Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-12-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:9682
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
8,159 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:9682 text/xml public 2026-02-05T16:34:36 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-12-11 C/02/440584 / JE RK 25-1801 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9682 text/html public 2026-02-05T16:34:10 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:9682 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-12-2025 / C/02/440584 / JE RK 25-1801 Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/440584 / JE RK 25-1801 Datum uitspraak: 11 december 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Rotterdam- Dordrecht, locatie Rotterdam, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat mr. Y.E.B. Grosfeld te Breda, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats 1] . Als informant is aangemerkt: gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT locatie Tilburg, hierna te noemen de GI. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 oktober 2025; het gewijzigd verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 24 oktober 2025; het gewijzigd verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 13 november 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordigster van de Raad; - een vertegenwoordigster van de GI. 2 De feiten 2.1. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.2. Bij beschikking van 29 juli 2025 is de voorlopige voogdij over [minderjarige] uitgeoefend door de Stichting Jeugdbescherming Brabant, verlengd tot 18 oktober 2025, waarbij is bepaald dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, te weten op 18 oktober 2025, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. 2.3. [minderjarige] verbleef aanvankelijk in het [ziekenhuis 1] te [plaats 1] , afdeling moeder en kind. Zij verblijft nu in een pleeggezin. 3 Het verzoek De Raad heeft oorspronkelijk verzocht om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen van [minderjarige] in het kader van een traject, te weten eerst in een ziekenhuis en daarop volgend in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin) te verlenen voor de duur van negen maanden. Gebleken is dat [minderjarige] intussen in een pleeggezin is geplaatst en dat de GI beoogt te komen tot een gezinsopname gedurende een periode van twaalf weken. De kinderrechter begrijpt daarom het verzoek aldus dat een machtiging wordt verzocht om [minderjarige] te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg en aansluitend middels een opname in een moeder-kind huis voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de Raad 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat de aanleiding voor het onderzoek een spoedmelding is van 18 juli 2025 van het FIOM wegens de geboorte van [minderjarige] , waarbij de ouders overwegen om afstand te doen. [minderjarige] is geboren met 27 weken na een grotendeels ongecontroleerde zwangerschap. De moeder is eerder in haar gezin slachtoffer geweest van de toeslagenaffaire wat zijn invloed heeft gehad op het systeem. Daarnaast heeft de moeder op jonge leeftijd een ingrijpende gebeurtenis meegemaakt, die invloed heeft gehad op haar mentale toestand. De moeder heeft daarvoor behandeling ontvangen. De moeder heeft tijdens de zwangerschap middelen gebruikt (alcohol en softdrugs), onduidelijk is in welke mate. 4.2. Wegens haar vroeggeboorte heeft [minderjarige] van 18 juli 2025 tot 19 september 2025 verbleven op de Neonatale Intensive Care Unit (hierna: NICU) van het [ziekenhuis 2] te [plaats 2] vanwege haar vroeggeboorte. Daaropvolgend heeft zij zonder de moeder verbleven op de moeder en kindafdeling van het [ziekenhuis 1] te [plaats 1] . [minderjarige] wordt behandeld voor een infectieverdenking met antibiotica. Tevens is een intraventriculaire hersenbloeding eenzijdig vastgesteld die verder nauwkeurig gevolgd moet worden. 4.3. De ouders zijn sinds twee jaar samen. De moeder (18 jaar oud) heeft sinds juli 2025 een eigen woning te [plaats 1] in het kader van beschermd wonen met ambulante begeleiding via [hulpverlening 1] . De vader (ook 18 jaar oud) woont thuis met zijn oma en tante vaderszijde te [plaats 1] . De moeder is bekend bij Veilig Thuis en bij [hulpverlening 2] te [plaats 1] . Op 15-jarige leeftijd heeft zij gesprekken gevoerd met een psycholoog vanwege gedragsproblemen en agressie. Zij is meerdere malen van huis weggelopen en zij heeft bij familie verbleven. De moeder is op haar achttiende jaar door opa en oma moederszijde uit huis gezet. Zij werkt momenteel niet, zij ontvangt een uitkering. Er loopt een aanvraag voor bewindvoering. De vader volgt een BBL-opleiding, waarbij hij tegelijkertijd werkt gedurende vijf dagen per week. Hij heeft een contract voor drie jaar. 4.4. De ouders hebben aangegeven dat zij blowen. De moeder heeft aangegeven