Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:8496
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Kort geding
8,179 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:8496 text/xml public 2026-03-23T13:49:23 2025-12-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-11-05 C/02/440059 /KG ZA 25-484 (E) Uitspraak Kort geding NL Breda Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:8496 text/html public 2026-03-23T13:46:12 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:8496 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-11-2025 / C/02/440059 /KG ZA 25-484 (E) inzagevordering 194 Rv RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/440059 / KG ZA 25-484 Vonnis in kort geding van 5 november 2025 in de zaak van 1 [persoon 1] , te [plaats 1] , hierna te noemen [persoon 1] , 2. [B.V. 1] , te [plaats 1] , hierna te noemen [B.V. 1] , eisende partijen, hierna tezamen te noemen [partij 1] advocaat: mr. J.G. van der Steenhoven, tegen 1 [persoon 2] , te [plaats 2] , verschenen in persoon, hierna te noemen [persoon 2] , 2. [B.V. 2] , te [plaats 2] , verschenen in persoon van haar bestuurder [persoon 2] , hierna te noemen [B.V. 2] , 3. [B.V. 3] , te [plaats 3] , verschenen in persoon van haar bestuurder [persoon 2] , hierna te noemen [B.V. 3] , gedaagde partijen, hierna tezamen te noemen [partij 2] , en tegen 4 [persoon 3] , te [plaats 4] , hierna te noemen [persoon 3] , 5. [B.V. 4] , te [plaats 4] , hierna te noemen [B.V. 4] , gedaagde partijen, hierna tezamen te noemen [partij 3] , advocaat: mr. J.J. Vetter. 1 De zaak in het kort 1.1. [persoon 1] en [B.V. 1] stellen diverse vorderingen te hebben op [partij 2] en [partij 3] Zij hebben conservatoir bewijsbeslag gelegd op de gegevensdragers van [partij 2] en [partij 3] . [persoon 1] en [B.V. 1] vorderen nu dat zij deze veiliggestelde gegevens mogen inzien, zodat zij die vorderingen nader kunnen onderbouwen. [partij 2] en [partij 3] hebben daartegen bezwaar. Daarnaast stelt [persoon 1] een geldvordering te hebben op [persoon 2] uit hoofde van een schuldverklaring. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe. Deze beslissing zal hierna worden toegelicht. 2 De procedure 2.1. De voorzieningenrechter heeft op 23 oktober 2025 vanwege de spoedeisendheid een vonnis uitgesproken zonder overwegingen. In dit vonnis worden de overwegingen weergegeven. 3 De feiten 3.1. [persoon 1] is ondernemer. [B.V. 1] is zijn persoonlijke holding van waaruit [persoon 1] investeringen doet. 3.2. Tussen [persoon 1] en [persoon 2] bestaan sinds omstreeks 2021 zakelijke betrekkingen. [B.V. 2] is de persoonlijke holding van [persoon 2] . 3.3. [persoon 1] heeft vanaf 2023 regelmatig op advies van [persoon 2] cryptovaluta overgemaakt van zijn Bitbavo cryptoaccount naar zijn (op advies van [persoon 2] aangemaakte) metamask wallet. [persoon 2] heeft [persoon 1] geadviseerd over transacties met betrekking tot de cryptovaluta en hij heeft transacties voor [persoon 1] uitgevoerd. In totaal is voor een bedrag van circa 4 miljoen in cryptovaluta geïnvesteerd. 3.4. [persoon 3] is registeraccountant en werkt via zijn vennootschap [B.V. 4] . [persoon 3] is een relatie van [persoon 2] . Hij heeft betrokkenheid gehad bij de zakelijke contacten tussen [partij 1] en [partij 2] 3.5. Op 19 januari 2024 heeft [persoon 2] de onderneming [onderneming] opgericht. De aandelen in deze onderneming werden gehouden door [B.V. 2] . [onderneming] handelde onder de naam [handelsnaam] en bood massagediensten aan zakelijke klanten, onder meer door stoelmassages en fysieke massages op de werkplek aan te bieden. 3.6. [persoon 1] heeft naar aanleiding van verzoeken van [persoon 2] (via [B.V. 1] ) herhaaldelijk gelden geleend aan en geïnvesteerd in [onderneming] (deels via betalingen aan [B.V. 2] ). [B.V. 1] zou daarvoor aandelen in [onderneming] verkrijgen. [persoon 2] heeft [persoon 1] toegezegd dat hij eind 2024 (in cash) dividend uitbetaald zal krijgen 3.7. Eind 2024/begin 2025 heeft [persoon 2] diverse cryptoportefeuilles van [persoon 1] verkocht. [persoon 2] heeft [persoon 1] herhaaldelijk medegedeeld dat hij de verkoopsommen van de portefeuilles binnen afzienbare tijd zal ontvangen. 