Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-07
ECLI:NL:RBZWB:2025:931
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,412 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431134 / FA RK 25-374
Datum uitspraak: 7 februari 2025
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[cliënt]
,
geboren op [geboortedag] 1948 in [geboorteplaats],
hierna te noemen cliënt,
wonende [woonplaats],
advocaat mr. G.J. Woodrow te Tilburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 24 januari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2025. Daarbij zijn gehoord:
cliënt, bijgestaan door waarnemend advocaat mr. G.H.M. van Laarhoven;
mevrouw [naam 1], casemanager dementie;
de echtgenote van cliënt;
de zoon van cliënt.
2Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf, als bedoeld in artikel 26 Wet Zorg en Dwang (hierna: Wzd) voor de duur van zes maanden te verlenen.
3De standpunten
3.1.
Cliënt geeft aan dat hij wel bejaard is maar volgens hem is hij niet zo ziek dat hij naar een bejaardenhuis of zorgaccommodatie zou moeten. Als dat zo is, zo zegt hij, kun je half Nederland wel laten opnemen. Thuis gaat het goed vindt hij. Op de vraag wie hem verzorgt zegt hij zijn zus. Cliënt herhaalt vervolgens nog een paar keer dat hij niet naar een bejaardenhuis wil.
3.2.
De echtgenote van cliënt, die cliënt overigens consequent “zijn zus” noemt, merkt op dat de zorg voor haar wel erg zwaar wordt. Dit temeer daar zij zelf een longprobleem heeft en zij op zuurstofapparatuur aangewezen is.
3.3.
De zoon van cliënt bevestigt wat door zijn moeder is opgemerkt. Hij voegt daaraan toe dat hij ziet dat er thuis een gespannen sfeer heerst en dat zijn moeder ook regelmatig angstig is.
3.4.
De casemanager dementie brengt naar voren dat bij cliënt sprake is van dementie in een gevorderd stadium. De nu geboden ambulante zorg/ondersteuning is vooral op de echtgenote van cliënt gericht, van ambulante ondersteuning waar het de zorgbehoefte van cliënt betreft is niet of nauwelijks sprake. Er is gekeken naar alternatieven, zoals het inzetten van meer thuiszorg, echter is daar niet voor gekozen, omdat dit naar inschatting eerder voor extra problemen zou zorgen dan een oplossing biedt. Daarbij komt dat cliënt niet vrijwillig aan dagbesteding deelneemt, maar hij daartoe door zijn echtgenote moet worden gestimuleerd. In het geval dat de rechtbank het verzoek toewijst is er voor cliënt niet per direct een plek in een zorgaccommodatie voorhanden. De verwachting is wel dat er binnen een termijn van 4 weken een plek beschikbaar zal komen.
3.5.
De advocaat van cliënt stelt allereerst aan de orde dat het verzoek volgens hem te laat is ingediend. Voorts merkt hij op dat zijn cliënt heel nadrukkelijk aangeeft niet naar een bejaardenhuis of daarmee vergelijkbare zorgaccommodatie te willen. Hij pleit daarom namens zijn cliënt primair voor een afwijzing van het verzoek. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat het verzoek ook niet kan c.q. moet worden toegewezen, omdat er naar zijn mening nog minder bezwarende alternatieven zijn, waarbij hij denkt aan opschaling van de thuiszorg, één of meer dagen dagbesteding en een gps-horloge in verband met mogelijk dwaalgedrag.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat de opmerking van de advocaat van cliënt dat het verzoek te laat is ingediend op zich correct is. De aanvraag voor een besluit tot opname en verblijf, als bedoeld in artikel 21 Wzd dateert immers van 20 december 2024, terwijl het verzoek is ingediend op 24 januari 2025. Dit is in strijd met artikel 26 lid 1 Wzd, dat immers bepaalt dat het CIZ zo spoedig mogelijk, doch binnen drie weken na de dag van ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 25, eerste lid Wzd bij de rechter een verzoek doet tot het verlenen van een rechterlijke machtiging. 4.2. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze termijnoverschrijding niet betekent dat het verzoek niet zou kunnen worden behandeld. Art 26 lid 1 Wzd stelt immers wel een termijn, maar noch uit dit wetsartikel of enig ander artikel in de Wzd, noch anderszins blijkt dat de termijn van drie weken is bedoeld als fatale termijn, die bij niet naleving tot niet ontvankelijkheid leidt of kan leiden. De rechtbank kan het verzoek dus behandelen.