minder te blowen dan de vader, de vader blowt bijna dagelijks; in de vakanties blowt hij vaker. Aanvankelijk hebben de ouders kenbaar gemaakt dat zij wel een kinderwens hebben, maar dat zij zichzelf nu nog te jong vinden en zich op dit moment niet in staat achten om voor een kind te zorgen en over onvoldoende financiële middelen beschikken om voor een kind te zorgen en daarom voornemens te zijn afstand te doen van [minderjarige] en de zorg over te dragen aan het ziekenhuis c.q. een ander gezin. Daarbij hebben zij tevens opgemerkt dat zij de tijd willen krijgen om te gaan voelen en ervaren hoe het is als ze [minderjarige] bezoeken om zo uiteindelijk tot een besluit te komen. De ouders hebben vervolgens aangegeven alsnog zelf de zorg te willen dragen voor [minderjarige] . De moeder heeft dit met de hulpverlener van [hulpverlening 1] , [persoon 1] , besproken. Zij heeft de moeder geadviseerd om goed na te denken over de optie om [minderjarige] eerst bij een pleeggezin te laten verblijven zodat [hulpverlening 1] met de moeder hard kan werken aan haar situatie om deze stabiel te krijgen zodat zij later met vader voor [minderjarige] kan zorgen. 4.5. De voogd van de ouders, mevrouw [persoon 2] heeft haar zorgen geuit over de zorg- en opvoedcapaciteiten van de ouders. Zij betwijfelt of de ouders kunnen overzien wat het opvoeden en verzorgen van [minderjarige] van hen gaat vragen. Ook vindt zij het onbegrijpelijk dat de ouders onder invloed van middelen de eerste maal naar de NICU kwamen, terwijl tevoren aan hen duidelijk was gemaakt dat [minderjarige] in levensgevaar verkeerde. Ook is haar gebleken dat de moeder tijdens de zwangerschap, ondanks dat haar was geadviseerd dit niet te doen, met de vader tijdens een bezoek aan De Efteling in achtbanen is gegaan. De ouders lijken de toekomst louter positief in te zien, zij komen niet met vragen ten aanzien van de opvoeding en verzorging, de vader mogelijk iets meer dan de moeder, maar hij kan dit ook weer snel loslaten. Ook heeft de vader zijn zorgen geuit over een geschikte woonplek voor hem, de moeder en [minderjarige] en over de financiën van de moeder. De moeder herkent zich niet of slechts gedeeltelijk in deze zorgen. Er komen van de ouders ook geen initiatieven omtrent voeding, luiers, spullen en kleding voor [minderjarige] . Zij nemen daarin een afwachtende en terughoudende houding aan. 4.6. In een multidisciplinair overleg is gesproken over de mogelijkheid van een gezinsopname voor de duur van twaalf weken bij de observatieafdeling [afdeling] van Sterk Huis.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:9682 text/xml public 2026-02-05T16:34:36 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-12-11 C/02/440584 / JE RK 25-1801 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9682 text/html public 2026-02-05T16:34:10 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:9682 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-12-2025 / C/02/440584 / JE RK 25-1801 Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/440584 / JE RK 25-1801 Datum uitspraak: 11 december 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Rotterdam- Dordrecht, locatie Rotterdam, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat mr. Y.E.B. Grosfeld te Breda, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats 1] . Als informant is aangemerkt: gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT locatie Tilburg, hierna te noemen de GI. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 oktober 2025; het gewijzigd verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 24 oktober 2025; het gewijzigd verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 13 november 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordigster van de Raad; - een vertegenwoordigster van de GI. 2 De feiten 2.1. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.2. Bij beschikking van 29 juli 2025 is de voorlopige voogdij over [minderjarige] uitgeoefend door de Stichting Jeugdbescherming Brabant, verlengd tot 18 oktober 2025, waarbij is bepaald dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, te weten op 18 oktober 2025, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. 2.3. [minderjarige] verbleef aanvankelijk in het [ziekenhuis 1] te [plaats 1] , afdeling moeder en kind. Zij verblijft nu in een pleeggezin. 