Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:9710
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,631 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:9710 text/xml public 2026-02-06T09:22:26 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-11-28 C/02/441562 / FA RK 25-5679 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9710 text/html public 2026-02-06T09:22:01 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:9710 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-11-2025 / C/02/441562 / FA RK 25-5679 Wzd - rechterlijke machtiging 6 maanden: de rechtbank overweegt dat de wet niet voorschrijft aan welke vormvereisten een zorgplan moet voldoen. De zorgafspraken zijn weliswaar summier, maar in combinatie met het persoonsbeeld is voldoende invulling gegeven aan de informatie die van een zorgplan mag worden verwacht. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/441562 / FA RK 25-5679 Datum uitspraak: 28 november 2025 Beschikking rechterlijke machtiging op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] , hierna te noemen betrokkene, wonend in [plaats 1] , nu verblijvende in de [accommodatie] , [locatie] te [plaats 2] , advocaat: mr. J. Nederlof uit Tilburg. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 5 november 2025; de aanvullende bijlagen vanuit [accommodatie] bestaande uit: de zorgafspraken, personeelsbeeld, WZD-meldingen, crisisontwikkelingsmodel en brief van ouderenpsychiater, [persoon 1] , zijn binnen gekomen bij de rechtbank op 24 november 2025; brief van de advocaat betreft het standpunt namens betrokkene, binnengekomen bij de rechtbank op 27 november 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 november 2025 in de accommodatie waar betrokkene momenteel verblijft. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat; mevrouw [persoon 2] , GZ-psycholoog mevrouw [persoon 3] , afdelingsarts; [persoon 4] , verpleegkundige; mevrouw [persoon 5] , echtgenote. 1.3. Tijdens de zitting is door de advocaat aangevoerd dat de stukken incompleet waren, omdat de brief van [persoon 1] en een zorgplan ontbreken. De rechter heeft daarom besloten om de zaak aan te houden en schriftelijk uitspraak te doen, nadat deze twee stukken zijn overgelegd. Dit is gebeurd op 25 november 2025. Omdat het verweer twee dagen later binnenkwam is de uitspraak van de rechtbank niet binnen de wettelijke beslistermijn genomen. Dit heeft echter geen gevolgen omdat het een eerste verzoek betreft. 2 Het verzoek 2.1. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden. 3 De standpunten 3.1. Betrokkene brengt, samengevat, naar voren dat hij het oneens is met zijn opname en dat hij van mening is dat dit onterecht op hem is afgerekend. Hij erkent dat hij tijdelijk te veel alcohol heeft gedronken, maar geeft aan dat dit niet representatief is voor zijn huidige situatie. Betrokkene stelt dat hij door het alcoholgebruik een deel van zijn geestelijke vermogens heeft verloren, maar dat dit geen reden vormt om hem op die manier te behandelen. 3.2. De GZ-psycholoog zegt dat betrokkene in de vorige accommodatie op de afdeling voor ernstig probleemgedrag heeft verbleven. Bij de overplaatsing werd er aan de instelling een crisisbericht gestuurd waarin stond vermeld dat drie medewerkers nodig waren om betrokkene naar de grond te brengen. Binnen de huidige instelling wordt geprobeerd vroegtijdig signalen op te vangen wanneer er wordt gedacht dat het gedrag van betrokkene dreigt te escaleren. Daarnaast is de medicatie van betrokkene in de loop van afgelopen maanden aangepast. In september heeft betrokkene meerdere suïcidepogingen gedaan. Het zorgteam zag deze pogingen niet aankomen, terwijl zijn gedragsmatige escalaties normaal gesproken wel voorspelbare aanleidingen hebben. Ook kon betrokkene zich deze pogingen niet meer herinneren. De psychiater, die betrokkene heeft beoordeeld en de psycholoog heeft gesproken, zag een vasculair