Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-09-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:8383
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/438466 FA RK 25-4029 datum uitspraak: 25 september 2025 beschikking betreffende (wijziging van) voorlopige voorzieningen in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. T. Janssen. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 1 augustus 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlage; - het op 5 september 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen; - het op 9 september 2025 ontvangen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken; - de brief van mr. Schoenmakers van 5 september 2025, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen; - de beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 2 juni 2025. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 11 september 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. De advocaat van de man was aanwezig middels een videoverbinding via Teams. 1.3. Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek . Zij hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben, naast het sturen van een brief naar de kinderrechter, een kindgesprek met de kinderrechter gehad. 2 De verzoeken 2.1. De man verzoekt: - wijziging van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling), in die zin dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 te [geboorteplaats] , bij de man verblijven in de even weken van woensdag 8:30 uur tot en met vrijdag 19:00 uur en in de oneven weken van vrijdag 8:30 uur tot en met maandag 19:00 uur, alsmede in de herfstvakantie 2025 van 16 oktober tot en met 19 oktober en in de kerstvakantie 2025 van 20 december tot en met 26 december; - de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de minderjarigen nader vast te stellen op € 182,= per maand per kind met ingang van 1 juni 2025. 2.2. De vrouw verzoekt: - vaststelling van een zorgregeling waarbij de kinderen een dagdeel per weekend bij de man zijn, waarbij de vrouw de kinderen bij de man brengt en de man de kinderen bij de vrouw terugbrengt en dat het verdere uitbreiden van de zorgregeling plaatsvindt onder regie van het UHA-traject; - de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de minderjarigen nader vast te stellen op € 253,= per maand per kind, met ingang van de datum van deze beschikking; - primair: de man te veroordelen in de werkelijke proceskosten van de vrouw te weten het griffierecht en de kosten van de advocaat van de vrouw van € 3.500,=, en de nakosten, te voldoen binnen twee werkdagen na betekening van deze beschikking, te vermeerderen met de werkelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van volledige betaling; subsidiair: de man te veroordelen in de proceskosten volgens het liquidatietarief te voldoen binnen twee werkdagen na dagtekening van deze beschikking, te vermeerderen met de werkelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van volledige betaling. 3 De beoordeling 3.1. Bij voormelde beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald: - dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw; - dat partijen en de minderjarigen zullen worden doorverwezen naar een (jeugd)hulptraject via het Uniform Hulp Aanbod (UHA); - dat de man ten behoeve van de minderjarigen aan de vrouw een bedrag moet voldoen van € 458,= per maand per kind met ingang van 1 mei 2025. Ook volgt uit deze beschikking dat partijen afspraken hebben gemaakt over (de start va Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de kinderen € 575,= per maand per kind bedraagt. Draagkracht van de man 3.11. Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen. 3.12. Tussen partijen staat vast dat het NBI van de man € 5.117,= per maand en zijn draagkracht volgens de formule € 1.590,= per maand bedraagt. Draagkracht van de vrouw 3.13. Voor de becijfering van de draagkracht van de vrouw zijn partijen het erover eens dat moet worden uitgegaan van een bruto arbeidsinkomen ter hoogte van € 4.000,= per vier weken, oftewel € 52.000,= per jaar, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een individueel keuzebudget van € 288,= per vier weken, oftewel € 3.744,= per jaar. Verder zijn zij het erover eens dat rekening moet worden gehouden met de bruto pensioenpremies van € 316,= en € 4,= per vier weken, oftewel € 4.160,= per jaar, en een netto premie werknemerspremie van € 19,= per vier weken, oftewel € 247,= per jaar. 3.14. Tussen hen is in geschil van welk bedrag aan kindgebonden budget moet worden uitgegaan. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van € 6.094,= per jaar, zoals blijkt uit de door haar overgelegde brief van de Belastingdienst (productie 18 van de vrouw). De man stelt zich op het standpunt dat moet worden gerekend met het bedrag dat uit het rekenprogramma volgt. 3.15. De rechtbank overweegt dat de door de vrouw overgelegde brief van de Belastingdienst, waarin een bedrag van € 6.094,= wordt genoemd, ziet op het totaal aan kindgebonden budget waar de vrouw in het kalenderjaar 2025 recht op heeft op grond van de verschillende inkomenssituaties waarvan in dat jaar sprake is. Dit totaalbedrag zegt echter niets over de hoogte van het kindgebonden budget dat past bij haar huidige inkomen en op grond waarvan haar draagkracht wordt berekend. Daarom neemt de rechtbank als uitgangspunt een bedrag aan kindgebonden budget, en daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop, dat volgens het rekenprogramma van de rechtbank hoort bij voormelde inkomensgegevens, te weten € 8.981,= per jaar, of € 748,= per maand. 3.16. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 4.443,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 1.260,= per maand. Draagkrachtvergelijking 3.17. De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel: het aandeel van de man bedraagt: € 1.590 / € 2.850 x € 575 = € 321,= het aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.260 / € 2.850 x € 575 = € 254,= Zorgkorting 3.18. Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 15%. Nu de behoefte van de kinderen € 575,= per maand per kind bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 86,= per maand. 3.19. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 235,= per maand per kind. Ingangsdatum 3.20. Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage dient in te gaan. Volgens de man dient deze in te gaan op 1 juni 2025, op die datum is de vrouw een nieuw dienstverband aangegaan en had zij kunnen verwachten dat dit zou leiden tot wijziging van de kinderbijdrage. Volgens de vrouw dient de wijziging primair in te gaan op de datum van deze beschikking en subsidiair op de datum van indiening van het verzoekschrift. Pas vanaf die datum had zij rekening kunnen houden met een wijziging, want op dat moment beschikte zij ook pas over heer eerste salarisspecificatie. Tevens zijn de door de man betaalde bijdragen al besteed aan de kinderen.