3 Het verzoek De Raad heeft oorspronkelijk verzocht om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen van [minderjarige] in het kader van een traject, te weten eerst in een ziekenhuis en daarop volgend in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin) te verlenen voor de duur van negen maanden. Gebleken is dat [minderjarige] intussen in een pleeggezin is geplaatst en dat de GI beoogt te komen tot een gezinsopname gedurende een periode van twaalf weken. De kinderrechter begrijpt daarom het verzoek aldus dat een machtiging wordt verzocht om [minderjarige] te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg en aansluitend middels een opname in een moeder-kind huis voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de Raad 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat de aanleiding voor het onderzoek een spoedmelding is van 18 juli 2025 van het FIOM wegens de geboorte van [minderjarige] , waarbij de ouders overwegen om afstand te doen. [minderjarige] is geboren met 27 weken na een grotendeels ongecontroleerde zwangerschap. De moeder is eerder in haar gezin slachtoffer geweest van de toeslagenaffaire wat zijn invloed heeft gehad op het systeem. Daarnaast heeft de moeder op jonge leeftijd een ingrijpende gebeurtenis meegemaakt, die invloed heeft gehad op haar mentale toestand. De moeder heeft daarvoor behandeling ontvangen. De moeder heeft tijdens de zwangerschap middelen gebruikt (alcohol en softdrugs), onduidelijk is in welke mate. 4.2. Wegens haar vroeggeboorte heeft [minderjarige] van 18 juli 2025 tot 19 september 2025 verbleven op de Neonatale Intensive Care Unit (hierna: NICU) van het [ziekenhuis 2] te [plaats 2] vanwege haar vroeggeboorte. Daaropvolgend heeft zij zonder de moeder verbleven op de moeder en kindafdeling van het [ziekenhuis 1] te [plaats 1] . [minderjarige] wordt behandeld voor een infectieverdenking met antibiotica. Tevens is een intraventriculaire hersenbloeding eenzijdig vastgesteld die verder nauwkeurig gevolgd moet worden. 4.3. De ouders zijn sinds twee jaar samen. De moeder (18 jaar oud) heeft sinds juli 2025 een eigen woning te [plaats 1] in het kader van beschermd wonen met ambulante begeleiding via [hulpverlening 1] . De vader (ook 18 jaar oud) woont thuis met zijn oma en tante vaderszijde te [plaats 1] . De moeder is bekend bij Veilig Thuis en bij [hulpverlening 2] te [plaats 1] . Op 15-jarige leeftijd heeft zij gesprekken gevoerd met een psycholoog vanwege gedragsproblemen en agressie. Zij is meerdere malen van huis weggelopen en zij heeft bij familie verbleven. De moeder is op haar achttiende jaar door opa en oma moederszijde uit huis gezet. Zij werkt momenteel niet, zij ontvangt een uitkering. Er loopt een aanvraag voor bewindvoering. De vader volgt een BBL-opleiding, waarbij hij tegelijkertijd werkt gedurende vijf dagen per week. Hij heeft een contract voor drie jaar. 4.4. De ouders hebben aangegeven dat zij blowen. De moeder heeft aangegeven minder te blowen dan de vader, de vader blowt bijna dagelijks; in de vakanties blowt hij vaker. Aanvankelijk hebben de ouders kenbaar gemaakt dat zij wel een kinderwens hebben, maar dat zij zichzelf nu nog te jong vinden en zich op dit moment niet in staat achten om voor een kind te zorgen en over onvoldoende financiële middelen beschikken om voor een kind te zorgen en daarom voornemens te zijn afstand te doen van [minderjarige] en de zorg over te dragen aan het ziekenhuis c.q. een ander gezin. Daarbij hebben zij tevens opgemerkt dat zij de tijd willen krijgen om te gaan voelen en ervaren hoe het is als ze [minderjarige] bezoeken om zo uiteindelijk tot een besluit te komen. De ouders hebben vervolgens aangegeven alsnog zelf de zorg te willen dragen voor [minderjarige] . De moeder heeft dit met de hulpverlener van [hulpverlening 1] , [persoon 1] , besproken. Zij heeft de moeder geadviseerd om goed na te denken over de optie om [minderjarige] eerst bij een pleeggezin te laten verblijven zodat [hulpverlening 1] met de moeder hard kan werken aan haar situatie om deze stabiel te krijgen zodat zij later met vader voor [minderjarige] kan zorgen. 4.5. De voogd van de ouders, mevrouw [persoon 2] heeft haar zorgen geuit over de zorg- en opvoedcapaciteiten van de ouders. Zij betwijfelt of de ouders kunnen overzien wat het opvoeden en verzorgen van [minderjarige] van hen gaat vragen. Ook vindt zij het onbegrijpelijk dat de ouders onder invloed van middelen de eerste maal naar de NICU kwamen, terwijl tevoren aan hen duidelijk was gemaakt dat [minderjarige] in levensgevaar verkeerde. Ook is haar gebleken dat de moeder tijdens de zwangerschap, ondanks dat haar was geadviseerd dit niet te doen, met de vader tijdens een bezoek aan De Efteling in achtbanen is gegaan. De ouders lijken de toekomst louter positief in te zien, zij komen niet met vragen ten aanzien van de opvoeding en verzorging, de vader mogelijk iets meer dan de moeder, maar hij kan dit ook weer snel loslaten. Ook heeft de vader zijn zorgen geuit over een geschikte woonplek voor hem, de moeder en [minderjarige] en over de financiën van de moeder. De moeder herkent zich niet of slechts gedeeltelijk in deze zorgen. Er komen van de ouders ook geen initiatieven omtrent voeding, luiers, spullen en kleding voor [minderjarige] . Zij nemen daarin een afwachtende en terughoudende houding aan. 4.6. In een multidisciplinair overleg is gesproken over de mogelijkheid van een gezinsopname voor de duur van twaalf weken bij de observatieafdeling [afdeling] van Sterk Huis.