3.8. Op 18 mei 2025 is in verband met de door [B.V. 1] gedurende de periode 12 juni 2024 tot en met 1 mei 2025 aan [onderneming] verstrekte geldleningen door hen een overeenkomst van geldlening getekend voor een bedrag van € 1.285.842,05. In de overeenkomst is bepaald dat de lening in kwartaaltermijnen van € 30.000,00 moet worden afgelost en dat een rente verschuldigd is van 8% op jaarbasis. 3.9. Diezelfde dag is tussen [B.V. 2] als verkoper en [B.V. 1] als koper een koopovereenkomst getekend met betrekking tot de koop en verkoop van een deel van de aandelen in [onderneming] . In de koopovereenkomst staat, samengevat, dat [B.V. 1] in totaal 55% van de aandelen verkrijgt en dat de koopsom van in totaal € 770.000,00 door [B.V. 1] al is voldaan. De aandelen zullen uiterlijk 23 mei 2025 worden geleverd. 3.10. Daarnaast is tussen [persoon 1] als schuldeiser en [persoon 2] als schuldenaar op 18 mei 2025 een schuldverklaring getekend, waarin staat dat [persoon 1] in totaal aan [persoon 2] een bedrag van € 172.500,00 aan gelden heeft verstrekt en dat [persoon 2] aan [persoon 1] een bedrag van € 108.937,50 aan behaald rendement verschuldigd is. In de schuldverklaring staat dat de schuld uiterlijk op 11 november 2025 moet zijn betaald aan [persoon 1] en dat [persoon 1] gerechtigd is om de schuld met onmiddellijke ingang op te eisen als zich een van de in de schuldverklaring vermelde omstandigheden voordoet. 3.11. Door [B.V. 2] zijn geen aandelen in [onderneming] aan [B.V. 1] geleverd, aan [persoon 1] is geen dividend uitbetaald en [persoon 1] heeft geen gelden ontvangen met betrekking tot de verkochte cryptovaluta. 3.12. [persoon 1] heeft [persoon 2] aanhoudend om informatie gevraagd over de cryptovaluta, meer in het bijzonder waar deze zich bevinden. [persoon 2] heeft deze informatie niet gegeven. 3.13. Bij brief van 17 juni 2015 heeft [persoon 1] [persoon 2] te kennen gegeven dat [persoon 2] sinds december 2024 bezig is om, zonder resultaat, het door [persoon 1] ingelegde geld en rendement in crypto valuta aan hem over te maken, dat hij in totaal recht heeft op een bedrag van meer dan zeven miljoen euro, en dat hij tot op heden nog niets heeft ontvangen. [persoon 1] heeft [persoon 2] een laatste kans gegeven om volledig inzicht te geven in alles wat met het cryptogeld is gebeurd. 3.14. Naar aanleiding van deze brief heeft nog correspondentie plaatsgevonden tussen partijen, waarbij de door [persoon 1] verzochte informatie door [persoon 2] niet is verstrekt. [persoon 2] heeft [persoon 1] voorgesteld om de door [B.V. 1] betaalde koopsom voor de aandelen in [onderneming] om te zetten in een lening. [persoon 1] heeft daarop op 27 juni 2025 aan [persoon 2] te kennen gegeven niet onwelwillend te staan tegen dat voorstel, waarbij hij heeft aangegeven onder welke voorwaarden (met betrekking tot zekerheid tot terugbetaling lening en met betrekking tot betaling cryptogelden) een en ander zou moeten plaatsvinden. De correspondentie is op (zaterdag) 28 juni 2025 geëindigd met een email van [persoon 2] , waarin hij schrijft: “met beide voorstellen kan ik niets en daarom stoppen we vanaf maandag. Ik wenste je daarna veel goeds in de toekomst omdat wij elkaar nooit meer gaan spreken”. 3.15. [onderneming] is op 8 juli 2025 ontbonden. 3.16. Bij email van 13 juli 2025 heeft [persoon 1] aan [persoon 2] bericht dat hij de koop-overeenkomst met betrekking tot de koop en verkoop van een deel van de aandelen in [onderneming] van 18 mei 2025 ontbindt wegens toerekenbare tekortkoming door [B.V. 2] , omdat [persoon 2] ten tijde van het ondertekenen van de koopovereenkomst al wist dat [onderneming] insolvent was, zodat de garantie dat [onderneming] niet insolvent was is geschonden. Ook heeft [B.V. 2] in strijd met de waarheid gegarandeerd dat alle verstrekte informatie geheel juist, volledig en niet misleidend is. Daarnaast heeft [persoon 1] de overeenkomst vernietigd op basis van dwaling en bedrog, omdat de overeenkomst op basis van door [persoon 2] bewust verstrekte misleidende financiële informatie, tot stand is gekomen. [B.V. 1] heeft [B.V.