dementieel beeld, waarbij betrokkene ook duidelijk aangaf niet te willen verblijven in de accommodatie. Sinds de ophoging van de medicatie zijn er geen suïcidepogingen meer geweest, maar wel suïcide uitingen. De GZ-psychoog voegt hieraan toe dat er in een diagnostisch rapport uit 2023 al sprake was van een klinische diagnose vasculaire dementie. Volgens de psycholoog is het huidige beeld verslechterd ten opzichte van het eerdere onderzoek. Er zijn duidelijk geheugen- en overzichtsproblemen aanwezig. De dementie is goed zichtbaar tijdens het dagelijks functioneren van betrokkene. 3.3. De echtgenote van betrokkene zegt dat zij het niet eens is met de gestelde diagnose. Volgens haar is bij betrokkene sprake van uitgebreide hersenbeschadiging als gevolg van de epileptische aanvallen die hij heeft doorgemaakt. Hij heeft destijds tien dagen lang een aanval gehad in het ziekenhuis. Hierdoor worden prikkels in zijn hersenen niet meer adequaat verwerkt, waardoor volgens haar sprake is van een ander ziektebeeld dan dementie. Wel erkent zij dat bij hem de executieve functies en complexe vaardigheden zijn aangedaan. Daarnaast mist zij dat betrokkene voldoende wordt gestimuleerd in de huidige woonsetting om zijn eigen taken uit te voeren. Zij ervaart dat betrokkene onvoldoende vrijheid krijgt en dat hij steeds wordt gecorrigeerd wanneer hij geagiteerd reageert. Verder voert de echtgenote aan dat er geen zorgplan ligt, terwijl dit volgens haar op grond van de wet verplicht is en door de instelling had moeten worden opgesteld. 3.4. De verpleegkundige zegt dat inmiddels is begonnen met het aanbieden van dagstructuur. Betrokkene heeft steeds meer hulp nodig, ook vanuit de professionele zorg. Hij is de gehele dag aanwezig op de afdeling, maar heeft intensieve ondersteuning nodig bij de ADL-taken. 3.5. De afdelingsarts zegt dat bij betrokkene sprake is van vasculaire dementie. Deze diagnose is nooit helemaal goed vast te stellen. Ook is er sprake geweest van een hematoom, hetgeen heeft geleid tot het ontstaan van epilepsie, en een hersenbloeding ten gevolge van overmatig alcoholgebruik. Tot slot geeft zij aan dat de suïcidepogingen op elk moment van de dag kunnen optreden, aangezien betrokkene zeer impulsief is. 3.6 De advocaat vraagt afwijzing van het verzoek. Allereerst merkt hij op dat het dossier incompleet is. De inhoud van het zorgplan (artikel 26 lid 7 Wzd) moet in de beoordeling worden betrokken. Hoewel er in de procedure een document is overgelegd met de titel “Zorgafspraken” kan dit document, gezien de summiere inhoud, niet als zorgplan worden aangemerkt. Dit temeer omdat betrokkene al gedurende een langere periode zorg ontvangt van de zorginstelling. In de visie van de advocaat is er dan ook onvoldoende informatie om een beslissing te kunnen nemen over het ingediende verzoek. Ook geeft de advocaat aan dat de gestelde diagnose niet juist is. Er is nooit een adequate anamnese uitgevoerd. Bij het ontslag van betrokkene uit het ziekenhuis is er in de ontslagbrief opgenomen dat er sprake zou zijn van vasculaire dementie. Deze diagnose is nu simpelweg overgenomen, zonder dat daaraan een nader onderzoek aan ten grondslag heeft gelegen. Bij gebrek aan een psychogeriatrische aandoening kan het verzoek niet worden toegewezen. Verder betwist de advocaat dat er sprake is van ernstig nadeel veroorzaakt door een psychogeriatrische aandoening. Uit de stukken blijkt dat betrokkene zich opgesloten voelt en weinig perspectief ervaart binnen de zorginstelling. Het beschreven ernstig nadeel vloeit niet voort uit de vermeende aandoening, maar uit het feit dat betrokkene zich beperkt voelt in zijn doen en laten. Betrokkene is ingeperkt in zijn gevoel van eigenwaarde, hetgeen een reactie van betrokkene tot gevolg heeft gehad. Tot slot wordt in de brief van [persoon 1] een aantal voorstellen gedaan om de bejegening jegens betrokkene te wijzigen, zodat er een alternatief is.
