Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-19
ECLI:NL:RBZWB:2025:8060
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,312 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1746
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) op grond van de Wet open overheid om informatie over Centrumplan Gilze van 5 januari 2025 over de periode 2000 tot aan heden.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
2.1.
De rechtbank heeft het college op 8 april 2025 en 16 juni 2025 verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. Tot op heden heeft het college hieraan geen gehoor gegeven. Dit betekent dat de rechtbank op basis van de bij haar bekende stukken, ingediend door eiser, uitspraak zal doen.
Is het beroep ontvankelijk?
3. De rechtbank stelt vast dat het college na het instellen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen op 21 april 2025. Hierdoor is het procesbelang aan het beroep gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit komen te vervallen. Het beroep tegen het niet op tijd beslissen op eisers aanvraag van 5 januari 2025 is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.
3.1.
Op grond van de wet ziet het beroep ook op het alsnog genomen besluit. Uit de brief van 23 april 2025 blijkt dat eiser het niet eens is met dat besluit.
3.2.
Omdat de bezwaarfase nog niet is doorlopen, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar het college voor een inhoudelijke behandeling. De rechtbank zal het college daarom opdragen om het beroep als bezwaarschrift in behandeling te nemen. In het gestelde door eiser, dat er niet op tijd is beslist op een ander bezwaar dat de rechtbank op 19 november 2024 heeft terugverwezen naar het college en dat het college simpelweg weigert een andere aanvraag van eiser in behandeling te nemen, ziet de rechtbank geen aanleiding om in deze zaak zelf op het beroep te beslissen.
3.3.
De rechtbank laat doorzending van het beroep en de overige nadere stukken van eiser achterwege, omdat het college hierover al beschikt. De rechtbank heeft de brief van 23 april 2025 en de daarbij behorende stukken namelijk al op 7 mei 2025 aan het college doorgestuurd.
Moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden?
4. Eiser stelt dat hij het college op 17 februari 2025 in gebreke heeft gesteld. De rechtbank heeft eiser op 8 april 2025 en op 4 augustus 2025 verzocht om (een kopie van) de ingebrekestelling bij de rechtbank in te dienen. Eiser heeft hier tot op heden geen gehoor aan gegeven. Om die reden zou het beroep kennelijk niet-ontvankelijk zijn verklaard, als het college nog geen besluit zou hebben genomen. Het college hoeft het griffierecht dus niet aan eiser te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
draagt het college op om het beroep, gericht tegen het besluit van 21 april 2025, in behandeling te nemen als bezwaarschrift.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 19 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.
In zaaknummer BRE 24/3221.