Volledig
2] gesommeerd om binnen zeven dagen de door haar betaalde koopprijs van € 770.000,00 terug te betalen. [B.V. 2] heeft niet aan de sommatie voldaan. 3.17. [persoon 2] heeft op 14 juli 2025 de vennootschap [B.V. 3] opgericht, waarvan hij enig bestuurder is. [B.V. 3] voert activiteiten uit op het gebied van massageactiviteiten, waaronder maar niet beperkt tot, het geven van stoelmassages bij bedrijven” [B.V. 3] handelt eveneens onder de naam [handelsnaam] . 3.18. [persoon 1] heeft namens [B.V. 1] op 21 juli 2025 aan [persoon 2] een email gestuurd waarin hij te kennen geeft dat [onderneming] niet voldaan heeft aan haar verplichting uit hoofde van de leningsovereenkomst met [B.V. 1] om per 1 juli 2025 een bedrag van € 47.594,35 aan rente te betalen en een bedrag van € 30.000,00 aan aflossing. Namens [B.V. 1] is [onderneming] gesommeerd om het verschuldigde bedrag zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 4 augustus 2025 te betalen. [persoon 2] heeft in reactie op deze email aan [persoon 1] bericht: “De BV bestaat niet meer”. 3.19. [persoon 1] en [B.V. 1] hebben op 7 augustus 2025 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend waarin zij verlof vragen tot -onder meer- het leggen van bewijsbeslag ten laste van [partij 2] en [partij 3] en verlof tot conservatoir verhaalsbeslag tot afgifte van de cryptovaluta ten laste van [persoon 2] . De voorzieningenrechter heeft het verlof bij beschikking van 14 augustus 2025 verleend. De beslagen zijn op 16 september 2025 gelegd. De beslagen gegevens in kader van het bewijsbeslag zijn door DigiJuris veiliggesteld. Het conservatoir beslag tot verhaal- en afgifte van de cryptovaluta heeft doel getroffen voor 0.08 ETH (wat correspondeert met een waarde van minder dan € 10.000,00). 3.20. [persoon 1] en [B.V. 1] hebben [persoon 2] en [persoon 3] op 16 september 2025 verzocht er vrijwillig mee in te stemmen dat de veiliggestelde gegevens door hen mogen worden ingezien. [persoon 2] en [persoon 3] hebben de instemming niet gegeven. 4 Het geschil 4.1. [persoon 1] en [B.V. 1] vorderen als voorlopige voorziening I dat aan hen toestemming wordt verleend tot volledige inzage van de onder randnummer 84 van de dagvaardingen genoemde in beslag genomen gegevens, een en ander op basis van de in randnummer 88 van de dagvaarding genoemde selectiecriteria; II [persoon 2] te veroordelen tot betaling aan [persoon 1] van een bedrag van € 281.437,50, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, III [partij 2] en [partij 3] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.2. [partij 2] en [partij 3] voeren verweer. 4.3. [partij 2] hebben in persoon van [persoon 2] verweer gevoerd. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt: [persoon 2] heeft uitstel voor de mondelinge behandeling verzocht, welk uitstel niet is verleend. Het kort geding is op 23 september 2025 aangevraagd door [persoon 1] en [B.V. 1] . [partij 2] waren daarvan dus al geruime tijd op de hoogte [partij 2] hebben op de mondelinge behandeling in persoon van [persoon 2] – dus zonder de juridische bijstand van een advocaat- mondeling verweer gevoerd. [persoon 2] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij contact heeft gehad met de gemeente [plaats 2] om schuldhulpverlening te verkrijgen. Hij heeft op de vraag of al toelating tot schuldhulpverlening is verleend ontkennend geantwoord. Aan [persoon 2] is voorts gevraagd of hij pogingen heeft ondernomen om een civiele toevoeging te krijgen. Daarop heeft hij te kennen gegeven dat hij, gelet op de zakelijke belangen en omdat [B.V. 2] en [B.V. 3] ondernemingen zijn, niet in aanmerking komt voor een toevoeging. Verder heeft hij verklaard dat hij nog geen advocaat bereid heeft gevonden om voor hem op te treden. De vraag of tegen hem een faillissementsaanvraag is ingediend heeft hij niet willen beantwoorden. