Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-13
ECLI:NL:RBZWB:2025:7741
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,628 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/997
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), Staat, verweerder in het verzoek tot schadevergoeding.
Inleiding
1. Verzoekster heeft op 2 februari 2023 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het UWV over het weigeren van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het UWV heeft op 22 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin aan verzoekster een Wajong-uitkering is toegekend per 8 december 2021. Verzoekster heeft het beroep op 26 augustus 2025 ingetrokken. Verzoekster heeft verzocht om een veroordeling van het UWV in de proceskosten en de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Daarnaast heeft verzoekster verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
1.1.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek. het UWV heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in een veroordeling in de proceskosten.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De rechtbank wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Verzoek om proceskostenvergoeding
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Het UWV heeft op 22 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin aan verzoekster een Wajong-uitkering is toegekend per 8 december 2021. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
5. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,-, omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.
Wettelijke rente
7. Het verzoek om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het UWV de rente dient te berekenen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 januari 2012.
Redelijke termijn
8. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
9. Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt.
10. Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het UWV van het bezwaarschrift van verzoekster op 15 april 2022 tot aan de bekenmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure drie jaar en ruim drie maanden geduurd. De redelijke termijn is dus (afgerond) met zestien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-.
10. Omdat de bezwaarfase afgerond 9 maanden heeft geduurd en daarmee 3 maanden te lang, komt 3/16 deel (dus € 281,25) voor rekening van het UWV en de rest (€ 1.218,75) voor rekening van de Staat.
12. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel het UWV als de Staat zijn toe te rekenen bestaat aanleiding hen te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege deze overschrijding. Deze kosten worden begroot op € 226,75 (0,25 punt met een waarde per punt van € 907,-). Zowel het UWV als de Staat dient hiervan de helft (€ 113,38) te betalen.
Dictum
De rechtbank:
veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.020,38,- aan proceskosten;
bepaalt dat het UWV aan verzoekster het door haar in beroep betaalde griffierecht van
€ 50,- moet vergoeden;
veroordeelt het UWV tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor aangegeven;
veroordeelt het UWV tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoekster tot een bedrag van € 281,25;
veroordeelt de Staat tot betaling van € 113,38 aan proceskosten;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoekster tot een bedrag van € 1.218,75;
Deze uitspraak is op 13 november 2025 gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. En zie: CRvB 24 april 2025, ECLI:NL: ECLI:NL:CRVB:2025:683, r.o. 3.
CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/997
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), Staat, verweerder in het verzoek tot schadevergoeding.
Inleiding
1. Verzoekster heeft op 2 februari 2023 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het UWV over het weigeren van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het UWV heeft op 22 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin aan verzoekster een Wajong-uitkering is toegekend per 8 december 2021. Verzoekster heeft het beroep op 26 augustus 2025 ingetrokken. Verzoekster heeft verzocht om een veroordeling van het UWV in de proceskosten en de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Daarnaast heeft verzoekster verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
1.1.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek. het UWV heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in een veroordeling in de proceskosten.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De rechtbank wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Verzoek om proceskostenvergoeding
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Het UWV heeft op 22 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin aan verzoekster een Wajong-uitkering is toegekend per 8 december 2021. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
5. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,-, omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.
Wettelijke rente
7. Het verzoek om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het UWV de rente dient te berekenen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 januari 2012.
Redelijke termijn
8. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
9. Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt.
10. Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het UWV van het bezwaarschrift van verzoekster op 15 april 2022 tot aan de bekenmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure drie jaar en ruim drie maanden geduurd. De redelijke termijn is dus (afgerond) met zestien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-.
10. Omdat de bezwaarfase afgerond 9 maanden heeft geduurd en daarmee 3 maanden te lang, komt 3/16 deel (dus € 281,25) voor rekening van het UWV en de rest (€ 1.218,75) voor rekening van de Staat.
12. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel het UWV als de Staat zijn toe te rekenen bestaat aanleiding hen te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege deze overschrijding. Deze kosten worden begroot op € 226,75 (0,25 punt met een waarde per punt van € 907,-). Zowel het UWV als de Staat dient hiervan de helft (€ 113,38) te betalen.
Dictum
De rechtbank:
veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.020,38,- aan proceskosten;
bepaalt dat het UWV aan verzoekster het door haar in beroep betaalde griffierecht van
€ 50,- moet vergoeden;
veroordeelt het UWV tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor aangegeven;
veroordeelt het UWV tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoekster tot een bedrag van € 281,25;
veroordeelt de Staat tot betaling van € 113,38 aan proceskosten;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoekster tot een bedrag van € 1.218,75;
Deze uitspraak is op 13 november 2025 gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. En zie: CRvB 24 april 2025, ECLI:NL: ECLI:NL:CRVB:2025:683, r.o. 3.
CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.