de vergunning. Ook mocht Indo Fusion de frietkraam huren. Deze kraam hoefde niet juridisch in haar bezit te zijn om door haar te worden gebruikt. Indo Fusion maakt dan immers nog steeds gebruik van haar vergunning, door eten en drinken te verkopen via ingeleend personeel en via een gehuurde kraam. Uit het feit dat het personeel en de kraam werden ingehuurd van [cafetaria] kan dan ook niet worden afgeleid dat de vergunning door haar werd ‘gebruikt’, in plaats van door Indo Fusion. Integendeel, de huur- en inleenovereenkomst duidt er juist op dat Indo Fusion degene was die gebruik maakte van de vergunning, en wel door een kraam en personeel in te huren. Weliswaar zou (het personeel van) [cafetaria] de feitelijke werkzaamheden verrichten, maar daarbij zou zij op grond van de overeenkomst optreden ten behoeve van Indo Fusion. In dit kader vindt de rechtbank het niet meer dan vanzelfsprekend dat in de overeenkomst is opgenomen dat Indo Fusion aan de regels als opgenomen in de vergunning moet voldoen, en dat [cafetaria] – als degene wiens personeel werkzaamheden voor Indo Fusion zou gaan verrichten – ook verplicht is om zich aan deze voorwaarden te houden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat de vermelding van de naam van [cafetaria] vraagtekens opriep bij de handhavers, brengt ook dit nog niet met zich dat de vergunning zou zijn overgedragen. Daarvoor is deze naamsvermelding onvoldoende. Hierbij weegt mee dat niet als voorwaarde is gesteld dat de handelsnaam van Indo Fusion ergens zichtbaar moest zijn. Als de Gemeente het van belang vond dat de naam van de vergunninghouder op de kraam werd gevoerd, had zij dat als voorwaarde moeten stellen. 5.9. Dit alles kan echter anders liggen, indien de opbrengsten van de verkoop aan [cafetaria] toe zouden komen, zoals de Gemeente stelt. Dit kan immers duiden op een economische overdracht van de vergunning. Indo Fusion betwist echter dat dit het geval was. Zij heeft ter zitting verklaard dat het de bedoeling was dat alle opbrengsten bij haar terecht zouden komen. Zij zou [cafetaria] betalen voor de huur van de kraam en het personeel, zoals overeengekomen in de huur- en inleenovereenkomst. Tijdens het eerste weekend van 16 juli was het mobiele betaalkastje (de pinterminal) echter nog niet gekoppeld aan de bankrekening van Indo Fusion. Deze eerste dagen verliepen de betalingen daarom nog via de bankrekening van [cafetaria] . De omzet over deze dagen heeft Indo Fusion uiteindelijk niet van [cafetaria] gevorderd. Indo Fusion moest [cafetaria] namelijk het bedrag van € 450,00 voor drie dagen huur betalen (16, 17 en 18 juli) en de personeelskosten. Zij had pas € 350,00 als voorschot betaald. Indo Fusion heeft er toen voor gekozen het erbij te laten zitten en de opbrengsten van de eerste twee dagen (16 en 17 juli) niet van [cafetaria] te vragen, ook omdat de huur- en inleenovereenkomst zo plots moest eindigen. Indo Fusion schatte daarbij in dat de opbrengst over deze dagen vrij laag was, omdat de zomervakantie nog niet begonnen was en dit het opstartweekend betrof. 5.10. Uit het feit dat Indo Fusion ervoor gekozen heeft om, na het abrupt moeten beëindigen van de voorgenomen samenwerking voor de gehele zomer nadat de Gemeente de kraam had weggestuurd, de naar haar schatting lage opbrengsten van de eerste twee dagen weg te strepen tegen wat zij [cafetaria] nog moest betalen (waarbij partijen het er niet over eens zijn of Indo Fusion überhaupt al € 350,00 had betaald of nog niets) kan niet worden afgeleid dat bedoeld zou zijn dat [cafetaria] de omzet gedurende de gehele zomer zelf zou mogen houden en de gehele winst zou mogen opstrijken. Een dergelijke afspraak blijkt nergens uit, maar valt ook niet te rijmen met de huur- en inleenovereenkomst. Hieruit volgt immers dat Indo Fusion [cafetaria] juist moest betalen voor de huur van de kraam en het personeel. Wanneer [cafetaria] de gehele omzet ook nog eens zou mogen houden, zou Indo Fusion moeten betalen voor de winst van een ander en louter verlies draaien. Dit valt niet te volgen. De omstandigheden over deze eerste twee dagen zijn dan ook onvoldoende om te kunnen concluderen dat de vergunning feitelijk aan [cafetaria] zou zijn overgedragen. 