4.3
De rechtbank verleent de gevraagde rechterlijke machtiging. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken en de mondelinge behandeling genoegzaam dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening samen met een psychische stoornis, in de medische verklaring gediagnosticeerd als dementie (ziekte van Alzheimer).
4.5.
Daarnaast blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de stukken en de mondelinge behandeling ook genoegzaam dat het door zijn stoornis veroorzaakt gedrag van cliënt leidt tot het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig nadeel in de vorm van:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade (voor een ander);
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
Cliënt kampt in toenemende mate met desoriëntatie c.q. verwardheid in tijd, plaats en persoon. Ook is cliënt niet langer in staat huishoudelijke en andere taken, waaronder het beheren van zijn financiën en het doen van de boodschappen zelfstandig te verrichten. Daarnaast heeft cliënt naar zijn echtgenote verbaal en fysiek agressief gedrag laten zien. Ook gaat cliënt regelmatig naar buiten en is gebleken dat hij dan soms de weg naar huis niet meer weet terug te vinden.
4.6.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen.
4.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De inzet van thuiszorg, specifiek bedoeld voor cliënt wordt niet als haalbare optie gezien, nu die naar verwachting alleen maar voor meer onrust zal gaan zorgen in plaats van helpend is. De echtgenote van cliënt, die zelf gezondheidsproblemen kent, raakt bovendien door de grote zorgbehoefte en het gedrag van cliënt overbelast, waarbij komt dat haar mentale en fysieke veiligheid onvoldoende gewaarborgd is.
4.8.
De rechtbank zal vanwege de hiervoor besproken termijnoverschrijding de periode waarvoor de rechterlijke machtiging wordt verleend c.q. geldt bekorten met het aantal dagen dat de wettelijke termijn is overschreden.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor:
[cliënt]
, geboren op [geboortedag] 1948 in [geboorteplaats];
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt met ingang van 7 februari 2025 tot en met
24 juli 2025;
5.3.
wijst af het meer dan wel anders verzochte
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2025 door mr. Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431134 / FA RK 25-374
Datum uitspraak: 7 februari 2025
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[cliënt]
,
geboren op [geboortedag] 1948 in [geboorteplaats],
hierna te noemen cliënt,
wonende [woonplaats],
advocaat mr. G.J. Woodrow te Tilburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 24 januari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2025. Daarbij zijn gehoord:
cliënt, bijgestaan door waarnemend advocaat mr. G.H.M. van Laarhoven;
mevrouw [naam 1], casemanager dementie;
de echtgenote van cliënt;
de zoon van cliënt.
2Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf, als bedoeld in artikel 26 Wet Zorg en Dwang (hierna: Wzd) voor de duur van zes maanden te verlenen.
3De standpunten
3.1.
Cliënt geeft aan dat hij wel bejaard is maar volgens hem is hij niet zo ziek dat hij naar een bejaardenhuis of zorgaccommodatie zou moeten. Als dat zo is, zo zegt hij, kun je half Nederland wel laten opnemen. Thuis gaat het goed vindt hij. Op de vraag wie hem verzorgt zegt hij zijn zus. Cliënt herhaalt vervolgens nog een paar keer dat hij niet naar een bejaardenhuis wil.
3.2.
De echtgenote van cliënt, die cliënt overigens consequent “zijn zus” noemt, merkt op dat de zorg voor haar wel erg zwaar wordt. Dit temeer daar zij zelf een longprobleem heeft en zij op zuurstofapparatuur aangewezen is.
3.3.
De zoon van cliënt bevestigt wat door zijn moeder is opgemerkt. Hij voegt daaraan toe dat hij ziet dat er thuis een gespannen sfeer heerst en dat zijn moeder ook regelmatig angstig is.
3.4.