Volledig
Daarbij rijst enerzijds de vraag of dit goed is voor [minderjarige] , aangezien het stressvol kan zijn voor haar om haar, kort na de ziekenhuisopname, bij de ouders te plaatsen. Anderzijds dient het toekomstperspectief voor [minderjarige] zo snel mogelijk duidelijk te zijn en dienen de ouders een eerlijke kans te krijgen. Een gezinsopname is de snelste manier om daarop meer zicht te krijgen. Wanneer er geen gezinsopname plaats vindt, wordt de kans op een thuisplaatsing van [minderjarige] zeker op korte termijn een stuk kleiner. Indien de ouders kiezen voor een gezinsopname zal die onder streng toezicht en onder voorwaarden dienen plaats te vinden. 4.7. De Raad concludeert op grond van voormelde feiten en omstandigheden dat het niet noodzakelijk is om voor langere tijd in het gezag te voorzien over [minderjarige] , omdat de ouders vrij snel na de geboorte hebben aangegeven alsnog zelf de zorg te willen dragen voor haar. Dit heeft ook als consequentie dat het afzonderlijk bij deze rechtbank aanhangig gemaakte verzoek tot beëindiging gezag in de zaak met het kenmerk C/02/440888 FA RK 25-5298 zal worden ingetrokken. Daarnaast is de Raad van opvatting dat op dit moment een observatieopname geen recht zal doen aan zowel de belangen van [minderjarige] als die van de ouders. [minderjarige] is nog erg klein en extra kwetsbaar vanwege haar vroeggeboorte, bovendien is zij volledig afhankelijk van haar omgeving en zijn de ouders op dit moment onvoldoende in staat om haar te bieden wat zij nodig heeft. Het is voor [minderjarige] op dit moment nodig dat zij voorlopig in het pleeggezin kan blijven, waar aan haar rust en stabiliteit kan worden geboden om zich goed te kunnen ontwikkelen. In deze periode kunnen de ouders aan hun eigen situatie werken en laten zien dat het hen lukt om hun leven op orde te krijgen en dat zij in staat zijn om initiatief te tonen en afspraken na te komen. Verder plaatst de Raad vraagtekens bij de geschiktheid van het netwerk aangezien de moeder een moeizame relatie heeft met de grootouders moederszijde, zij recentelijk uit huis zou zijn gezet en er in het gezin van de vader een minderjarige tante vaderszijde woont, alsook oma vaderszijde, waardoor er van continue beschikbaarheid geen sprake is. Bij elkaar maakt dit dat in de visie van de Raad sprake is van een zodanig ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] dat een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling nodig is. De Raad ziet een periode van één jaar als een passende termijn, omdat er op verschillende gebieden zorgen zijn bij de ouders in combinatie met de kwetsbaarheid van [minderjarige] . Ook dient een jeugdbeschermer toe te kunnen zien op de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] en deze te waarborgen. Daarnaast acht de Raad een uithuisplaatsing op dit moment noodzakelijk, omdat de ouders onvoldoende in staat zijn om zelfstandig de dagelijkse zorg voor [minderjarige] te dragen. Een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van negen maanden acht de Raad in het belang van [minderjarige] noodzakelijk, waarbij een periode van zes maanden als de aanvaardbare termijn wordt gezien en er de laatste drie maanden uitvoering aan het perspectief gegeven kan worden. 5 Het standpunt van de GI Namens de GI is naar voren gebracht dat [minderjarige] in medisch opzicht al flinke stappen heeft gemaakt. Wel heeft zij nog veel extra zorg nodig en zal dit naar verwachting ook in de toekomst het geval zijn. De ouders tonen zich liefdevol en betrokken naar [minderjarige] , maar zij zijn feitelijk op dit moment niet of althans minder dan gemiddeld in staat haar te bieden wat zij nodig heeft. De ouders zijn inmiddels aangemeld voor een gezinsopname bij Crossroads. Zij zullen tot aan de geplande gezinsopname moeten laten zien dat zij ten minste de nodige stappen weten te maken om hun leven ten aanzien van een eigen woning en inkomen op de rails te krijgen. Ook dienen zij de GI volledig inzicht te bieden in hun opvattingen over hoe zij aankijken tegen de zorgverdeling en het betrekken daarbij van de hulpverlening. Vooralsnog krijgt de GI daarvan geen concreet beeld. De ouders dienen zich terdege te realiseren welke stappen er nog dienen te worden genomen en wat er in dat opzicht concreet van hen wordt gevraagd. 