Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-18
ECLI:NL:RBZWB:2025:7941
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,377 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6680
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg .
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2024. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat het college op 25 maart 2025 alsnog op het bezwaar heeft beslist.
1.1.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft hierop niet gereageerd.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Voldeed het beroepschrift aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. Voordat de rechtbank deze vraag kan beantwoorden, dient de rechtbank eerst te beoordelen of het beroepschrift voldeed aan de vereisten als genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.1.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan een beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4.2.
Het college stelt zich in het verweerschrift van 10 oktober 2024 op het standpunt dat de ingebrekestelling van verzoeker van 28 juni 2024 prematuur is, omdat de beslistermijn nog liep, gelet op de brieven van 10 en 15 april 2024.
4.3.
Het college moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. In de brief van 10 april 2024 heeft het college de beslistermijn met zes weken verlengd en in de brief van 15 april 2024 geeft het college een termijn voor het indienen van de bezwaargronden en geeft het college aan dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag dat het college de bezwaargronden heeft ontvangen. Het college had dus uiterlijk op 28 juli 2024 moeten beslissen. Omdat verzoeker voor het aflopen van de beslistermijn (namelijk op 28 juni 2024) het college in gebreke heeft gesteld, is de ingebrekestelling prematuur.
4.4.
Als het beroep niet was ingetrokken zou de rechtbank het beroepschrift niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat de ingebrekestelling ten tijde van het indienen van het beroepschrift prematuur was. Dat verzoeker na het indienen van het beroepschrift op 17 oktober 2024 een nieuwe (rechtsgeldige) ingebrekestelling naar het college heeft verzonden, maakt dit niet anders.
4.5.
Aangezien het beroepschrift ten tijde van de indiening niet voldeed aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, beoordeelt de rechtbank niet of het UWV tegemoet is gekomen aan het ingediende beroep tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 18 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit staat in artikel 7:10, eerste lid van de Awb.
Op grond van artikel 7:10, tweede en derde lid, van de Awb.