5.11. De rechtbank concludeert, kortom, dat het weliswaar de bedoeling was dat het personeel van [cafetaria] feitelijk de frietkraam zou runnen, maar dat dit geschiedde in opdracht van Indo Fusion als eigenlijke vergunninghouder. Zij zou – middels het personeel van [cafetaria] en de gehuurde frietkraam – op deze wijze ‘gebruik’ maken van haar vergunning en de winst daarvan genieten. De door de Gemeente gemaakte verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8381, gaat niet op. In die zaak was wel expliciet als voorwaarde aan een standplaatsvergunning verbonden dat de vergunninghouder persoonlijk aanwezig moest zijn. Dat is hier niet het geval. Erkenning en eigen schuld 5.12. De Gemeente stelt tot slot nog dat uit het feit dat Indo Fusion de exploitatie van de standplaats nadat zij op 18 juli 2022 was weggestuurd niet opnieuw is aangevangen, erop duidt dat Indo Fusion zelf ook wel wist dat de constructie die zij met [cafetaria] had opgezet niet in overeenstemming was met de geldende regels en neerkwam op een oneigenlijk gebruik van de standplaatsvergunning. De rechtbank kan deze stelling niet volgen. Dat Indo Fusion de frietkraam niet heeft teruggeplaatst is te begrijpen en aan het handelen van de Gemeente te wijten.
Volledig
De frietkraam met personeel die Indo Fusion had gehuurd was immers weggestuurd, onder de vermelding dat Indo Fusion in overtreding was en onder een latere oplegging van een bestuurlijke boete. Het kan Indo Fusion dan niet worden tegengeworpen dat zij zich heeft gehouden aan de instructies van de handhavers van de Gemeente, noch kan hier een erkenning in worden gezien dat zij in strijd met de vergunningvoorschriften zou handelen. Integendeel, Indo Fusion heeft juist bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen het enige besluit dat de Gemeente heeft genomen: de bestuurlijke boete. Hieruit volgt duidelijk dat zij het er niet mee eens was dat zij als overtreder werd aangemerkt. Causaal verband 5.13. Om deze zelfde redenen kan de Gemeente niet worden gevolgd in haar stelling dat de gestelde schade zou zijn veroorzaakt door de keuze van Indo Fusion om de exploitatie te staken en niet door het handelen van de Gemeente. Duidelijk is dat het Indo Fusion ten onrechte niet werd toegestaan om gebruik te maken van de ingehuurde frietkraam en het ingehuurde personeel op de wijze zoals zij dit deed. Vast staat verder dat Indo Fusion niet over een eigen wagen of personeel beschikte, zodat zij feitelijk ook niet verder kon met het verkopen van etenswaren. In zoverre is sprake van condicio sine qua non-verband: als de fout van de Gemeente zou worden weggedacht, zou Indo Fusion geen winst misgelopen zijn. Gezien de omstandigheden van dit geval, waarbij in het bijzonder wordt meegewogen dat de Gemeente verwijtbaar heeft gehandeld door onterecht te beletten dat Indo Fusion gebruik kon maken van haar vergunning en waarbij voorzienbaar was dat hierdoor schade zou worden geleden, acht de rechtbank de schade ook toerekenbaar aan de Gemeente (overeenkomstig artikel 6:98 BW). Schade 5.14. Het is vervolgens de vraag welke schade Indo Fusion hierdoor geleden heeft. Met de Gemeente is de rechtbank van oordeel dat niet uit kan worden gegaan van het rapport van [deskundige 1] , nu dit is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de vergunning was verleend voor de verkoop van friet en warme snacks. Dat het Indo Fusion was toegestaan deze producten te verkopen volgt niet uit de vergunning, waarin juist expliciet gesproken wordt van snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen. Het ligt niet direct voor de hand dat warme gefrituurde snacks en maaltijden aanverwant zouden zijn aan snoep en ijs (kleine (gekoelde) snacks die geen bereiding behoeven). De