6 De standpunten van de belanghebbenden 6.1. Door en namens de moeder is opgemerkt dat zij begrijpt dat een ondertoezicht-stelling en machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment de in het belang van [minderjarige] noodzakelijke maatregelen zijn, ook om haar en de vader de gelegenheid te geven om hun leven qua wonen en inkomen op orde te brengen. Ook kan zij instemmen met een gezinsopname. Dit met als uitgangspunt dat zij en de vader op termijn zelfstandig met de zorg en verantwoording voor [minderjarige] belast zullen zijn. Aanvankelijk zag de moeder zich voor een dilemma geplaatst, echter heeft zij vervolgens de beslissing genomen dat zij uiteindelijk samen met de vader voor [minderjarige] wil gaan zorgen. Zij begrijpt wel dat zij en de vader daar hulpverlening en ondersteuning bij nodig hebben. Daarbij speelt ook een rol dat zij over een woning beschikt, waar zij niet samen met [minderjarige] mag verblijven. Voor dit moment geldt dat de contactregeling tussen [minderjarige] en de ouders erg belangrijk is uit oogpunt van de ouder-kind hechting. De moeder kan met voormelde toelichting instemmen met een ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar. Ook kan de moeder - alsnog - achter een machtiging tot uithuisplaatsing staan voor de duur van 9 maanden, zoals door de Raad is verzocht. 6.2. De vader heeft mondeling aangegeven dat hij een positief contact heeft met de pleegouders van [minderjarige] . Evenals de moeder heeft hij bezoekcontacten met [minderjarige] in het pleeggezin, zij het dat hij minder vaak dan de moeder kan komen, omdat hij een BBL opleiding volgt. Hij begrijpt het verzoek tot ondertoezichtstelling en tot machtiging tot uithuisplaatsing en kan daar achter staan. Wel met als kanttekening dat hij en de moeder, zodra zij hun leven voldoende op orde hebben, een serieuze kans dienen te krijgen om te laten zien dat zij in staat zijn zelfstandig de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Hij en de moeder komen consequent de afspraken met de pleegouders na en zij zijn voornemens er alles aan te doen om ervoor te zorgen dat zij uiteindelijk samen voor [minderjarige] zullen kunnen zorgen. 7 De beoordeling 7.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezicht-stelling is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuis-plaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 7.2. [minderjarige] heeft wegens vroeggeboorte verbleven op de NICU van het [ziekenhuis 2] te [plaats 2] en daaropvolgend in het [ziekenhuis 1] te [plaats 1] . Er is bij haar sprake van een infectieverdenking met antibiotica en er is een intraventriculaire hersenbloeding eenzijdig vastgesteld die nauwkeurig gevolgd dient te worden. De ouders zijn nog zeer jong. De moeder heeft een belast verleden en er is sprake van middelengebruik. De moeder beschikt niet over eigen woonruimte, althans niet zodanig dat zij daar samen met [minderjarige] en/of de vader kan verblijven. De vader beschikt ook (nog) niet over eigen woonruimte, waarbij komt dat hij een BBL-opleiding volgt, waarbij hij tegelijkertijd werkt gedurende vijf dagen per week. Ook ten aanzien van de vader geldt dat waarschijnlijk sprake is middelengebruik. Beide ouders hebben nadrukkelijk aangegeven dat zij, zodra zij hun levens voldoende op de rails hebben, de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zelfstandig op zich willen nemen. Zij begrijpen dat zij daarbij hulp en ondersteuning nodig hebben, ook als dit betekent dat er eerst een gezinsopname plaats vindt om beter zicht te krijgen op hun capaciteiten als verzorger/opvoeder. Tevens kunnen beide ouders er achter staan dat [minderjarige] op dit moment in het pleeggezin blijft.
