Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-12-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:8468
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,802 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5831
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek tegen het besluit van het college van 12 november 2025. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 november 2025.
1.1.
Hij heeft het verzoek ingetrokken omdat het college op 17 november 2025 dit besluit heeft ingetrokken.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft medegedeeld de proceskosten te willen vergoeden..
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige voorzieningen-procedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel tijdens een lopende bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, als het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, of een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het besluit van 17 november 2025 aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college met de volledige intrekking van het besluit aan het verzoek van verzoeker is tegemoetgekomen. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 907,- bedragen. Omdat het college volledig aan het verzoek tegemoet is gekomen door het bestreden besluit in te trekken, moet hij ook het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat het college aan het verzoek is tegemoet gekomen door het bestreden besluit in te wordt het college ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.
Dictum
De voorzieningenrechter:
veroordeelt het college tot betaling van € 907,- proceskosten aan verzoeker;
veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht van € 194,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 2 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Dat staat in artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5831
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek tegen het besluit van het college van 12 november 2025. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 november 2025.
1.1.
Hij heeft het verzoek ingetrokken omdat het college op 17 november 2025 dit besluit heeft ingetrokken.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft medegedeeld de proceskosten te willen vergoeden..
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige voorzieningen-procedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel tijdens een lopende bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, als het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, of een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het besluit van 17 november 2025 aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college met de volledige intrekking van het besluit aan het verzoek van verzoeker is tegemoetgekomen. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 907,- bedragen. Omdat het college volledig aan het verzoek tegemoet is gekomen door het bestreden besluit in te trekken, moet hij ook het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat het college aan het verzoek is tegemoet gekomen door het bestreden besluit in te wordt het college ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.
Dictum
De voorzieningenrechter:
veroordeelt het college tot betaling van € 907,- proceskosten aan verzoeker;
veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht van € 194,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 2 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Dat staat in artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb.