Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-14
ECLI:NL:RBZWB:2025:894
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,152 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/428831 / JE RK 24-2091
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. V.C. Serrarens te Middelburg,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Turkse taal;
de vader;
twee vertegenwoordigers van de GI.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 15 januari 2021 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, te weten tot 15 januari 2022. De ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd, recent tot 15 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 juli 2022 bepaald dat er tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] begeleid contact zal plaatsvinden gedurende twee uur per twee weken.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de door de kinderrechter op 14 juli 2022 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in zoverre dat de vader en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] eenmaal per twee weken (beeld)belcontact hebben met elkaar onder begeleiding van [de jeugdhulp] voor de duur van 30 minuten. Onder begeleiding van [de jeugdhulp] wordt toegewerkt naar begeleiding van het (beeld)belcontact door de moeder. De dag dient afgestemd te worden tussen de vader, de moeder en [de jeugdhulp] op basis van de schooldagen en -tijden van de kinderen. De regeling loopt in de vakanties door. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1
De GI handhaaft het verzoek. De bezoekbegeleiding is aanvankelijk geboden door [jeugdzorginstelling]. Zij hebben in 2023 geconcludeerd dat is gebleken dat de vader onvoldoende ontwikkeling laat zien om te gaan werken naar een vorm van omgang die niet meer begeleid is. De afgelopen periode is te weinig groei gezien bij de vader. Hij neemt onvoldoende verantwoordelijkheid tijdens de omgang. Het inzicht in eigen handelen is minimaal en feedback levert weerstand op. Het is voor [jeugdzorginstelling] niet mogelijk om in samenwerking met de vader te komen om tot het realiseren van de doelen te komen. De samenwerking verliep steeds moeizamer en er kwamen steeds vaker conflicten tussen [jeugdzorginstelling] en de vader. Gedurende de begeleiding is het meerdere keren voorgekomen dat het de vader niet lukt om op tijd aanwezig te zijn. [jeugdzorginstelling] heeft dan ook aangegeven om de medewerking aan de omgangsbegeleiding stop te zetten. Daaropvolgend heeft de GI de omgangsbegeleiding overgedragen aan [de jeugdhulp]. [de jeugdhulp] heeft in de periode van maart 2024 tot en met november 2024 de bezoeken begeleid. [de jeugdhulp] vindt het in het belang van de kinderen dat er contactmomenten moeten zijn tussen de kinderen en de vader. Het is voor hun identiteitsontwikkeling van belang dat zij hun vader leren kennen. Volgens [de jeugdhulp] geven beide kinderen aan behoefte te hebben aan contact met hun vader. De kinderen hebben echter wel behoefte aan veiligheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid in dat contact. De vader kan dat helaas niet zelf bieden. De kinderen laten teleurgesteld gedrag zien en ogen erg zenuwachtig op het moment dat de vader niet tijdig aanwezig is bij de contactmomenten of niet op komt dagen. De afgelopen periode is gebleken dat de vader, ondanks een bekrachtigde schriftelijke aanwijzing op dit punt, wisselend is geweest in het nakomen van evaluaties en bezoeken met de kinderen. Bij de kinderen heeft dit geleid tot onbegrip en weerstand ten aanzien van de bezoeken. Duidelijk is geworden dat in de duur en frequentie van het contact het hoogst haalbare is behaald. [minderjarige 1] heeft duidelijk uitgesproken geen bezoeken met haar vader meer te willen en zoekt ook geen fysieke toenadering tot hem. [minderjarige 2] geeft aan haar vader wel te willen zien, maar wel onder de voorwaarde dat [minderjarige 1] en de bezoekbegeleiders hierbij aanwezig zijn. [de jeugdhulp] is van mening dat op het moment dat er geen dwangkader en begeleiding meer is, er een aanzienlijk risico bestaat dat de vader voor onveiligheid zal zorgen door bijvoorbeeld onverwacht op locatie te staan en de kinderen uit te vragen waar ze wonen. De vader geeft immers binnen het gedwongen kader al geen gehoor aan de gestelde eisen. Een voorwaarde voor fysiek bezoek is dat er bezoekbegeleiding aanwezig is, maar [de jeugdhulp] biedt hiertoe geen mogelijkheid meer. Nogmaals een wissel van hulpaanbieder is niet passend omdat er geen groeimogelijkheden bij de vader meer worden gezien en de kinderen ook een duidelijke visie hebben uitgesproken. De wijziging van omstandigheden die maakt dat wijziging van de zorgregeling noodzakelijk is, is gelegen in het feit dat de kinderen nu duidelijk aangeven geen contact meer met hun vader te willen, althans niet fysiek. De GI vindt het wel belangrijk dat de kinderen contact blijven houden met de vader op een veilige manier. De GI heeft geen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend. Dit besluit wordt nog wel getoetst door de Raad. De GI vindt een (beeld)belregeling passender bij de behoefte van de kinderen op langere termijn. Er bestaat een reëel risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2], net als de twee oudste kinderen van ouders, het contact met hun vader zullen verbreken indien het contact op de huidige manier wordt voortgezet. De beeldbelregeling moet dan als een minimumregeling worden
gezien. Wanneer de kinderen er blijk van geven behoefte te hebben aan meer (en fysiek) contact, is dat mogelijk. Het verschil is dat er dan geen druk (meer) ligt op de kinderen. De GI heeft haar verzoek en het voorstel om over te gaan tot een regeling van beeldbellen nog niet met de kinderen besproken. [de jeugdhulp] heeft aangegeven dat zij de omgangsmomenten nog een jaar lang kan begeleiden. [de jeugdhulp] kan dus ook voorlopig nog betrokken blijven als de ondertoezichtstelling is verlopen.