Gemeente heeft dit in ieder geval gemotiveerd betwist en als voorbeeld genoemd dat zakjes chips mogelijk nog wel als aanverwant kunnen worden gezien, maar frituur niet. Indo Fusion heeft hier onvoldoende tegenover gesteld. Het enkele feit dat de Gemeente hier niet eerder een punt van heeft gemaakt of op heeft gehandhaafd, maakt dit niet anders. Daarbij weegt mee dat Indo Fusion de frietkraam slechts twee dagen aanwezig heeft gehad. Dit was pas de eerste vergunningscontrole, waarbij de handhavers van de Gemeente niet verder zijn gekomen in de controle dan de naam van de vergunninghouder. 5.15. Dit alles betekent dat de schade zoals door Indo Fusion wordt gevorderd niet toewijsbaar is. Als Indo Fusion in de hypothetische situatie waarin de fout van de Gemeente wordt weggedacht friet en snacks zou hebben verkocht, zou zij in strijd hebben gehandeld met de haar verleende vergunning. De schade die wordt gevorderd, is dan ook schade in het kader van niet toegestane activiteiten. Dit is schade in een niet-rechtmatig belang dat niet voor vergoeding in aanmerking komt. Aktes 5.16. Indo Fusion had echter wel een vergunning voor de verkoop van snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen. Hiermee had zij naar verwachting ook winst kunnen maken. Om te beoordelen wat zij hiermee had kunnen verdienen is verdere informatie nodig. Het partijdebat is hier nog niet over gevoerd. Indo Fusion zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om haar schadebegroting aan de hand van de juiste hypothetische situatie (waarin zij snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen als chips zou hebben verkocht) en de werkelijke situatie nader te onderbouwen. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat Indo Fusion kan beschikken over de cijfers van Lera en dat deze cijfers mede ter onderbouwing kunnen dienen, nu ook Lera een vergunning had voor de verkoop van deze producten. 5.17. De zaak zal worden verwezen naar de rol van 12 november 2025 voor het nemen van een akte door Indo Fusion, waarna de Gemeente een antwoordakte kan nemen. Nadat deze aktes zijn gewisseld, zal de rechtbank beslissen of het alsnog nodig is om een deskundige te benoemen. Vanwege de eventuele benoeming van een deskundige en de tijd en de kosten die daarmee en met een nadere aktewisseling gepaard gaan, geeft de rechtbank (de advocaten van) partijen in overweging met elkaar in overleg te treden teneinde alsnog overeenstemming te bereiken. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 12 november 2025 voor het nemen van een akte door Indo Fusion zoals in punt 5.16. weergegeven, waarna de Gemeente op haar beurt een antwoordakte mag nemen; 6.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
Volledig
De frietkraam met personeel die Indo Fusion had gehuurd was immers weggestuurd, onder de vermelding dat Indo Fusion in overtreding was en onder een latere oplegging van een bestuurlijke boete. Het kan Indo Fusion dan niet worden tegengeworpen dat zij zich heeft gehouden aan de instructies van de handhavers van de Gemeente, noch kan hier een erkenning in worden gezien dat zij in strijd met de vergunningvoorschriften zou handelen. Integendeel, Indo Fusion heeft juist bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen het enige besluit dat de Gemeente heeft genomen: de bestuurlijke boete. Hieruit volgt duidelijk dat zij het er niet mee eens was dat zij als overtreder werd aangemerkt. Causaal verband 5.13. Om deze zelfde redenen kan de Gemeente niet worden gevolgd in haar stelling dat de gestelde schade zou zijn veroorzaakt door de keuze van Indo Fusion om de exploitatie te staken en niet door het handelen van de Gemeente. Duidelijk is dat het Indo Fusion ten onrechte niet werd toegestaan om gebruik te maken van de ingehuurde frietkraam en het ingehuurde personeel op de wijze zoals zij dit deed. Vast staat verder dat Indo Fusion niet over een eigen wagen of personeel beschikte, zodat zij feitelijk ook niet verder