Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-18
ECLI:NL:RBZWB:2025:8040
Bestuursrecht
Verzet
2,083 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3481 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 op het verzet van
[opposante]
, uit [plaats] , opposante,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 augustus 2025 in het geding tussen
opposante
en
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.
Inleiding
1. Opposante heeft beroep ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar tegen de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van 18 december 2024.
1.1.
Bij uitspraak van 29 augustus 2025 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder op uiterlijk 20 augustus 2026 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken.
1.2.
Opposante heeft tegen de opgelegde nadere beslistermijn in deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.
Beoordeling
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht en verweerder opgedragen om op uiterlijk 20 augustus 2026 alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder niet op tijd heeft beslist.
3. De rechtbank stelt vast dat het verzet niet gericht is tegen de gegrondverklaring van het beroep, maar tegen de opgelegde nadere beslistermijn.
4. In deze verzetzaak dient dan ook uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat in afwijking van de hoofdregel een langere beslistermijn tot en met 20 augustus 2026 moet worden bepaald.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Kon de rechtbank buiten redelijke twijfel een nadere beslistermijn tot en met 20 augustus 2026 opleggen aan verweerder?
6. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. Volgens vaste jurisprudentie moet die andere termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. In haar uitspraak van 26 maart 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) overwogen dat bij de hersteloperatie toeslagen sprake is van een zeer uitzonderlijk geval. De Afdeling heeft daarbij een nadere beslistermijn vastgesteld van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken. De rechtbank heeft daar in haar uitspraak van 29 augustus 2025 bij aangesloten.
7. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de verlenging tot 72 weken na de indiening van het bezwaarschrift op 3 april 2025 buitenproportioneel en in strijd met het uitgangspunt van een voortvarende behandeling is. De procedure loopt sinds 20 december 2021 en duurt inmiddels bijna vier jaar; bij handhaving van de verlenging zal de totale doorlooptijd bijna vijf jaar bedragen. Dit is onaanvaardbaar en staat volgens opposante haaks op de doelstelling van snel en mensgericht herstel binnen de toeslagaffaire. Daarbij is opposante van mening dat de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 in haar geval een onevenredig zwaar effect heeft, omdat zij haar bezwaar slechts enkele dagen later, op 3 april 2025, heeft ingediend. Door de late aanlevering van het behandelingsdossier (pas eind februari 2025) was het feitelijk onmogelijk dit eerder zorgvuldig in te dienen. De verlenging treft haar daardoor disproportioneel hard. Daarnaast is er volgens opposante sprake van een oneigenlijk gebruik van de bezwaarprocedure, omdat deze wordt ingezet om gebreken uit eerdere fasen te herstellen, terwijl die juist in de primaire beoordeling hadden moeten worden opgelost. Tot slot voert opposante aan dat de aanhoudende duur van deze procedure heeft geleid tot langdurige psychische belasting. Zolang de zaak niet is afgerond, blijft haar gezin gebonden aan een slepend en emotioneel belastend proces. Het ontbreken van afronding maakt verwerking en afsluiting onmogelijk.
8. De verzetrechter overweegt dat wat opposante in deze procedure aanvoert over het effect van de langere beslistermijn, reeds door de Afdeling is meegewogen. De rechtbank heeft daarin dus geen aanleiding hoeven zien om in dit geval af te wijken van de lijn uit de uitspraak van de Afdeling.
Verder heeft de Afdeling de rechtbanken aangeraden uit oogpunt van rechtseenheid, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid dezelfde termijnen in de toekomst te hanteren. De verzetrechter benadrukt dat het hierbij dus gaat om uitspraken die rechtbanken na 26 maart 2025 doen. De datum van de indiening van het bezwaarschrift is hierbij niet van belang; ook als opposante haar bezwaar al vóór 26 maart 2025 had ingediend, zou de rechtbank aan hebben kunnen sluiten bij de nadere termijn van de Afdeling.
Daarnaast is er naar het oordeel van de verzetrechter geen sprake van oneigenlijk gebruik van de bezwaarprocedure. De bezwaarprocedure is bij uitstek bedoeld om gebreken uit eerdere fasen te herstellen, ook al duurt dit dan langer. Op grondslag van het bezwaar vindt een heroverweging plaats van het bestreden besluit en indien de heroverweging daar aanleiding toe geeft, wordt een nieuw besluit genomen.
Ten slotte is voorstelbaar dat de aanhoudende duur van deze procedure heeft geleid tot langdurige psychische belasting van opposante en haar gezin. Opposante heeft echter niet onderbouwd dat deze psychische belasting zo erg is dat zij niet langer kan wachten op het besluit op bezwaar.
De verzetrechter oordeelt dan ook dat de rechtbank in haar uitspraak van 29 augustus 2025 buiten redelijke twijfel een nadere beslistermijn tot en met 20 augustus 2026 kon opleggen. Het verzet van opposante slaagt niet.
9. De verzetrechter gaat er wel vanuit dat verweerder alles in het werk stelt om, indien mogelijk, eerder op het bezwaar te beslissen.
Conclusie
10. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 augustus 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 18 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
ECLI:NL:RVS:2025:1301.
Opposante verwijst daarbij naar artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Zie rechtsoverwegingen 12.1. en 19 tot en met 19.13.
In rechtsoverweging 17.
Artikel 7:11 van de Awb.