De GI acht de moeder in staat om, op het moment dat de betrokkenheid van [de jeugdhulp] stopt, de beeldbelcontacten met de vader te begeleiden. De moeder heeft een grote groei doorgemaakt en heeft ook uitgesproken dat zij het in het belang van de kinderen vindt dat zij contact met hun vader hebben. De GI heeft met de moeder besproken dat zij een aparte telefoon met een apart telefoonnummer kan aanschaffen waarmee het beeldbellen met de vader kan plaatsvinden. De moeder weet de route naar de hulpverlening en kan hulp inschakelen indien nodig. Dit zal ook een aandachtspunt zijn bij het opstellen van het borgingsplan.
4.2
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het navolgende aangevoerd. De moeder is het eens met het verzoek van de GI. Voor de kinderen zal contact via beeldbellen minder spanning met zich meebrengen en ook veel minder leiden tot teleurstelling. De kinderen zijn al vaak teleurgesteld doordat contactmomenten niet doorgingen omdat de vader niet kwam opdagen. Er is al heel veel geprobeerd en ingezet om de contactmomenten goed te laten lopen, maar dit heeft niet geholpen. De moeder heeft begrepen dat [de jeugdhulp] inmiddels wel echt klaar is met de vader. Er is ook geen andere hulpverleningsinstantie meer die de omgang kan begeleiden. Dan is een regeling op basis van beeldbellen het minimale haalbare. De moeder staat niet te juichen om de begeleiding zelf op zich te nemen, maar zij heeft een grote groei doorgemaakt de afgelopen jaren en zij acht zichzelf in staat om de beeldbelcontacten met de vader te begeleiden zodra de begeleiding van [de jeugdhulp] is afgelopen. De moeder zal tijdens de beeldbelmomenten op de achtergrond aanwezig zijn en hoopt dat de vader zijn aandacht echt op de kinderen richt en niet tegen haar zal praten. Doet hij dat wel dan zal ze het gesprek, zonder in discussie te gaan, verbreken. De moeder is wel blij om te horen dat [de jeugdhulp] nog wat langer betrokken kan blijven. Het zou fijn zijn als in de beschikking vastgelegd kan worden dat [de jeugdhulp] een indicatie voor een jaar heeft gekregen.