Volledig
Daarnaast stelt het CIZ dat de aanvraag voor een rechterlijke machtiging wellicht tot gevolg zou kunnen hebben dat betrokkene zich serieus genomen voelt. Daarvoor is een rechterlijke machtiging niet bedoeld. 4 De beoordeling 4.1. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. 4.2. Op grond van artikel 26 lid 7 Wzd moet bij de een aanvraag een zorgplan worden overgelegd wanneer betrokkene al in een accommodatie verblijft. De instelling heeft aangevoerd dat de zorgafspraken en het personeelsbeleid gezamenlijk het zorgplan vormen. De advocaat heeft daartegen ingebracht dat het document ‘zorgafspraken’, gelet op de summiere inhoud, niet kan worden aangemerkt als een volledig zorgplan. De rechtbank overweegt dat de wet niet voorschrijft aan welke vormvereisten een zorgplan precies moet voldoen; het zorgplan is daarmee in beginsel vormvrij. Wel moet uit het zorgplan blijken welke zorg en begeleiding aan betrokkene wordt geboden, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met zijn wensen. Ook moet het plan duidelijk maken bij welke handelingen betrokkene ondersteuning nodig heeft. De rechtbank volgt de advocaat in zijn standpunt dat de zorgafspraken summier zijn. Echter, in combinatie met het personeelsbeeld is naar het oordeel van de rechtbank voldoende invulling gegeven aan de informatie die van een zorgplan mag worden verwacht. De rechtbank beschikt bovendien over de voor de besluitvorming benodigde gegevens, zodat een eventueel gebrek in de vorm of omvang van het zorgplan geen aanleiding vormt voor afwijzing van het verzoek. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening. Betrokkene heeft namelijk vasculaire dementie en hersenbeschadiging ten gevolge van zowel alcoholmisbruik in het verleden als epileptische aanvallen als gevolg van een hematoom. Deze diagnoses, die psychogeriatrische aandoeningen betreffen, zijn vastgesteld in 2023 in het ziekenhuis, in de medische verklaring en door de ouderenpsychiater, [persoon 1] , op 25 oktober 2025. Ook is de diagnose tijdens de zitting door de arts en GZ-psycholoog toegelicht. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de in de stukken opgenomen en mondeling toegelichte diagnose, zoals die door de advocaat wordt betwist. 4.4. Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit: - levensgevaar; - ernstig lichamelijk letsel; - ernstige immateriële schade; - ernstige verwaarlozing; - maatschappelijke teloorgang; - het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag. 4.5. De rechtbank neemt daarbij onder andere in aanmerking dat betrokkene als gevolg van zijn aandoening niet meer in staat is om zelfstandig te functioneren. Betrokkene kampt bovendien met forse agressie en heeft meermaals een suïcidepoging gedaan. Betrokkene heeft een medebewoner op de grond geduwd en geslagen. Daarnaast is hij in het verleden agressief geweest richting zijn echtgenote. Ook gooit betrokkene met voorwerpen tegen de ruiten en opent hij het raam om te roepen dat de politie moet worden gebeld. 4.6. De advocaat voert aan dat het door de instelling beschreven ernstig nadeel niet voortvloeit uit een aandoening, maar uit het gevoel dat betrokkene zich binnen de accommodatie beperkt voelt in zijn doen en laten. Uit de medische verklaring en de verklaring van de zorgverleners tijdens de mondelinge behandeling volgt echter een ander beeld. Daarin staat dat betrokkene momenteel weinig perspectief ervaart in zijn huidige woonomgeving en dat er sprake is van een gebrek aan duurzame vrijwilligheid ten aanzien van zijn verblijf in het verpleeghuis. In combinatie met de vasculaire dementie en een waarschijnlijk al langer bestaand persoonlijkheidsprofiel binnen cluster B (waaronder impulsiviteit en een verhoogde eigenwaarde), leidt dit tot impulsieve en risicovolle gedragingen, waaronder herhaalde suïcidepogingen. Het ernstig nadeel vloeit dus wel rechtstreeks voort uit de hersenaandoening. Daarbij beperkt het ernstig nadeel zich niet tot het risico op suïcide, maar omvat het ook geweld en agressie, maatschappelijke teloorgang en het niet meer nemen van initiatief tot essentiële zelfzorg, zoals eten. 4.7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de opname en het verblijf noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Dit heeft hij meerdere keren aangegeven aan het zorgpersoneel. Tijdens de zitting is ook gebleken dat betrokkene het niet eens is met de opname. Hij wil niet meer in deze accommodatie verblijven. 4.8. De advocaat voert tot slot aan dat in de brief van de ouderenpsychiater [persoon 1] enkele voorstellen worden gedaan om de bejegening van betrokkene aan te passen, zodat volgens hem een alternatief voor de verzochte opname bestaat. De rechtbank ziet dit echt niet als een reëel alternatief, omdat deze voorstellen het aanwezige ernstig nadeel niet volledig wegenemen. 4.9. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is een opname en verblijf noodzakelijk, omdat betrokkene 24-uurszorg en begeleiding nodig heeft in een veilige woonomgeving. Er zijn geen minder bezwarende mogelijkheden om het ernstig nadeel af te wenden. De rechtbank overweegt hierbij dat betrokkene niet kan terugkeren naar huis. In de thuissituatie is geprobeerd om meer hulp in te zetten, zoals naar een dagbesteding te gaan, maar betrokkene heeft intensievere zorg nodig die alleen binnen een accommodatie geboden kan worden. 4.10. De rechtbank is het eens met de advocaat dat een rechterlijke machtiging niet bedoeld is om betrokkene zich serieus genomen te laten voelen. Echter, voldaan is aan alle criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. Zoals verzocht, zal de machtiging worden verleend voor de duur van zes maanden. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] ; 5.2. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 28 mei 2026. Deze beschikking is gegeven door mr. Gremmen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025, in aanwezigheid van Schellenbach, griffier. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.