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5 De beoordeling inzage van gegevens 5.1. [persoon 1] stelt dat hem duidelijk is geworden dat [persoon 2] -die zijn metawallet beheerde- de cryptovaluta van [persoon 1] heeft verduisterd. Daarnaast heeft [persoon 2] [onderneming] -ondanks door [B.V. 1] verstrekte gelden van omstreeks EUR 2 miljoen- ge(turbo)liquideerd zonder [B.V. 1] daarover te informeren en is hij daarna heimelijk doorgestart in een nieuwe onderneming [B.V. 3] . [onderneming] is gebruikt als vehikel om geld aan [B.V. 1] te onttrekken. [persoon 2] werd daarbij geholpen door [persoon 3] , de accountant van [onderneming] . [persoon 3] heeft misleidende financiële cijfers opgemaakt die [B.V. 1] moesten overtuigen om gelden te verstrekken aan [onderneming] . [persoon 3] gaf [persoon 2] een zweem van geloofwaardigheid. [persoon 3] heeft daardoor onrechtmatig gehandeld jegens [persoon 1] en [B.V. 1] . [persoon 1] en [B.V. 1] hebben gelet op dit alles de volgende vorderingen: ( a) [persoon 1] heeft een vordering op [persoon 2] ter hoogte van minimaal € 7.871.490,56. Deze vordering van [persoon 1] is primair gebaseerd op wanprestatie en onrechtmatige daad, omdat [persoon 2] aan hem in beheer gegeven cryptovaluta aan [persoon 1] weigert terug te geven en heeft verduisterd. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat het verhaalsbeslag op de crypto’s vrijwel geen doel heeft getroffen. ( b) [persoon 1] heeft een vordering op [persoon 2] van € 281.437,50 uit hoofde van de schuldverklaring, ( c) [B.V. 1] heeft een vordering op [B.V. 2] ad € 770.000,00 omdat [B.V. 1] de koopovereenkomst met betrekking tot de aandelen in [onderneming] heeft ontbonden en de koopsom moet worden terugbetaald, ( d) [B.V. 1] heeft een vordering op [persoon 2] van € 1.369.016,32 uit hoofde van onrechtmatige daad, omdat [persoon 2] doelbewust [B.V. 1] gelden heeft laten lenen aan [onderneming] die hij nooit zou terugbetalen; ( e) [B.V. 1] heeft een vordering op [B.V. 3] € 1.369.016,32 uit hoofde van onrechtmatige daad, omdat [B.V. 3] als oneigenlijke doorstarter van de activiteiten van [onderneming] aansprakelijk is voor de door [onderneming] onbetaald gelaten lening aan [B.V. 1] onder meer wegens vereenzelviging; ( f) [B.V. 1] heeft een vordering op [persoon 3] c.q. [B.V. 4] van minimaal € 255.000,00 uit hoofde van onrechtmatige daad omdat hij als accountant ten behoeve van [persoon 2] doelbewust misleidende financiële overzichten heeft verstrekt aan [B.V. 1] met het oogmerk hem in [onderneming] te laten investeren. Om het voor hun vorderingen benodigde bewijs veilig te stellen heeft [persoon 1] conservatoir bewijsbeslag gelegd op de gegevensdragers van [persoon 2] en [persoon 3] waarop de verzochte informatie zich bevindt. [persoon 1] en [B.V. 1] vorderen nu op grond van artikel 194 Rv dat zij deze veiliggestelde gegevens mogen inzien, zodat zij in de hoofdzaak de vorderingen genoemd in randnummer 3 onder (a) en (c) t/m (f) nader kunnen onderbouwen. spoedeisend belang 5.2. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van het gevorderde, namelijk het opvolging geven aan het gelegde bewijsbeslag met als doel om deze gegevens als bewijs te kunnen inbrengen in een bodemprocedure. algemeen kader 5.3. In artikel 194 Rv is bepaald dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, is degene die over de gegevens beschikt verplicht daarvan afschrift te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten. rechtsbetrekking 5.4. [persoon 2] stelt dat hij niet de beheerder was van de cryptovaluta van [persoon 1] maar slechts uitvoerder 5.5 Volgens [partij 3] is er geen sprake van een rechtsbetrekking met [persoon 1] en [B.V. 1] . Zij hebben niets te maken met het geschil over de cryptovaluta. Evenmin heeft [persoon 3] jegens [persoon 1] / [B.V. 1] onrechtmatig gehandeld door misleidende financiële overzichten aan [persoon 1] / [B.V. 1] te verstrekken.