kon met het verkopen van etenswaren. In zoverre is sprake van condicio sine qua non-verband: als de fout van de Gemeente zou worden weggedacht, zou Indo Fusion geen winst misgelopen zijn. Gezien de omstandigheden van dit geval, waarbij in het bijzonder wordt meegewogen dat de Gemeente verwijtbaar heeft gehandeld door onterecht te beletten dat Indo Fusion gebruik kon maken van haar vergunning en waarbij voorzienbaar was dat hierdoor schade zou worden geleden, acht de rechtbank de schade ook toerekenbaar aan de Gemeente (overeenkomstig artikel 6:98 BW). Schade 5.14. Het is vervolgens de vraag welke schade Indo Fusion hierdoor geleden heeft. Met de Gemeente is de rechtbank van oordeel dat niet uit kan worden gegaan van het rapport van [deskundige 1] , nu dit is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de vergunning was verleend voor de verkoop van friet en warme snacks. Dat het Indo Fusion was toegestaan deze producten te verkopen volgt niet uit de vergunning, waarin juist expliciet gesproken wordt van snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen. Het ligt niet direct voor de hand dat warme gefrituurde snacks en maaltijden aanverwant zouden zijn aan snoep en ijs (kleine (gekoelde) snacks die geen bereiding behoeven). De Gemeente heeft dit in ieder geval gemotiveerd betwist en als voorbeeld genoemd dat zakjes chips mogelijk nog wel als aanverwant kunnen worden gezien, maar frituur niet. Indo Fusion heeft hier onvoldoende tegenover gesteld. Het enkele feit dat de Gemeente hier niet eerder een punt van heeft gemaakt of op heeft gehandhaafd, maakt dit niet anders. Daarbij weegt mee dat Indo Fusion de frietkraam slechts twee dagen aanwezig heeft gehad. Dit was pas de eerste vergunningscontrole, waarbij de handhavers van de Gemeente niet verder zijn gekomen in de controle dan de naam van de vergunninghouder. 5.15. Dit alles betekent dat de schade zoals door Indo Fusion wordt gevorderd niet toewijsbaar is. Als Indo Fusion in de hypothetische situatie waarin de fout van de Gemeente wordt weggedacht friet en snacks zou hebben verkocht, zou zij in strijd hebben gehandeld met de haar verleende vergunning. De schade die wordt gevorderd, is dan ook schade in het kader van niet toegestane activiteiten. Dit is schade in een niet-rechtmatig belang dat niet voor vergoeding in aanmerking komt. Aktes 5.16. Indo Fusion had echter wel een vergunning voor de verkoop van snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen. Hiermee had zij naar verwachting ook winst kunnen maken. Om te beoordelen wat zij hiermee had kunnen verdienen is verdere informatie nodig. Het partijdebat is hier nog niet over gevoerd. Indo Fusion zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om haar schadebegroting aan de hand van de juiste hypothetische situatie (waarin zij snoep, ijs, frisdrank en aanverwante artikelen als chips zou hebben verkocht) en de werkelijke situatie nader te onderbouwen. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat Indo Fusion kan beschikken over de cijfers van Lera en dat deze cijfers mede ter onderbouwing kunnen dienen, nu ook Lera een vergunning had voor de verkoop van deze producten. 5.17. De zaak zal worden verwezen naar de rol van 12 november 2025 voor het nemen van een akte door Indo Fusion, waarna de Gemeente een antwoordakte kan nemen. Nadat deze aktes zijn gewisseld, zal de rechtbank beslissen of het alsnog nodig is om een deskundige te benoemen. Vanwege de eventuele benoeming van een deskundige en de tijd en de kosten die daarmee en met een nadere aktewisseling gepaard gaan, geeft de rechtbank (de advocaten van) partijen in overweging met elkaar in overleg te treden teneinde alsnog overeenstemming te bereiken. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 12 november 2025 voor het nemen van een akte door Indo Fusion zoals in punt 5.16. weergegeven, waarna de Gemeente op haar beurt een antwoordakte mag nemen; 6.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.