Beoordeling
5.1
In lid 1 van artikel 1:265 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. In lid 2 van voornoemd artikel is bepaald dat p het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van lid 3 geldt de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling, zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a BW, tweede lid, onder a, dan wel artikel 1:377a BW, tweede lid. De kinderrechter kan de hiervoor genoemde regeling dus wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.2
De kinderrechter is van oordeel dat de GI de wijziging van omstandigheden die kan leiden tot wijziging van de vastgestelde zorgregeling, onvoldoende heeft onderbouwd. Ter onderbouwing van deze wijziging van omstandigheden heeft de GI gesteld dat de minderjarigen duidelijk hebben aangegeven dat zij geen fysiek contact meer met hun vader wensen. De vader heeft dit betwist. De GI heeft hiervan geen stukken overgelegd. Dit had wel op haar weg gelegen, te meer nu uit het door de GI overgelegde verslag van [de jeugdhulp] juist blijkt dat het de minderjarigen niet uitmaakt of zij fysiek contact met hun vader hebben of via beeldbellen. De GI heeft naar het oordeel van de kinderrechter niet duidelijk gemaakt wat de minderjarigen op dit moment in het contact met hun vader niet langer aankunnen. Ook is gebleken dat de GI het voornemen van de beeldbelcontacten niet met de minderjarigen zelf heeft besproken. Onduidelijk is dus of de door de GI voorgestelde beeldbelregeling wel aansluit bij de behoefte van de minderjarigen. De GI kon hier tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd ook geen toelichting op geven. Onvoldoende is onderbouwd waarom de verzochte wijziging van de zorgregeling in het belang van de minderjarigen is. Daarbij geldt dat het risico bestaat dat het contact tussen de minderjarigen en de vader helemaal verloren gaat op het moment dat er enkel sprake is van een (beeld)belregeling, nu de vader heeft aangegeven niet bereid te zijn daaraan mee te werken. Naar het oordeel van de kinderrechter is niet duidelijk of de situatie dat de moeder de beeldbelmomenten met de vader gaat begeleiden voldoende is geborgd. Tijdens de mondelinge behandeling is bijvoorbeeld gebleken dat er geen duidelijke afspraak met de moeder is gemaakt over het moment waarop [de jeugdhulp] de begeleiding zal overdragen aan de moeder. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [de jeugdhulp] een indicatie heeft gekregen om de contactmomenten tussen de vader en de minderjarigen nog gedurende een jaar te begeleiden. De GI heeft niet gesteld dat deze begeleiding beperkt is tot beeldbelmomenten. De kinderrechter gaat er dan ook van uit dat [de jeugdhulp] het komende jaar nog betrokken zal blijven om de contactmomenten tussen de vader en de minderjarigen te begeleiden en dat die begeleiding door blijft lopen als de ondertoezichtstelling is geëindigd. Van de vader wordt verwacht dat hij de gemaakte afspraken ook nakomt en komt opdagen bij de bezoekmomenten, zodat de minderjarigen niet teleurgesteld worden. Als de omstandigheden zodanig wijzigen dat voortzetting van de huidige regeling niet langer in het belang van de minderjarigen te achten is, ligt op de weg van de GI (in geval van een ondertoezichtstelling) dan wel de moeder of de vader om wijziging van de regeling te vragen.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr Hendriks, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025, in aanwezigheid van mr. Duerink als griffier.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/428831 / JE RK 24-2091
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. V.C. Serrarens te Middelburg,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Turkse taal;
de vader;
twee vertegenwoordigers van de GI.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 15 januari 2021 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, te weten tot 15 januari 2022. De ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd, recent tot 15 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 juli 2022 bepaald dat er tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] begeleid contact zal plaatsvinden gedurende twee uur per twee weken.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de door de kinderrechter op 14 juli 2022 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in zoverre dat de vader en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] eenmaal per twee weken (beeld)belcontact hebben met elkaar onder begeleiding van [de jeugdhulp] voor de duur van 30 minuten. Onder begeleiding van [de jeugdhulp] wordt toegewerkt naar begeleiding van het (beeld)belcontact door de moeder. De dag dient afgestemd te worden tussen de vader, de moeder en [de jeugdhulp] op basis van de schooldagen en -tijden van de kinderen. De regeling loopt in de vakanties door. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1