Volledig
[persoon 3] is niet de accountant van [B.V. 2] . In 2022 zijn voor het laatst werkzaamheden voor [B.V. 2] verricht. [persoon 3] heeft daarna geen jaarcijfers van [onderneming] voorbereid of opgesteld. De liquiditeitsprognoses van [onderneming] zijn niet door [persoon 3] opgesteld maar door een derde ( [naam] ). [persoon 3] heeft geen controleonderzoek gedaan naar die prognoses en ook niet de indruk gewekt daarvoor verantwoordelijk te zijn. Bij de aankoop van de aandelen in [onderneming] had [persoon 3] geen enkele rol. [persoon 3] had op geen enkele wijze invloed en fungeerde tijdens de gesprekken tussen [persoon 1] en [persoon 2] slechts als “facilitator” en niet als “mediator”. 5.6. Onder rechtsbetrekking wordt verstaan alle burgerlijke betrekkingen tussen twee of meer partijen. Het mag ook een rechtsbetrekking op grond van de wet zijn, zoals onrechtmatige daad. Partij bij een rechtsbetrekking kan eenieder zijn die bij een rechtsbetrekking is of wordt betrokken. Het inzagerecht dient om het bestaan, de inhoud en de omvang van de rechtsbetrekking helder te krijgen. Anders dan [partij 2] en [partij 3] kennelijk menen hoeft de partij die om inzage verzoekt - [persoon 1] en [B.V. 1] - niet eerst voldoende aannemelijk te maken dat zij een vorderingsrecht heeft. 5.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gelet op het vorenstaande de rechtsbetrekking tussen [partij 1] en [partij 2] en [partij 3] gegeven. De vraag of [persoon 2] beheerder of bewaarder was van de cryptovaluta van [persoon 1] of slechts uitvoerder van instructies is niet relevant. [partij 3] hebben aangegeven dat zij enige werkzaamheden hebben verricht voor [onderneming] en dat dit acties op specifieke verzoeken betrof (randnummer 2.7. conclusie van antwoord). Zij hebben niet weersproken dat [persoon 3] via [bedrijf] (waarvan [persoon 3] aandeelhouder is) een met zekerheden gedekte lening heeft verstrekt aan [onderneming] en dat zij uit hoofde daarvan maandelijks inzage hadden in de debiteuren van [onderneming] . Ook hebben zij niet weersproken dat [persoon 3] -zoals [persoon 2] te kennen heeft gegeven aan [persoon 1] - als zijn accountant met de cijfers meekijkt. Ten slotte is van belang dat op 8 september 2025 door [persoon 2] een recht van hypotheek op zijn woning is gevestigd ten behoeve van [bedrijf] . Dit alles is voor de voorzieningenrechter voldoende om aannemelijk te achten dat [partij 3] een grotere rol hebben gespeeld dan het enkel zijn van facilitator. bepaalde gegevens 5.8. [persoon 1] en [B.V. 1] stellen dat alleen inzage wordt gevorderd in gegevens die relevant zijn voor de verdere onderbouwing van hun vorderingen en de hoogte daarvan. De gegevens hebben zij opgesomd onder randnummer 84 van de dagvaarding onder (i) t/m (vii). Uit deze opsomming blijkt dat met betrekking tot [partij 2] inzage in al de genoemde gegeven wordt gevorderd en dat met betrekking tot [partij 3] alleen van de onder (i) en (vii) genoemde gegevens inzage wordt gevorderd. 5.9. [partij 2] hebben zich niet uitgelaten over de in de dagvaarding onder randnummer 84 onder (i) tot en met (vii) omschreven informatie, behoudens dat zij daarover niet beschikken (waarover meer onder 5.17.) [partij 3] stellen dat de gegevens onvoldoende bepaald zijn en dat er sprake is van een fishing expedition. 5.10. Uitgangspunt is dat het niet nodig is de verzochte gegevens zo precies aan te duiden dat elk stuk afzonderlijk is aangeduid. Wel moet het informatieverzoek voldoende nauwkeurig worden afgebakend onder aanduiding van het geschil of het feitencomplex met het oog waarop de informatie wordt opgevraagd. De gegevens waarvan inzage wordt gevorderd moeten in elk geval zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld, zodat geen sprake is van een “fishing expedition”. Van belang is dat de wederpartij weet (of kan weten) welke stukken worden gevraagd. Dat kan door de aard (overeenkomst, brieven of e-mails), tijdsperiode en/of het onderwerp van de bescheiden aan te duiden, al dan niet in combinatie met de (rechts-) personen die daarin worden genoemd. Het onderwerp moet voldoende nauwkeurig worden afgebakend. Als de stukken zelf onbekend aan eiser zijn, kan vanzelfsprekend niet worden vereist dat eiser specifiek aangeeft van welke datum deze zijn en wat de concrete inhoud is (HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244). 