Volledig
Daarbij rijst enerzijds de vraag of dit goed is voor [minderjarige] , aangezien het stressvol kan zijn voor haar om haar, kort na de ziekenhuisopname, bij de ouders te plaatsen. Anderzijds dient het toekomstperspectief voor [minderjarige] zo snel mogelijk duidelijk te zijn en dienen de ouders een eerlijke kans te krijgen. Een gezinsopname is de snelste manier om daarop meer zicht te krijgen. Wanneer er geen gezinsopname plaats vindt, wordt de kans op een thuisplaatsing van [minderjarige] zeker op korte termijn een stuk kleiner. Indien de ouders kiezen voor een gezinsopname zal die onder streng toezicht en onder voorwaarden dienen plaats te vinden. 4.7. De Raad concludeert op grond van voormelde feiten en omstandigheden dat het niet noodzakelijk is om voor langere tijd in het gezag te voorzien over [minderjarige] , omdat de ouders vrij snel na de geboorte hebben aangegeven alsnog zelf de zorg te willen dragen voor haar. Dit heeft ook als consequentie dat het afzonderlijk bij deze rechtbank aanhangig gemaakte verzoek tot beëindiging gezag in de zaak met het kenmerk C/02/440888 FA RK 25-5298 zal worden ingetrokken. Daarnaast is de Raad van opvatting dat op dit moment een observatieopname geen recht zal doen aan zowel de belangen van [minderjarige] als die van de ouders. [minderjarige] is nog erg klein en extra kwetsbaar vanwege haar vroeggeboorte, bovendien is zij volledig afhankelijk van haar omgeving en zijn de ouders op dit moment onvoldoende in staat om haar te bieden wat zij nodig heeft. Het is voor [minderjarige] op dit moment nodig dat zij voorlopig in het pleeggezin kan blijven, waar aan haar rust en stabiliteit kan worden geboden om zich goed te kunnen ontwikkelen. In deze periode kunnen de ouders aan hun eigen situatie werken en laten zien dat het hen lukt om hun leven op orde te krijgen en dat zij in staat zijn om initiatief te tonen en afspraken na te komen. Verder plaatst de Raad vraagtekens bij de geschiktheid van het netwerk aangezien de moeder een moeizame relatie heeft met de grootouders moederszijde, zij recentelijk uit huis zou zijn gezet en er in het gezin van de vader een minderjarige tante vaderszijde woont, alsook oma vaderszijde, waardoor er van continue beschikbaarheid geen sprake is. Bij elkaar maakt dit dat in de visie van de Raad sprake is van een zodanig ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] dat een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling nodig is. De Raad ziet een periode van één jaar als een passende termijn, omdat er op verschillende gebieden zorgen zijn bij de ouders in combinatie met de kwetsbaarheid van [minderjarige] . Ook dient een jeugdbeschermer toe te kunnen zien op de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] en deze te waarborgen. Daarnaast acht de Raad een uithuisplaatsing op dit moment noodzakelijk, omdat de ouders onvoldoende in staat zijn om zelfstandig de dagelijkse zorg voor [minderjarige] te dragen. Een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van negen maanden acht de Raad in het belang van [minderjarige] noodzakelijk, waarbij een periode van zes maanden als de aanvaardbare termijn wordt gezien en er de laatste drie maanden uitvoering aan het perspectief gegeven kan worden. 5 Het standpunt van de GI Namens de GI is naar voren gebracht dat [minderjarige] in medisch opzicht al flinke stappen heeft gemaakt. Wel heeft zij nog veel extra zorg nodig en zal dit naar verwachting ook in de toekomst het geval zijn. De ouders tonen zich liefdevol en betrokken naar [minderjarige] , maar zij zijn feitelijk op dit moment niet of althans minder dan gemiddeld in staat haar te bieden wat zij nodig heeft. De ouders zijn inmiddels aangemeld voor een gezinsopname bij Crossroads. Zij zullen tot aan de geplande gezinsopname moeten laten zien dat zij ten minste de nodige stappen weten te maken om hun leven ten aanzien van een eigen woning en inkomen op de rails te krijgen. Ook dienen zij de GI volledig inzicht te bieden in hun opvattingen over hoe zij aankijken tegen de zorgverdeling en het betrekken daarbij van de hulpverlening. Vooralsnog krijgt de GI daarvan geen concreet beeld. De ouders dienen zich terdege te realiseren welke stappen er nog dienen te worden genomen en wat er in dat opzicht concreet van hen wordt gevraagd. 