Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-14
ECLI:NL:RBZWB:2025:867
Strafrecht
Op tegenspraak
1,870 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-015022-23 (ontneming)
vonnis van de rechtbank d.d. 14 februari 2025
in de ontnemingszaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats]
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
thans gedetineerd in P.I. Dordrecht
raadsman mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht
Procesverloop
Het Openbaar Ministerie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd tot een bedrag van € 25.000,-.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 1, 3 en 7 oktober 2024 en 18 december 2024, waarbij de officieren van justitie mr. E.H. Smale en mr. J.F.M. Kerkhofs en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 14 februari 2025.
2Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt dat op grond van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 25.000,-. In hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet het geen aanleiding om de vordering aan te passen en persisteert dan ook daarbij.
3Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat hooguit voor het ketaminetransport van 22 december 2022 kan worden vastgesteld dat veroordeelde daarbij betrokken is. Ten aanzien van de daarvoor in het dossier genoemde beloning, € 6.250,-, kan niet worden vastgesteld dat die daadwerkelijk is uitbetaald. Daarnaast is niet voldaan aan de eis voor ontneming op basis van andere feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, aangezien de schuld van veroordeelde bij andere strafbare feiten niet buiten redelijke twijfel is vast komen te staan.
Beoordeling
4.1
De grondslag van de vordering
Het Openbaar Ministerie heeft het gevorderde ontnemingsbedrag vastgesteld met toepassing van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr).
Op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen voor de strafbare feiten waarvoor betrokkene is veroordeeld in de hoofdzaak en daarnaast voor andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan.
De rechtbank overweegt dat veroordeelde bij vonnis van deze rechtbank van 14 februari 2025 is veroordeeld voor het medeplegen van het zonder registratie afleveren van ketamine en voor witwassen tot de in die uitspraak vermelde straf.
4.2
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vonnis in de strafzaak en de stukken uit het dossier aannemelijk is dat veroordeelde (hierna ook [veroordeelde] genoemd) wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het medeplegen van het afleveren van ketamine zonder de daarvoor benodigde registratie. Veroordeelde heeft hierover geen verklaring afgelegd. De rechtbank gaat daarom voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het onderstaande, waarbij zij zich heeft gebaseerd op de hierna genoemde bewijsmiddelen, die aan dit vonnis zijn gehecht.
Ketaminetransporten
De rechtbank acht het medeplegen van [veroordeelde] van het driemaal afleveren van ketamine bewezen. Daarbij gaat het om de transporten van 300 kg op 13 december 2022, 600 kg op 22 december 2022 en 525 kg op 16 januari 2023.
Uit de diverse lijstjes (onder andere de K(11).note) die door [medeverdachte 1] via Exclu-chats aan [medeverdachte 2] zijn verstuurd, valt af te leiden dat aan [veroordeelde] voor zijn bijdrage een beloning werd toebedeeld die per transport gelijkstond aan (de winst op) 5 kg ketamine en die winst zou per kg € 1.250,- vertegenwoordigen. Ook stemt [medeverdachte 1] in een bericht van 27 januari 2023 met zijn vader af, hoeveel hij de jongens weer kan geven, waarbij hij voor ‘[nickname 1]’ (de rechtbank begrijpt: [veroordeelde]) 6.25 (k) noemt.
Anders dan de politie en het Openbaar Ministerie zal de rechtbank echter niet van deze lijstjes en verdeling uitgaan bij het vaststellen van het door [veroordeelde] daadwerkelijk verkregen voordeel. Hieraan liggen de navolgende overwegingen ten grondslag.
Uitbetaalde winst
De rechtbank stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat er ook daadwerkelijk winst aan ‘de boys’ is uitbetaald. Uit het document ket(1).note dat in een chat van 30 januari 2023 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is verzonden, blijkt immers dat er is betaald aan de boys, oftewel ‘uitgedeeld’.
“Betaald aan boys:
Wat wij hebben uitgedeeld:
30 stuks [nickname 2] = 37.5k
20 stuks [nickname 3] = 25k
20 stuks [nickname 4] = 25k
20 stuks [nickname 5] = 25k
20 stuks [nickname 6] = 25k
10 stuks [nickname 1] = 12.5k
10 stuks [nickname 7] = 12.5k
= 162 500”
De rechtbank is van oordeel dat op grond van dit lijstje en deze chat kan worden vastgesteld dat deze bedragen daadwerkelijk aan ‘de boys’ zijn uitbetaald. Ondanks dat het dossier aanwijzingen bevat dat er eerder ook al zou zijn uitbetaald, kan op grond van dit lijstje niet worden uitgesloten dat dit de totale uitbetaling is voor de ketaminetransporten. Nu het doel van een ontnemingsvordering is te ontnemen wat daadwerkelijk aan wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten, neemt de rechtbank dit lijstje als uitgangspunt.
Uit voornoemd lijstje blijkt dat onder ‘de boys’ een persoon aangeduid als ‘[nickname 1]’ valt.
De rechtbank gaat, zoals hiervoor overwogen, ervan uit dat daarmee [veroordeelde] wordt bedoeld. Dat betekent dat aan [veroordeelde] € 12.500,- is betaald.
De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom op € 12.500,-.
4.3
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag eveneens op € 12.500,- vaststellen en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.
5De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 12.500,-.
- legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 12.500,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- wijst de vordering van het Openbaar Ministerie voor het overige af;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op maximaal 250 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. de Jonge en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 februari 2025.