De casemanager dementie brengt naar voren dat bij cliënt sprake is van dementie in een gevorderd stadium. De nu geboden ambulante zorg/ondersteuning is vooral op de echtgenote van cliënt gericht, van ambulante ondersteuning waar het de zorgbehoefte van cliënt betreft is niet of nauwelijks sprake. Er is gekeken naar alternatieven, zoals het inzetten van meer thuiszorg, echter is daar niet voor gekozen, omdat dit naar inschatting eerder voor extra problemen zou zorgen dan een oplossing biedt. Daarbij komt dat cliënt niet vrijwillig aan dagbesteding deelneemt, maar hij daartoe door zijn echtgenote moet worden gestimuleerd. In het geval dat de rechtbank het verzoek toewijst is er voor cliënt niet per direct een plek in een zorgaccommodatie voorhanden. De verwachting is wel dat er binnen een termijn van 4 weken een plek beschikbaar zal komen.
3.5.
De advocaat van cliënt stelt allereerst aan de orde dat het verzoek volgens hem te laat is ingediend. Voorts merkt hij op dat zijn cliënt heel nadrukkelijk aangeeft niet naar een bejaardenhuis of daarmee vergelijkbare zorgaccommodatie te willen. Hij pleit daarom namens zijn cliënt primair voor een afwijzing van het verzoek. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat het verzoek ook niet kan c.q. moet worden toegewezen, omdat er naar zijn mening nog minder bezwarende alternatieven zijn, waarbij hij denkt aan opschaling van de thuiszorg, één of meer dagen dagbesteding en een gps-horloge in verband met mogelijk dwaalgedrag.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat de opmerking van de advocaat van cliënt dat het verzoek te laat is ingediend op zich correct is. De aanvraag voor een besluit tot opname en verblijf, als bedoeld in artikel 21 Wzd dateert immers van 20 december 2024, terwijl het verzoek is ingediend op 24 januari 2025. Dit is in strijd met artikel 26 lid 1 Wzd, dat immers bepaalt dat het CIZ zo spoedig mogelijk, doch binnen drie weken na de dag van ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 25, eerste lid Wzd bij de rechter een verzoek doet tot het verlenen van een rechterlijke machtiging. 4.2. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze termijnoverschrijding niet betekent dat het verzoek niet zou kunnen worden behandeld. Art 26 lid 1 Wzd stelt immers wel een termijn, maar noch uit dit wetsartikel of enig ander artikel in de Wzd, noch anderszins blijkt dat de termijn van drie weken is bedoeld als fatale termijn, die bij niet naleving tot niet ontvankelijkheid leidt of kan leiden. De rechtbank kan het verzoek dus behandelen.
4.3
De rechtbank verleent de gevraagde rechterlijke machtiging. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken en de mondelinge behandeling genoegzaam dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening samen met een psychische stoornis, in de medische verklaring gediagnosticeerd als dementie (ziekte van Alzheimer).
4.5.
Daarnaast blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de stukken en de mondelinge behandeling ook genoegzaam dat het door zijn stoornis veroorzaakt gedrag van cliënt leidt tot het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig nadeel in de vorm van:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade (voor een ander);
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
Cliënt kampt in toenemende mate met desoriëntatie c.q. verwardheid in tijd, plaats en persoon. Ook is cliënt niet langer in staat huishoudelijke en andere taken, waaronder het beheren van zijn financiën en het doen van de boodschappen zelfstandig te verrichten. Daarnaast heeft cliënt naar zijn echtgenote verbaal en fysiek agressief gedrag laten zien. Ook gaat cliënt regelmatig naar buiten en is gebleken dat hij dan soms de weg naar huis niet meer weet terug te vinden.
4.6.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen.
4.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De inzet van thuiszorg, specifiek bedoeld voor cliënt wordt niet als haalbare optie gezien, nu die naar verwachting alleen maar voor meer onrust zal gaan zorgen in plaats van helpend is. De echtgenote van cliënt, die zelf gezondheidsproblemen kent, raakt bovendien door de grote zorgbehoefte en het gedrag van cliënt overbelast, waarbij komt dat haar mentale en fysieke veiligheid onvoldoende gewaarborgd is.
4.8.
De rechtbank zal vanwege de hiervoor besproken termijnoverschrijding de periode waarvoor de rechterlijke machtiging wordt verleend c.q. geldt bekorten met het aantal dagen dat de wettelijke termijn is overschreden.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor:
[cliënt]
, geboren op [geboortedag] 1948 in [geboorteplaats];
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt met ingang van 7 februari 2025 tot en met
24 juli 2025;
5.3.
wijst af het meer dan wel anders verzochte
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2025 door mr. Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.