6 De standpunten van de belanghebbenden 6.1. Door en namens de moeder is opgemerkt dat zij begrijpt dat een ondertoezicht-stelling en machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment de in het belang van [minderjarige] noodzakelijke maatregelen zijn, ook om haar en de vader de gelegenheid te geven om hun leven qua wonen en inkomen op orde te brengen. Ook kan zij instemmen met een gezinsopname. Dit met als uitgangspunt dat zij en de vader op termijn zelfstandig met de zorg en verantwoording voor [minderjarige] belast zullen zijn. Aanvankelijk zag de moeder zich voor een dilemma geplaatst, echter heeft zij vervolgens de beslissing genomen dat zij uiteindelijk samen met de vader voor [minderjarige] wil gaan zorgen. Zij begrijpt wel dat zij en de vader daar hulpverlening en ondersteuning bij nodig hebben. Daarbij speelt ook een rol dat zij over een woning beschikt, waar zij niet samen met [minderjarige] mag verblijven. Voor dit moment geldt dat de contactregeling tussen [minderjarige] en de ouders erg belangrijk is uit oogpunt van de ouder-kind hechting. De moeder kan met voormelde toelichting instemmen met een ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar. Ook kan de moeder - alsnog - achter een machtiging tot uithuisplaatsing staan voor de duur van 9 maanden, zoals door de Raad is verzocht. 6.2. De vader heeft mondeling aangegeven dat hij een positief contact heeft met de pleegouders van [minderjarige] . Evenals de moeder heeft hij bezoekcontacten met [minderjarige] in het pleeggezin, zij het dat hij minder vaak dan de moeder kan komen, omdat hij een BBL opleiding volgt. Hij begrijpt het verzoek tot ondertoezichtstelling en tot machtiging tot uithuisplaatsing en kan daar achter staan. Wel met als kanttekening dat hij en de moeder, zodra zij hun leven voldoende op orde hebben, een serieuze kans dienen te krijgen om te laten zien dat zij in staat zijn zelfstandig de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Hij en de moeder komen consequent de afspraken met de pleegouders na en zij zijn voornemens er alles aan te doen om ervoor te zorgen dat zij uiteindelijk samen voor [minderjarige] zullen kunnen zorgen. 7 De beoordeling 7.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezicht-stelling is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuis-plaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 7.2. [minderjarige] heeft wegens vroeggeboorte verbleven op de NICU van het [ziekenhuis 2] te [plaats 2] en daaropvolgend in het [ziekenhuis 1] te [plaats 1] . Er is bij haar sprake van een infectieverdenking met antibiotica en er is een intraventriculaire hersenbloeding eenzijdig vastgesteld die nauwkeurig gevolgd dient te worden. De ouders zijn nog zeer jong. De moeder heeft een belast verleden en er is sprake van middelengebruik. De moeder beschikt niet over eigen woonruimte, althans niet zodanig dat zij daar samen met [minderjarige] en/of de vader kan verblijven. De vader beschikt ook (nog) niet over eigen woonruimte, waarbij komt dat hij een BBL-opleiding volgt, waarbij hij tegelijkertijd werkt gedurende vijf dagen per week. Ook ten aanzien van de vader geldt dat waarschijnlijk sprake is middelengebruik. Beide ouders hebben nadrukkelijk aangegeven dat zij, zodra zij hun levens voldoende op de rails hebben, de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zelfstandig op zich willen nemen. Zij begrijpen dat zij daarbij hulp en ondersteuning nodig hebben, ook als dit betekent dat er eerst een gezinsopname plaats vindt om beter zicht te krijgen op hun capaciteiten als verzorger/opvoeder. Tevens kunnen beide ouders er achter staan dat [minderjarige] op dit moment in het pleeggezin blijft.