5.11. Hieruit volgt dat [persoon 1] en [B.V. 1] geen specifieke documenten hoeven te benoemen en bekend moeten zijn met de inhoud daarvan. Het moet gaan om gegevens waarvan het bestaan in voldoende mate vaststaat, en die -afhankelijk van de concrete omstandigheden- ldoende concreet worden aangeduid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onder randnummer 84 van de dagvaarding genoemde gegevens, in combinatie met de toepassing van de zoektermen genoemd in randnummer 88 onder a tot en met h van de dagvaarding en in combinatie met het tijdvak vanaf 1 juli 2023 tot en met datum beslaglegging (voor wat betreft [partij 2] ) en het tijdvak vanaf 19 januari 2024 tot en met datum beslaglegging (voor wat betreft [partij 3] ) voldoen aan voormeld uitgangspunt. [persoon 1] en [B.V. 1] hebben voldoende toegelicht dat de zoektermen zo zijn gekozen dat de op basis daarvan beslagen gegevens betrekking zullen hebben op het gestelde onrechtmatig handelen. 5.12 [partij 3] hebben gesteld dat de periode waarvoor de inzage geldt dient te worden beperkt tot de maand april 2025. De voorzieningenrechter ziet geen reden voor deze beperking. Anders dan [partij 3] kennelijk menen ziet het vermeende onrechtmatig handelen van [partij 3] niet alleen op haar betrokkenheid bij de in april 2025 door [B.V. 1] verstrekte geldlening (althans geldlening en koopsom) van € 255.000.00. [persoon 1] en [B.V. 1] hebben aangegeven dat in de bodemprocedure ook de betrokkenheid van [partij 3] bij [onderneming] en de doorstart van [B.V. 3] nader moet worden onderbouwd. [persoon 1] en [B.V. 1] hebben aangegeven een vordering van minimaal € 255.000,00 te hebben op [partij 3] . Daarom is het van belang dat ook informatie van voor en na april 2025 aan [persoon 1] en [B.V. 1] ter inzage wordt gegeven. 5.13. De voorzieningenrechter onderkent dat niet uit te sluiten is dat hierdoor door [persoon 1] en [B.V. 1] meer informatie zal worden verkregen dan noodzakelijk is, maar dit is in het kader van een zoekslag onvermijdelijk. Dit vormt echter op zichzelf geen grond om een inzagevordering af te wijzen, gelet op het zwaarder wegende belang van degene die inzage verlangt. [partij 2] en [partij 3] hebben door hun weigering om aan [persoon 1] en [B.V. 1] informatie te verschaffen terwijl zij daartoe wel gehouden waren, zelf bewerkstelligd dat [persoon 1] en [B.V. 1] nu op deze wijze van informatie worden voorzien. voldoende belang 5.14. Anders dan onder het tot 1 januari 2025 geldende artikel 843a BW (oud) is niet langer een rechtmatig belang vereist. Als een partij aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij het verkrijgen van inzage van bepaalde gegevens, moet inzage worden verstrekt. 5.15. [persoon 1] en [B.V. 1] hebben hiertoe het volgende aangevoerd. Zij hebben de gegevens nodig te hebben ter (verdere) onderbouwing van hun stellingen dat [partij 2] en [partij 3] onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld als gevolg waarvan zij schade hebben geleden, als ook ter onderbouwing van de hoogte van die schade. [persoon 1] heeft er belang bij heeft te weten wat er met zijn cryptovaluta is gebeurd en waar deze zich bevinden en of hij die van een derde kan terugvorderen. [B.V. 1] heeft belang ten aanzien van [persoon 2] en [B.V. 3] om te weten wat er met de geïnvesteerde investeerde miljoenen euro’s in [onderneming] is gebeurd en hoe deze onderneming is doorgestart via [B.V. 3] .. [B.V. 1] heeft ten aanzien van [B.V. 2] en [partij 3] belang om te achterhalen hoe de financiële cijfers op basis waarvan hij die gelden heeft geïnvesteerd tot stand zijn gekomen. 5.16. De voorzieningenrechter stelt vast dat [partij 2] geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering tot de inzage in de gevorderde stukken met betrekking tot de investeringen in en geldleningen aan [onderneming] en de koop van de aandelen. 5.17.