De GI handhaaft het verzoek. De bezoekbegeleiding is aanvankelijk geboden door [jeugdzorginstelling]. Zij hebben in 2023 geconcludeerd dat is gebleken dat de vader onvoldoende ontwikkeling laat zien om te gaan werken naar een vorm van omgang die niet meer begeleid is. De afgelopen periode is te weinig groei gezien bij de vader. Hij neemt onvoldoende verantwoordelijkheid tijdens de omgang. Het inzicht in eigen handelen is minimaal en feedback levert weerstand op. Het is voor [jeugdzorginstelling] niet mogelijk om in samenwerking met de vader te komen om tot het realiseren van de doelen te komen. De samenwerking verliep steeds moeizamer en er kwamen steeds vaker conflicten tussen [jeugdzorginstelling] en de vader. Gedurende de begeleiding is het meerdere keren voorgekomen dat het de vader niet lukt om op tijd aanwezig te zijn. [jeugdzorginstelling] heeft dan ook aangegeven om de medewerking aan de omgangsbegeleiding stop te zetten. Daaropvolgend heeft de GI de omgangsbegeleiding overgedragen aan [de jeugdhulp]. [de jeugdhulp] heeft in de periode van maart 2024 tot en met november 2024 de bezoeken begeleid. [de jeugdhulp] vindt het in het belang van de kinderen dat er contactmomenten moeten zijn tussen de kinderen en de vader. Het is voor hun identiteitsontwikkeling van belang dat zij hun vader leren kennen. Volgens [de jeugdhulp] geven beide kinderen aan behoefte te hebben aan contact met hun vader. De kinderen hebben echter wel behoefte aan veiligheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid in dat contact. De vader kan dat helaas niet zelf bieden. De kinderen laten teleurgesteld gedrag zien en ogen erg zenuwachtig op het moment dat de vader niet tijdig aanwezig is bij de contactmomenten of niet op komt dagen. De afgelopen periode is gebleken dat de vader, ondanks een bekrachtigde schriftelijke aanwijzing op dit punt, wisselend is geweest in het nakomen van evaluaties en bezoeken met de kinderen. Bij de kinderen heeft dit geleid tot onbegrip en weerstand ten aanzien van de bezoeken. Duidelijk is geworden dat in de duur en frequentie van het contact het hoogst haalbare is behaald. [minderjarige 1] heeft duidelijk uitgesproken geen bezoeken met haar vader meer te willen en zoekt ook geen fysieke toenadering tot hem. [minderjarige 2] geeft aan haar vader wel te willen zien, maar wel onder de voorwaarde dat [minderjarige 1] en de bezoekbegeleiders hierbij aanwezig zijn. [de jeugdhulp] is van mening dat op het moment dat er geen dwangkader en begeleiding meer is, er een aanzienlijk risico bestaat dat de vader voor onveiligheid zal zorgen door bijvoorbeeld onverwacht op locatie te staan en de kinderen uit te vragen waar ze wonen. De vader geeft immers binnen het gedwongen kader al geen gehoor aan de gestelde eisen. Een voorwaarde voor fysiek bezoek is dat er bezoekbegeleiding aanwezig is, maar [de jeugdhulp] biedt hiertoe geen mogelijkheid meer. Nogmaals een wissel van hulpaanbieder is niet passend omdat er geen groeimogelijkheden bij de vader meer worden gezien en de kinderen ook een duidelijke visie hebben uitgesproken. De wijziging van omstandigheden die maakt dat wijziging van de zorgregeling noodzakelijk is, is gelegen in het feit dat de kinderen nu duidelijk aangeven geen contact meer met hun vader te willen, althans niet fysiek. De GI vindt het wel belangrijk dat de kinderen contact blijven houden met de vader op een veilige manier. De GI heeft geen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend. Dit besluit wordt nog wel getoetst door de Raad. De GI vindt een (beeld)belregeling passender bij de behoefte van de kinderen op langere termijn. Er bestaat een reëel risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2], net als de twee oudste kinderen van ouders, het contact met hun vader zullen verbreken indien het contact op de huidige manier wordt voortgezet. De beeldbelregeling moet dan als een minimumregeling worden
gezien. Wanneer de kinderen er blijk van geven behoefte te hebben aan meer (en fysiek) contact, is dat mogelijk. Het verschil is dat er dan geen druk (meer) ligt op de kinderen. De GI heeft haar verzoek en het voorstel om over te gaan tot een regeling van beeldbellen nog niet met de kinderen besproken. [de jeugdhulp] heeft aangegeven dat zij de omgangsmomenten nog een jaar lang kan begeleiden. [de jeugdhulp] kan dus ook voorlopig nog betrokken blijven als de ondertoezichtstelling is verlopen.
De GI acht de moeder in staat om, op het moment dat de betrokkenheid van [de jeugdhulp] stopt, de beeldbelcontacten met de vader te begeleiden. De moeder heeft een grote groei doorgemaakt en heeft ook uitgesproken dat zij het in het belang van de kinderen vindt dat zij contact met hun vader hebben. De GI heeft met de moeder besproken dat zij een aparte telefoon met een apart telefoonnummer kan aanschaffen waarmee het beeldbellen met de vader kan plaatsvinden. De moeder weet de route naar de hulpverlening en kan hulp inschakelen indien nodig. Dit zal ook een aandachtspunt zijn bij het opstellen van het borgingsplan.
