Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-12-22
ECLI:NL:RBZWB:2025:9169
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,702 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/851
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 29 november 2023 en het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer].
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift op 10 juni 2024 aangegeven dat het besluit op 8 januari 2024 is herzien en dat het bezwaar alsnog gegrond is verklaard. Hierbij verwijst de heffingsambtenaar naar een intern e-mailwisseling tussen de afdeling bezwaar P1 en de invorderingsmedewerker.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift gereageerd op de proceskosten. De heffingsambtenaar is van mening dat er geheel aan het verzoek van belanghebbende is toegekomen voordat er beroep is ingesteld. De heffingsambtenaar geeft aan dat het besluit op 8 januari 2024 is herzien en het bezwaar gegrond is verklaard. Belanghebbende heeft beroep ingesteld op 9 januari 2024. Op 18 januari 2024 zou het bedrag van de naheffingsaanslag zijn teruggestort. De heffingsambtenaar is van mening dat er geen aanleiding is om hem te veroordelen in de proceskosten.
1.3.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het beroep en het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende en de rechtbank bericht dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] op 8 januari 2024 is herzien en dat het bezwaar alsnog gegrond is verklaard. De gronden van belanghebbende behoeven daarom geen behandeling meer. Omdat de rechtbank enkel beschikt over interne stukken tussen de afdeling bezwaar P1 en de invorderingsmedewerker en niet over het bericht waarbij de naheffingsaanslag daadwerkelijk is vernietigd, zal zij hier zekerheidshalve zelf toe overgaan.
2.1
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in zijn standpunt dat geen belang bestond bij het instellen van beroep, omdat op dat moment al volledig aan belanghebbende was tegemoetgekomen. De rechtbank beschikt alleen over een interne e-mailwisseling en nergens blijkt uit dat belanghebbende al voor het instellen van het beroep op de hoogte was van het herziene besluit van de heffingsambtenaar. Het beroep is daarom terecht ingesteld en gegrond. De heffingsambtenaar moet het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft ook recht op proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.
2.2
De rechtbank kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De hoogte van de vergoeding is geregeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank zal de heffingsambtenaar voor de kosten van de beroepsfase veroordelen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend. Voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase bestaat geen aanleiding, omdat geen sprake is van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbende heeft zelf het verkeerde kenteken ingevoerd als gevolg waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan belanghebbende;
draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende te vergoeden;
Dictum
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit staat in artikel 8:75 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:9169 text/xml public 2025-12-30T10:53:47 2025-12-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-12-22 BRE 24/851 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9169 text/html public 2025-12-29T13:08:37 2025-12-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:9169 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-12-2025 / BRE 24/851 8:54, beroep gegrond RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/851 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende (gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema), en de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 29 november 2023 en het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer]. 1.1. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift op 10 juni 2024 aangegeven dat het besluit op 8 januari 2024 is herzien en dat het bezwaar alsnog gegrond is verklaard. Hierbij verwijst de heffingsambtenaar naar een intern e-mailwisseling tussen de afdeling bezwaar P1 en de invorderingsmedewerker. 1.2. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift gereageerd op de proceskosten. De heffingsambtenaar is van mening dat er geheel aan het verzoek van belanghebbende is toegekomen voordat er beroep is ingesteld. De heffingsambtenaar geeft aan dat het besluit op 8 januari 2024 is herzien en het bezwaar gegrond is verklaard. Belanghebbende heeft beroep ingesteld op 9 januari 2024. Op 18 januari 2024 zou het bedrag van de naheffingsaanslag zijn teruggestort. De heffingsambtenaar is van mening dat er geen aanleiding is om hem te veroordelen in de proceskosten. 1.3. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het beroep en het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank 2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende en de rechtbank bericht dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] op 8 januari 2024 is herzien en dat het bezwaar alsnog gegrond is verklaard. De gronden van belanghebbende behoeven daarom geen behandeling meer. Omdat de rechtbank enkel beschikt over interne stukken tussen de afdeling bezwaar P1 en de invorderingsmedewerker en niet over het bericht waarbij de naheffingsaanslag daadwerkelijk is vernietigd, zal zij hier zekerheidshalve zelf toe overgaan. 2.1 De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in zijn standpunt dat geen belang bestond bij het instellen van beroep, omdat op dat moment al volledig aan belanghebbende was tegemoetgekomen. De rechtbank beschikt alleen over een interne e-mailwisseling en nergens blijkt uit dat belanghebbende al voor het instellen van het beroep op de hoogte was van het herziene besluit van de heffingsambtenaar. Het beroep is daarom terecht ingesteld en gegrond. De heffingsambtenaar moet het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft ook recht op proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. 2.2 De rechtbank kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De hoogte van de vergoeding is geregeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank zal de heffingsambtenaar voor de kosten van de beroepsfase veroordelen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend. Voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase bestaat geen aanleiding, omdat geen sprake is van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbende heeft zelf het verkeerde kenteken ingevoerd als gevolg waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting; veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan belanghebbende; draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende te vergoeden; beslist dat voor zover de proceskostenvergoeding en het te vergoeden griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit staat in artikel 8:75 van de Awb.