Volledig
Met betrekking tot de cryptovaluta ontkent [persoon 2] welke informatie dan ook te hebben die valt onder het gevorderde. Hij heeft aangevoerd dat [partij 1] met deze vordering pogen de zakelijke verhouding met hem anders voor te stallen dan die in werkelijkheid is. Hij heeft alleen advies gegeven met betrekking tot de verkoop van de cryptovaluta. [persoon 1] voert zelf beheer over de beleggingen over de cryptovaluta en heeft zelf toegang over alle informatie daaromtrent. 5.18. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de door [partij 1] overgelegde correspondentie (producties 6, 8, 9, 11, 24, 33) tussen [persoon 1] en [persoon 2] voldoende dat [persoon 2] ten behoeve van [persoon 1] heeft gehandeld in cryptovaluta. Dat [persoon 1] zelf beheer voert over de cryptovaluta en toegang heeft over alle informatie daaromtrent is onaannemelijk, gelet op de vele appberichtjes en e-mails van [persoon 1] aan [persoon 2] waarin hij vragen stelt en informatie vraag over de (verkochte) cryptoportefeuilles en de door [persoon 2] daarop gegeven antwoorden en verstrekte crypto-overzichten. Nu aannemelijk is dat [persoon 2] voor [persoon 1] handelde in diens cryptovaluta, volgt dat hij redelijkerwijs ook moet beschikken over gegevens daarvan. [persoon 1] heeft er belang bij dat hij daarin inzage krijgt om meer duidelijkheid te verkrijgen wat er mee gebeurd is en waar deze zich momenteel bevinden, te meer nu het beslag onder Albiunus op cryptovaluta slechts voor een gering bedrag doel heeft getroffen. 5.19. Voor wat betreft het belang bij de inzage van gegevens door [persoon 3] wordt verwezen naar wat hiervoor onder 5.7. is overwogen. Daarbij komt ook nog dat in een email van 25 april 2025 van [persoon 2] aan [persoon 1] met betrekking tot een geldlening van € 255.000,00 staat dat [persoon 2] de cijfers met [persoon 3] heeft besproken en dat [persoon 3] dit tijdens de mondelinge behandeling niet heeft betwist. Sterker nog, [persoon 3] heeft onder randnummer 2.10 van de conclusie van antwoord aangegeven dat hij zelf had besloten niet te investeren in [onderneming] omdat in zijn beleving telfouten zouden zitten in de desbetreffende prognoses. Hij heeft kennelijk nagelaten [B.V. 1] daar op te wijzen. 5.20. [persoon 1] en [B.V. 1] hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij belang hebben bij het verkrijgen van inzage van de gevorderde gegeven ter onderbouwing van hun standpunt in de bodemprocedure. Deze gegevens kunnen dienen tot bewijs van feiten en/of rechten waarvan [persoon 1] en [B.V. 1] , mede gelet op het processuele debat tussen partijen, in beginsel de bewijslast dragen, ter onderbouwing van een niet op voorhand kansloze vordering. In de bodemprocedure zal moeten blijken of de stellingen die [persoon 1] en [B.V. 1] aanvoeren ter onderbouwing van hun vorderingen gehonoreerd worden en of dat tot aansprakelijkheid leidt. 5.21. [persoon 1] en [B.V. 1] stellen dat de verzochte informatie zich zeer waarschijnlijk bevindt op één of meer gegevensdragers van [partij 2] en [partij 3] . [partij 2] en [partij 3] hebben dit niet, althans niet gemotiveerd, betwist, zodat de voorzieningenrechter daarvan uitgaat. 5.22. Dit alles betekent dat door [partij 2] en [partij 3] inzage van de gevorderde gegevens moet worden verstrekt. Dit is slechts anders als aan hen een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten. verschoningsrecht of gewichtige redenen 5.23. [persoon 2] stelt dat er sprake is van de navolgende gewichtige redenen: 1. bescherming van persoonsgegevens. Zijn digitale gegevens bevatten privé-communicatie, zakelijke correspondentie met derden en vertrouwelijke financiële informatie die niets te maken heeft met het onderhavige geschil. 