4.2
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het navolgende aangevoerd. De moeder is het eens met het verzoek van de GI. Voor de kinderen zal contact via beeldbellen minder spanning met zich meebrengen en ook veel minder leiden tot teleurstelling. De kinderen zijn al vaak teleurgesteld doordat contactmomenten niet doorgingen omdat de vader niet kwam opdagen. Er is al heel veel geprobeerd en ingezet om de contactmomenten goed te laten lopen, maar dit heeft niet geholpen. De moeder heeft begrepen dat [de jeugdhulp] inmiddels wel echt klaar is met de vader. Er is ook geen andere hulpverleningsinstantie meer die de omgang kan begeleiden. Dan is een regeling op basis van beeldbellen het minimale haalbare. De moeder staat niet te juichen om de begeleiding zelf op zich te nemen, maar zij heeft een grote groei doorgemaakt de afgelopen jaren en zij acht zichzelf in staat om de beeldbelcontacten met de vader te begeleiden zodra de begeleiding van [de jeugdhulp] is afgelopen. De moeder zal tijdens de beeldbelmomenten op de achtergrond aanwezig zijn en hoopt dat de vader zijn aandacht echt op de kinderen richt en niet tegen haar zal praten. Doet hij dat wel dan zal ze het gesprek, zonder in discussie te gaan, verbreken. De moeder is wel blij om te horen dat [de jeugdhulp] nog wat langer betrokken kan blijven. Het zou fijn zijn als in de beschikking vastgelegd kan worden dat [de jeugdhulp] een indicatie voor een jaar heeft gekregen.
Beoordeling
5.1
In lid 1 van artikel 1:265 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. In lid 2 van voornoemd artikel is bepaald dat p het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van lid 3 geldt de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling, zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a BW, tweede lid, onder a, dan wel artikel 1:377a BW, tweede lid. De kinderrechter kan de hiervoor genoemde regeling dus wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.2
De kinderrechter is van oordeel dat de GI de wijziging van omstandigheden die kan leiden tot wijziging van de vastgestelde zorgregeling, onvoldoende heeft onderbouwd. Ter onderbouwing van deze wijziging van omstandigheden heeft de GI gesteld dat de minderjarigen duidelijk hebben aangegeven dat zij geen fysiek contact meer met hun vader wensen. De vader heeft dit betwist. De GI heeft hiervan geen stukken overgelegd. Dit had wel op haar weg gelegen, te meer nu uit het door de GI overgelegde verslag van [de jeugdhulp] juist blijkt dat het de minderjarigen niet uitmaakt of zij fysiek contact met hun vader hebben of via beeldbellen. De GI heeft naar het oordeel van de kinderrechter niet duidelijk gemaakt wat de minderjarigen op dit moment in het contact met hun vader niet langer aankunnen. Ook is gebleken dat de GI het voornemen van de beeldbelcontacten niet met de minderjarigen zelf heeft besproken. Onduidelijk is dus of de door de GI voorgestelde beeldbelregeling wel aansluit bij de behoefte van de minderjarigen. De GI kon hier tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd ook geen toelichting op geven. Onvoldoende is onderbouwd waarom de verzochte wijziging van de zorgregeling in het belang van de minderjarigen is. Daarbij geldt dat het risico bestaat dat het contact tussen de minderjarigen en de vader helemaal verloren gaat op het moment dat er enkel sprake is van een (beeld)belregeling, nu de vader heeft aangegeven niet bereid te zijn daaraan mee te werken. Naar het oordeel van de kinderrechter is niet duidelijk of de situatie dat de moeder de beeldbelmomenten met de vader gaat begeleiden voldoende is geborgd. Tijdens de mondelinge behandeling is bijvoorbeeld gebleken dat er geen duidelijke afspraak met de moeder is gemaakt over het moment waarop [de jeugdhulp] de begeleiding zal overdragen aan de moeder. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [de jeugdhulp] een indicatie heeft gekregen om de contactmomenten tussen de vader en de minderjarigen nog gedurende een jaar te begeleiden. De GI heeft niet gesteld dat deze begeleiding beperkt is tot beeldbelmomenten. De kinderrechter gaat er dan ook van uit dat [de jeugdhulp] het komende jaar nog betrokken zal blijven om de contactmomenten tussen de vader en de minderjarigen te begeleiden en dat die begeleiding door blijft lopen als de ondertoezichtstelling is geëindigd. Van de vader wordt verwacht dat hij de gemaakte afspraken ook nakomt en komt opdagen bij de bezoekmomenten, zodat de minderjarigen niet teleurgesteld worden. Als de omstandigheden zodanig wijzigen dat voortzetting van de huidige regeling niet langer in het belang van de minderjarigen te achten is, ligt op de weg van de GI (in geval van een ondertoezichtstelling) dan wel de moeder of de vader om wijziging van de regeling te vragen.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr Hendriks, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025, in aanwezigheid van mr. Duerink als griffier.