Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-11-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:8139
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer / rekestnummer: 11793475 \ AZ VERZ 25-48 Beschikking van 20 november 2025 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. N. Verweij, tegen DE VERENIGING [gedaagde] , te [plaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.M.A. Koole. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, met producties 1 t/m 14, - de akte van depot, tevens houdende uitlaten producties van [verzoeker] , - het verweerschrift, met producties 1 t/m 17, - de akte wijziging van eis, met aanvullende producties 16 en 17, - de brief van [gedaagde] met aanvullende productie 18, - de brief van [gedaagde] met aanvullende productie 19, - de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, met daaraan gehecht de pleitnotities van beide gemachtigden. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Krachtens schriftelijke arbeidsovereenkomst is [verzoeker] per 1 augustus 2015 voor de duur van 10 maanden in dienst getreden bij [gedaagde] , in de functie van trainer/coach, tegen een salaris van € 450,- netto per maand. In de arbeidsovereenkomst is vermeld dat deze van rechtswege zal eindigen op 31 mei 2016, dat van beide zijden in principe de intentie bestaat om na deze datum een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan en dat partijen daarover in januari 2016 in gesprek zullen gaan. 2.2. Op 18 augustus 2022 heeft de voorzitter van [gedaagde] een emailbericht met de volgende inhoud toegezonden aan [verzoeker] : “Zoals besproken ontvang jij voor jouw totale werkzaamheden binnen [gedaagde] in seizoen 2022-2023 de maximale vrijwilligersvergoeding ad € 1.800. Dit wordt in 10 termijnen van € 180 in de periode september tot en met juni uitbetaald op jouw bankrekening. Ik kom medio volgende week bij je terug op vorig seizoen en je mag verwachten dat we hiervoor nog een deel compensatie zullen betalen. De hoogte hiervan is niet aan te geven zoals toegelicht.” 2.3. Op 20 augustus 2022 heeft [verzoeker] per e-mailbericht gereageerd op het bericht van de voorzitter van [gedaagde] . Daarin schreef hij, voor zover relevant, het volgende: ‘‘De afgelopen 8 seizoenen heb ik me met veel toewijding, energie, passie en plezier ingezet voor Dames 3. Van deze 8 seizoenen heb ik een aantal seizoenen volledig vrijwillig gedraaid en dus geen vergoeding gekregen. Het zou de club enorm sieren om de vergoeding van afgelopen seizoen gelijk te trekken met komend seizoen. Zeker gezien de identieke activiteiten lijkt dit me zeer passend. Wat hierin meegenomen mag worden is dat ik me naast Dames 3 ook inzet voor overige teams waar nodig. Zoals afgelopen donderdag besproken is de maximale vrijwilligersvergoeding niet te vergelijken wat omliggende clubs voor een trainer van Dames 2/3 met een HT2 + HT3 diploma bieden. Daarentegen heb ik van je begrepen dat de club na corona en de geringe sponsorinkomsten er wat minder financieel voorstaat en dat het lastig is om te concurreren met omliggende clubs. Dit respecteer ik en zal daarom geen concurrerende vergoeding vragen. Desondanks ben ik van mening dat we in moeten zetten op de lange termijn en dat is al mogelijk met een geringe financiële vergoeding. Wellicht is het bovenstaande overbodig als er al wordt gekozen voor eenzelfde vergoeding als volgend seizoen maar mocht dat niet het geval zijn, zou je dan deze informatie volgende week mee willen nemen in het gesprek met de penningmeester?” 2.4. Op 15 november 2022 hebben [gedaagde] en [verzoeker] een document ondertekend waarin afspraken zijn gemaakt voor de betaling van trainersvergoedingen. De afspraken luiden als volgt: “ [gedaagde] en [verzoeker] maken de volgende afspraken over de (trainers)vergoedingen: 1. Seizoen 2022-2023 een bedrag van € 1.800 (in 10 termijnen van € 180) voor Dames 3 2. Seizoen 2022-2023 een bedrag v [verzoeker] werd jarenlang betaald als vrijwilliger, terwijl hij op basis van zijn werkzaamheden, verantwoordelijkheden en positie recht had op een regulier salaris. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde] bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst een transitievergoeding en een billijke vergoeding verschuldigd is. 3.3. [gedaagde] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [gedaagde] voert ‑ samengevat ‑ aan dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar van een vrijwilligersovereenkomst. Er wordt niet voldaan aan de toets van 7:610 BW, zodat van een arbeidsovereenkomst ook geen sprake kan zijn. Doordat er geen arbeidsovereenkomst is, valt er ook niets te ontbinden. Voor de vorderingen met betrekking tot achterstallig loon, transitievergoeding en billijke vergoeding geldt daarmee dat een grondslag ontbreekt. 3.4. De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover van belang, nader worden besproken. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst, of die arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden, of [verzoeker] aanspraak kan maken op een billijke vergoeding en een transitievergoeding, en of [gedaagde] aan [verzoeker] nog achterstallig loon verschuldigd is. Deze vragen dienen allemaal ontkennend te worden beantwoord. Hieronder wordt uitgelegd waarom dat zo is. Toetsingskader 4.2. Artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. 