2. bescherming van bewijsintegriteit: het risico is reëel dat [persoon 1] , zodra hij inzage krijgt in de digitale administratie van [persoon 2] , de mogelijkheid krijgt om off-chain bewijsmateriaal te wissen of te manipuleren 3. misbruik van procesrecht. Het verzoek wordt niet gedaan ter waarheidsvinding maar om bewijs te bemachtigen dat zijn eigen fiscale en financiële positie kan schaden [persoon 2] wil voorkomen dat zijn persoonlijke blockchain-identiteit en daarmee zijn gehele financiële historie openbaar gemaakt wordt aan [persoon 1] . Inzage in de gevorderde gegevens zou er bovendien toe leiden dat eerder gemaskeerde transacties alsnog kunnen worden opgeschoond. 5.24. De voorzieningenrechter overweegt dat de bescherming van persoonsgegevens een belang is dat is verdisconteerd in artikel 194 lid 2 Rv en geen aparte afwijzingsgrond is. De voorzieningenrechter verwijst voorts naar wat hiervoor onder 5.13. is overwogen. De vrees van [partij 2] dat [persoon 1] de mogelijkheid krijgt om bewijsmateriaal te wissen of te manipuleren is ongegrond, omdat [persoon 1] de gegevens alleen ter inzage krijgt. Van misbruik van procesrecht is daarom geen sprake. 5.25. [partij 3] stellen dat zij als accountant gebonden zijn aan geheimhouding van de gegevens van hun klanten. 5.26. Vooropgesteld wordt dat het bestaan van een wettelijke verplichting tot geheimhouding op zichzelf niet voldoende is om een weigering om te voldoen aan de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen, te rechtvaardigen. Er kan slechts sprake zijn van 'gewichtige redenen' in de zin van artikel l94 lid 2 Rv, indien in de concrete omstandigheden van het geval de belangen waarop de geheimhoudingsplicht ten aanzien van de verlangde inlichtingen of stukken zich in het bijzonder richt, zwaarder wegen dan het zwaarwegende maatschappelijk belang dat in rechte de waarheid aan het licht komt (Hoge Raad, 11 juli 2008; ECLI:NL:HR:2008:BC8421). 5.27. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze omstandigheid zich niet voor. De vordering tot inzage ziet op zakelijke gegevens met betrekking tot transacties tussen enkel de betrokkenen in dit geding, waarbij mogelijk sprake is van fraude en/of misleiding. Bovendien stelt [persoon 3] niet de accountant te zijn van [partij 2] 5.28. Bij dit alles is tenslotte van belang dat -zoals [partij 1] onbetwist hebben gesteld- na het verlenen van de toestemming tot inzage, de deurwaarder tezamen met DigiJuris zal overgaan tot het maken van een selectie van de gegevens op basis van de criteria als genoemd in de toestemming. Nadat deze selectie is afgerond zal deze eerst worden gegeven aan [partij 2] en de advocaat van [partij 3] . Dit geeft hun de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de afgifte van individuele bestanden. Deze bezwaren zullen worden beoordeeld en, indien zij het niet eens zijn met het oordeel van de deurwaarder, zal hen de mogelijkheid worden geboden om een kort geding te starten alvorens [persoon 1] en [B.V. 1] inzage te geven in de geselecteerde bescheiden. conclusie 5.29. Uit al wat hiervoor is overwogen volgt dat de vordering I van [persoon 1] en [B.V. 1] wordt toegewezen. geldvordering 5.30. [persoon 1] stelt een vordering te hebben op [persoon 2] van € 281.437,50 uit hoofde van de schuldverklaring. 5.31. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. 5.32. [persoon 2] heeft verklaard de schuldverklaring te erkennen en de consequenties daarvan te aanvaarden “maar niet de verkeerde uitleg die [persoon 1] daaraan geeft”. 5.33. De voorzieningenrechter begrijpt dat [persoon 2] alleen bezwaar heeft tegen de directe opeisbaarheid van de vordering. 5.34. De voorzieningenrechter volgt [persoon 1] in zijn stelling dat hij uit de mededeling van [persoon 2] ” Ik wenste je daarna veel goeds in de toekomst omdat wij elkaar nooit meer gaan spreken” . mocht opmaken dat [persoon 2] niet meer van plan was om de overeenkomst nog na te komen. Daarmee is de vordering ingevolge artikel 6:80 lid 1 sub b direct opeisbaar geworden.