Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-12-09
ECLI:NL:RBZWB:2025:9019
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,623 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4556
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de korpschef van politie, de korpschef
(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de korpschef volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2024 inhoudende de gedeeltelijke toewijzing van het inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft de korpschef op 13 februari 2025 in gebreke gesteld. Op 17 februari 2025 heeft de korpschef de ingebrekestelling ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan de korpschef opgelegd?
4. De korpschef heeft in zijn verweerschrift van 7 oktober 2025 aangegeven dat de inventarisatie en beoordeling van meerdere inzageverzoeken van eiser de nodige tijd vergt, mede gelet op onderbezetting en personeelswisselingen aan de zijde van de korpschef. Dit is de reden van het overschrijden van de beslistermijn. Daarbij geeft de korpschef aan dat de inventarisatie inmiddels is afgerond en ernaar streeft om uiterlijk eind november 2025 een besluit af te geven.
4.1.
Omdat de korpschef nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de korpschef dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de korpschef dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de korpschef opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de korpschef een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de korpschef. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de korpschef de onder 4.1. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de korpschef de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De korpschef moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de korpschef op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat de korpschef aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de korpschef tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 9 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:9019 text/xml public 2025-12-29T09:49:30 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-12-09 BRE 25/4556 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9019 text/html public 2025-12-29T09:49:05 2025-12-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:9019 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-12-2025 / BRE 25/4556 NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4556 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de korpschef van politie, de korpschef (gemachtigde: mr. N.N. Bontje). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de korpschef volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2024 inhoudende de gedeeltelijke toewijzing van het inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft de korpschef op 13 februari 2025 in gebreke gesteld. Op 17 februari 2025 heeft de korpschef de ingebrekestelling ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan. Welke beslistermijn wordt aan de korpschef opgelegd? 4. De korpschef heeft in zijn verweerschrift van 7 oktober 2025 aangegeven dat de inventarisatie en beoordeling van meerdere inzageverzoeken van eiser de nodige tijd vergt, mede gelet op onderbezetting en personeelswisselingen aan de zijde van de korpschef. Dit is de reden van het overschrijden van de beslistermijn. Daarbij geeft de korpschef aan dat de inventarisatie inmiddels is afgerond en ernaar streeft om uiterlijk eind november 2025 een besluit af te geven. 4.1. Omdat de korpschef nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de korpschef dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de korpschef dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Welke dwangsom wordt aan de korpschef opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat de korpschef een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de korpschef. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de korpschef de onder 4.1. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de korpschef de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is, moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De korpschef moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de korpschef op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat de korpschef aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; veroordeelt de korpschef tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 9 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.