4.3. De beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet volgens de rechtspraak van de Hoge Raad worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf . Vastgesteld moet worden welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst worden aangemerkt. Voor die kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. 4.4. Aangezien [verzoeker] zich beroept op het rechtsgevolg van zijn stelling dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat, ligt het op zijn weg om ter zake de daarvoor vereiste elementen te stellen en zo nodig te bewijzen. Geen stilzwijgende verlenging arbeidsovereenkomst 2015/2016 4.5. De primaire stelling van [verzoeker] is dat de op 1 augustus 2015 tussen partijen tot stand gekomen arbeidsovereenkomst na 31 mei 2016 stilzwijgend is verlengd omdat de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de termijn door partijen zonder tegenspraak is voortgezet . In dat kader heeft [verzoeker] gesteld dat hij na deze periode training is blijven geven en heeft hij erop gewezen dat een aanzegging als bedoeld in lid 1 van voornoemd artikel door [gedaagde] niet heeft plaatsgevonden. 4.6. Ter onderbouwing van de stelling dat [verzoeker] zijn arbeidswerkzaamheden heeft voortgezet, heeft hij ter zitting enkele videoafbeeldingen getoond waaruit blijkt dat hij in de periode 2017/2018 bij [gedaagde] op het hockeyveld heeft gestaan. Daarnaast heeft hij een aantal aantekeningen uit zijn speelboek, whatsappberichten en een verklaring van een speelster overgelegd. Aan de hand van deze beelden en stukken kan echter niet de conclusie worden getrokken dat [verzoeker] in dat seizoen op structurele basis trainingswerkzaamheden heeft verricht en dat hij dit deed in opdracht van [gedaagde] . Ook heeft [verzoeker] in 2017 een factuur voor trainingen aan de teammanager van het team dat hij trainde gestuurd. Zij heeft deze factuur op persoonlijke titel aan [verzoeker] betaald. Daarna heeft Zij heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] volledige vrijheid had bij de uitvoering van zijn werkzaamheden en dat van hiërarchische aansturing of instructiebevoegdheid geen sprake was. Volgens [gedaagde] stelde [verzoeker] de trainingen zelfstandig samen, en werd er geen toezicht gehouden op de wijze waarop [verzoeker] dat deed. [verzoeker] heeft daar te weinig tegenin gebracht, zodat het tegendeel niet is gebleken. Hij heeft weliswaar gesteld dat er regelmatig evaluaties plaatsvonden, maar hij heeft, na betwisting van die stelling door [gedaagde] , niet toegelicht met wie en met welk doel deze evaluaties plaatsvonden. Evenmin is gesteld of gebleken dat de gezagsverhouding tussen [gedaagde] en [verzoeker] hetzelfde was als tijdens de arbeidsovereenkomst in 2015/16. Dat sprake is van een gezagsverhouding is daarmee niet vast komen te staan. 4.14. Ten aanzien van het element loon heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij structureel betalingen ontving voor zijn werkzaamheden bij [gedaagde] en dat er sprake was van continuïteit in die betalingen. Hij verwijst voorts naar de brief van [gedaagde] van 15 november 2022 en het op 20 juli 2023 gewijzigd voorstel, waarin [gedaagde] aan [verzoeker] een aanbod doet voor € 20,- per uur. Volgens [gedaagde] betroffen de betalingen aan [verzoeker] geen loon, maar vrijwilligersvergoedingen en zat er geen continuïteit in de betalingen. 4.15. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van loon, gaat de kantonrechter uit van het door [verzoeker] verstrekte betalingsoverzicht (r.o. 2.5). Uit dit overzicht volgt dat de in de periode van 2020 t/m 2025 aan [verzoeker] betaalde vergoedingen steeds binnen de fiscale normen van de vrijwilligersvergoeding zijn gebleven. Daarnaast heeft [verzoeker] , zoals hij zelf aangeeft in zijn e-mail van 20 augustus 2022, een aantal seizoenen volledig vrijwillig gedraaid, hetgeen niet strookt met zijn stelling dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst uit hoofde waarvan op [gedaagde] een loonbetalingsverplichting rust. Overigens hebben partijen, zoals blijkt uit de door hen overgelegde correspondentie, gedurende de gehele samenwerking geen enkele keer gesproken over loon of salaris, maar telkens over vrijwilligers- of trainersvergoedingen. Eerst op 25 september 2024 geeft [verzoeker] aan dat hij het vreemd vindt dat er wordt gesproken over een vrijwilligersvergoeding, terwijl die term zowel door [gedaagde] als [verzoeker] zelf altijd is gebruikt. Aan de hand van de hierboven geschetste feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden vastgesteld dat sprake is (geweest) van betaling van loon. Partijen lijken dat simpelweg ook niet voor ogen te hebben gehad. 4.16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [gedaagde] . Dit heeft tot gevolg dat de door [verzoeker] verzochte ontbinding en daarmee samenhangende vergoedingen zullen worden afgewezen. 4.17. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 4.18. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst het verzoek af, 5.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Mulders en in het openbaar uit