Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-12-12
ECLI:NL:RBZWB:2025:8880
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
1,959 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 11918350 \ AZ VERZ 25-63
Beschikking van 12 december 2025
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij in het verzoek,
verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.E. Smits,
tegen
[werkgever]
,
te [plaats 2] ,
verwerende partij in het verzoek,
verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. I.I.J. Slangen en mr. L.S. de Wijs.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek
- de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in het verzoek een minnelijke regeling getroffen. Partijen hebben met betrekking tot het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitspraak verzocht. Na het sluiten van de mondelinge behandeling is de uitspraak in het tegenverzoek bepaald op vandaag.
2Het tegenverzoek
2.1.
[werkgever] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden, omdat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat van [werkgever] in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [werknemer] valt daarvan geen verwijt te maken. Ook is herplaatsing niet mogelijk dan wel ligt dit niet in de rede. [werkgever] heeft gesteld dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. [werkgever] heeft verzocht de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026 te ontbinden.
2.2.
[werknemer] refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter.
Beoordeling
3.1.
Mede gelet op de referte van [werknemer] zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 februari 2026. Uit de standpunten van partijen blijkt namelijk dat er een redelijke grond is voor ontbinding, aangezien de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat van [werkgever] als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing van [werknemer] is daarbij niet mogelijk. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst is [werknemer] niet verwijtbaar. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst. [werknemer] is arbeidsongeschikt waardoor het opzegverbod conform artikel 7:670 BW van toepassing is. Hierop wordt echter op grond van artikel 7:671b lid 6, onderdeel a, BW een uitzondering gemaakt, omdat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft.
3.2.
Gelet op de uitkomst van deze procedure is het redelijk dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 februari 2026,
4.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
4.3.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:8880 text/xml public 2026-01-27T12:23:26 2025-12-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-12-12 11918350 \ AZ VERZ 25-63 (E) Uitspraak Beschikking NL Bergen op Zoom Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl VAAN-AR-Updates.nl 2026-0150 AR-Updates.nl 2026-0150 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:8880 text/html public 2026-01-08T14:05:21 2026-01-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:8880 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-12-2025 / 11918350 \ AZ VERZ 25-63 (E) Partijen hebben op de mondelinge behandeling een regeling bereikt over de financiële afwikkeling bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Partijen hebben de kantonrechter verzocht een beslissing te nemen over het verzoek van werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Werknemer heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. Het verzoek wordt toegewen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer / rekestnummer: 11918350 \ AZ VERZ 25-63 Beschikking van 12 december 2025 in de zaak van [werknemer] , te [plaats 1] , verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. M.E. Smits, tegen [werkgever] , te [plaats 2] , verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna te noemen: [werkgever] , gemachtigde: mr. I.I.J. Slangen en mr. L.S. de Wijs. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - het verweerschrift tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek - de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in het verzoek een minnelijke regeling getroffen. Partijen hebben met betrekking tot het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitspraak verzocht. Na het sluiten van de mondelinge behandeling is de uitspraak in het tegenverzoek bepaald op vandaag. 2 Het tegenverzoek 2.1. [werkgever] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden, omdat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat van [werkgever] in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [werknemer] valt daarvan geen verwijt te maken. Ook is herplaatsing niet mogelijk dan wel ligt dit niet in de rede. [werkgever] heeft gesteld dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. [werkgever] heeft verzocht de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026 te ontbinden. 2.2. [werknemer] refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter. 3 De beoordeling 3.1. Mede gelet op de referte van [werknemer] zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 februari 2026. Uit de standpunten van partijen blijkt namelijk dat er een redelijke grond is voor ontbinding, aangezien de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat van [werkgever] als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing van [werknemer] is daarbij niet mogelijk. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst is [werknemer] niet verwijtbaar. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst. [werknemer] is arbeidsongeschikt waardoor het opzegverbod conform artikel 7:670 BW van toepassing is. Hierop wordt echter op grond van artikel 7:671b lid 6, onderdeel a, BW een uitzondering gemaakt, omdat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. 3.2. Gelet op de uitkomst van deze procedure is het redelijk dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 februari 2026, 4.2. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, 4.3. wijst af hetgeen meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.